Grafschriften voor dichters

In Poëziekrant publiceerde Patrick Lateur een artikel met enkele grafepigrammen uit de Anthologia Graeca. Je kan het hieronder lezen.

Anthologia Graeca. Grafschriften voor dichters

Wanneer Plato in een epigram Sapfo omschrijft als ‘de tiende Muze’, levert hij ons daarmee wellicht het beroemdste voorbeeld van literaire receptie in de Griekse Oudheid. Het gedicht is slechts een van de elf epigrammen over de dichteres van Lesbos die terug te vinden zijn in de Anthologia Graeca, een al even indrukwekkende als merkwaardige verzameling van meer dan vierduizend epigrammen.

Die Griekse Anthologie is door een anonieme bloemlezer samengesteld uit verschillende verzamelingen en bewaard in een 10de-eeuws manuscript. De epigrammen zijn van de hand van meer dan driehonderd auteurs tussen de 7de eeuw v.C. en de 6de eeuw n.C. Onder hen bekende namen uit diverse literaire genres: naast epigrammen van Plato zijn er ook van Anakreon, Kallimachos, Theokritos en Loekianos. Tot de typische epigrammendichters behoren naast vele anonieme auteurs o.m. Leonidas, Asklepiades, Antipatros, Meleagros, Lucillius, Straton, Palladas en Paulus Silentiarius. Vanuit thematisch standpunt is de verzameling erg gevarieerd: wijepigrammen en grafschriften, christelijke en stichtelijke epigrammen, satirische, erotische en ook epigrammen waarin literatuur en beeldende kunsten aan bod komen. In ons taalgebied zijn een paar honderden epigrammen in vertaling beschikbaar, o.m. in de collectieve vertaling Krekels in olijventuinen (1963) en de verzamelbundels van d’Hane-Scheltema (1965), Vergeer (1976), Claes (1983 en 1997), Fresco (1991), Nolthenius (1992) en Schröder (1998). Ook voor Oog om oog (1964) greep Hugo Claus terug naar de Griekse Anthologie.

Verspreid over de zestien boeken van de Anthologia Graeca zijn er zowat honderdvijftig literaire epigrammen te traceren, die een beeld geven van de receptie van bekende namen uit de Griekse letterkunde. Vaak gaat het om een geïsoleerd epigram of een paar gedichten. Maar over Homeros zijn er vijfentwintig epigrammen bewaard, een twintigtal gaat over Anakreon, en de drie grote tragici Aischylos, Sofokles en Euripides zijn samen goed voor achttien epigrammen. Deze literaire gedichten zijn niet alleen interessant als gedicht op zich, maar bevatten soms ook informatie die elders niet te vinden is. En zij zeggen veel over de genese van de canon van de Griekse literatuur.

We presenteren hier een kleine selectie van literaire epigrammen uit het zevende boek, dat quasi uitsluitend grafepigrammen bevat. Of deze epitafia ook effectief als grafopschriften hebben gefungeerd is moeilijk te zeggen. Aangenomen wordt dat de meeste ervan boekepigrammen waren, louter en alleen met literaire doeleinden geschreven. De acht epigrammen zijn chronologisch geordend naar de behandelde dichter, van Alkaios’ epigram over Homeros tot het poëticale epigram van Leonidas van Tarentum over zichzelf. De thema’s die hier aan bod komen zijn de grootheid van het werk (Homeros, Alkman – ), de onsterfelijkheid door poëzie (Sapfo, Leonidas en de wat minder bekende jong gestorven dichteres Erinna), de eigen aard van het dichtwerk (de drinkliederen van Anakreon en de bijtende spot van Hipponax en Archilochos, waarmee deze laatste Lykambes’ dochters tot zelfmoord dreef). Acht literaire epigrammen of hoe latere dichters opkeken naar hun grote voorgangers.

1.
Op vraag van de Muzen verzonnen
knapen een raadsel voor Homeros
en op Ios treurden zij
om de zanger van helden.
De Nereïden uit de zee zalfden hem met nectar,
legden zijn lijk op het strand
aan de voet van een klip.
Want hij had Thetis en haar zoon geroemd,
het strijdgewoel van andere helden,
de daden van Odysseus van Ithaka.
Ios, gezegend onder de eilanden in de zee:
klein is het, toch bergt het
de ster van Gratiën en Muzen.

Alkaios van Messene (ca. 200 v.C.)
over Homeros (8ste eeuw v.C.) – A.G. 7.1

2.
Kerberos, jij blaft
de doden vreselijk toe. 
Ze beven.
Maar ook jij moet weldra beven 
voor een verschrikkelijk lijk.
Archilochos is dood!
Wees op je hoede voor zijn jamben,
zijn bittere wrok uit zijn wrange, 
scherpe mond.
Jij kent de grote kracht
van wat hij schreef en schreeuwde:
één boot bracht jou 
twee dochters van Lykambes.

Julianos, prefect van Egypte (6de eeuw n.C.)
over Archilochos (7de eeuw v.C.) – A.G. 7.69

3.
Beoordeel de dode niet naar zijn steen.
Klein is de grafheuvel die je ziet, maar
groot is de man wiens gebeente hij bewaart. 
Je kent hem: Alkman. 
Beter dan wie ook
bespeelde hij de Spartaanse lier,
hij was één van de negen grote dichters.
Hier rust hij, bron van twist 
tussen twee gebieden:
Lydië en Sparta. 
Dichters hebben vele moeders.

Antipatros van Thessalonike (1ste eeuw v.C.)
over Alkman (2de helft 7de eeuw v.C.?) – A.G. 7.18

4.
Land van Aiolië, 
in jouw grond ligt Sapfo geborgen, 
vereerd als sterfelijke Muze 
tussen onsterfelijke Muzen.
Kypris en Eros brachten haar samen groot,
met haar vlocht Peitho de eeuwige krans 
van de meisjes van Piëria
tot vreugde van Hellas,
tot jouw roem.
Moiren, gij draait een driedraad op uw spinnewiel.
Waarom niet een dag gesponnen
die nooit zal vergaan voor de dichteres,
hoedster van de onvergankelijke gaven
van de Muzen van de Helikon?

Antipatros van Sidon (2de eeuw v.C.)
over Sapfo (ca. 600 v.C.) – A.G. 7.14

5.
Anakreon, 
laat rond jou klimop
in rijke trossen bloeien, 
tere bloemen 
in purperweiden,
laat witte melk
uit bronnen borrelen,
geurige zoete wijn 
stromen uit de aarde,
opdat jouw as en gebeente
vreugde beleven,
als inderdaad
een vonk van vrolijkheid 
de doden heel even raakt.

Antipatros van Sidon (2de eeuw v.C.)
over Anakreon (6de eeuw v.C.) – A.G. 7.23

6.
Ga rustig aan dit graf voorbij,
wek de kwade wesp niet
die rustig ligt te slapen.
Zo-even nog blafte Hipponax
zelfs zijn ouders af,
zo-even is zijn wrok 
rustig ingeslapen.
Maar, wees toch maar op je hoede:
zijn vlammende verzen kunnen pijn doen
zelfs in de Hades.

Leonidas van Tarentum (ca. 310-240 v.C.)
over Hipponax (2de helft 6de eeuw v.C.) – A.G. 7.408

7.
Pas liet je de lente ontluiken
van je honingzoete zangen,
pas begon je te zingen
met de stem van een zwaan.
En Moira, meesteres van spinrok en draad,
dreef jou naar de Acheron 
over de wijde wateren van de dood.
Maar, Erinna, je prachtig dichtwerk 
verkondigt het luid:
jij bent niet dood,
jij deelt in de dans van de Muzen.

Anonymus
over Erinna (midden 4de eeuw v.C.) – A.G. 7.12

8.
Ver van Italië rust ik,
ver van Taranto, mijn vaderstad.
Pijnlijker dan de dood is dat. 
Zo is het leven van een zwerver: 
geen leven.
Maar de Muzen hielden van me,
in ruil voor verdriet kreeg ik 
de zoetheid van honing.
De naam van Leonidas gaat niet verloren.
De gaven van de Muzen 
blijven herauten van mijn naam
tot het einde van de dagen.

Leonidas van Tarentum (ca. 310-240 v.C.)
over zichzelf – A.G. 7.715

Verschenen in: Poëziekrant, 29(2005)5, pp. 28-31.