De Argonautica van Valerius Flaccus

Patrick Lateur schreef voor Hermeneus een bijdrage over de Argonautica van Valerius Flaccus. Lees hieronder de integrale tekst.

De Argonautica van Valerius Flaccus

Wanneer Valerius Flaccus tussen 70 en 90 n.Chr. zijn onvoltooide Argonautica schrijft, weet hij dat hij niet alleen in de epische traditie van Homeros en Vergilius staat, maar ook in een eeuwenlange overlevering van het verhaal van Jason en Medea. In het werk van Homeros en Hesiodos zijn er reeds duidelijke verwijzingen naar de Argonautentocht, die Jason naar de oostkust van de Zwarte Zee brengt. De eerste grote Argonautentekst dateert uit 462 v.Chr., als Pindarus in zijn langste zegezang, de Vierde Pythische Ode, de verhaalstof op een heel eigen manier verwerkt. Tal van elementen uit het verhaal worden in dezelfde eeuw ook door de tragici verwerkt, met als meest bekende creatie de Medea van Euripides uit 431.

Maar Valerius’ directe inspiratiebron zijn uiteraard de Argonautica van Apollonios van Rhodos uit het midden van de 3e eeuw v.Chr. Na hem bewerkt Theokritos nog het verhaal van Hylas in Idyllen 13. Van wat bewaard bleef in de Latijnse literatuur, is het begin van het zesde boek van Ovidius’ Metamorfosen belangrijk en ook twee van zijn Heldinnenbrieven: brief 6 van Hypsipyle en brief 12 van Medea. Zowel zijn niet bewaarde tragedie Medea als het gelijknamige toneelstuk van Seneca gaan terug op Euripides’ werk. Zij vormen de laatste grote Latijnse bewerkingen van de oude mythe voordat Valerius aan zijn Argonautica begint.

Het netwerk van teksten waarin Valerius Flaccus zich beweegt en dat ons onvolledig is overgeleverd, is bijzonder groot en bovendien nogal complex. Want zelfs als we ons beperken tot Homeros, Apollonios en Vergilius, merken we hoe de verhaallijnen elkaar voortdurend kruisen. Valerius laat zich rechtstreeks door Homeros inspireren, maar homerische elementen bereiken hem ook via de omweg van Apollonios en Vergilius. Deze laatste bewerkt zelf gegevens van Apollonios, die Valerius dan hergebruikt samen met het omvangrijk origineel materiaal dat Vergilius hem aanreikt. Uiteindelijk is er ook de directe relatie tussen de Argonautenversie van Apollonios en Valerius.

Dat ingewikkelde kluwen was niet bevorderlijk voor de waardering van Valerius in de 19e eeuw en dat leidde ertoe dat hij vaak (en niet helemaal terecht) werd beschouwd als een tweederangsauteur. Enig inzicht in het spel van imitatio – aemulatio heeft ons inmiddels geleerd antieke teksten niet uitsluitend te beoordelen op basis van hun originaliteit. In deze bijdrage met eigen, nieuwe vertalingen van een aantal fragmenten wil ik bij wijze van voorbeeld een paar markante gevallen van intertekstualiteit aangeven, maar tegelijk Valerius’ eigen benadering van de stof belichten.

De aanhef

De auteur gaat volledig schuil achter zijn werk. De Flaccus uit Martialis’ eerste epigrammenboek (61 en 76) heeft niets te maken met onze Valerius. En het nuper in een getuigenis van Quintilianus is te rekbaar om de dood van de dichter bij benadering te kunnen dateren: Multum in Valerio Flacco nuper amisimus  (‘Met de dood van Valerius Flaccus hebben we onlangs een groot verlies geleden.’ Institutio oratoria. 10, 1, 90 – vert. Gerbrandy).

Het enige vaste gegeven wordt ons door de dichter zelf bezorgd. Hij was een quindecimvir sacris faciundis en behoorde als eminent schrijver dus tot het college van priesters, dat de sibyllijnse boeken in de Apollotempel op de Palatijn moest bewaren en raadplegen. Daarop zinspeelt hij in de aanhef van zijn epos, waar hij ook Apollo aanroept. Hij doet dat overigens niet alleen in zijn hoedanigheid van quindecimvir, maar ongetwijfeld ook als dichter in het spoor van Apollonios, die in het eerste vers van zijn Argonautica Phoebus aanspreekt.

De eerste tocht van grote godenzonen
over de zee bezing ik, ook hun schip
dat als profeet durfde de Phasiskusten
in Scythië op te zoeken en een weg
te banen dwars door rotsen in beweging
om in de sterrenhemel eindelijk
tot rust te komen. Phoebus, inspireer me,
als in een zuiver huis de drievoet staat
die de geheimen van de profetes
van Cumae mij kan toevertrouwen, als
laurier frisgroen rust op een waardig voorhoofd. (1,1-7a)

Prima is het eerste woord van Valerius’ Argonautica. Nog vóór de Griekse expeditie tegen Troje was er al een confrontatie geweest tussen West en Oost. De Argo, waarmee Jason en zijn helden met de hulp van Medea in Colchis het Gulden Vlies bemachtigden, was volgens een eeuwenoude traditie het eerste schip dat over de zeeën voer. In het vervolg van de aanhef maakt de dichter een toespeling op Vespasianus en diens zonen Titus en Domitianus.

De aanroeping van de Flavische dynastie ligt in de lijn van wat in het Romeinse epos en leerdicht geregeld terugkeert: de verheerlijking van de heersers is er een traditioneel onderdeel. Bij Valerius speelt de gedachte mee aan de maritieme expedities van de Flaviërs (onder meer de campagne in Brittannië waaraan de Romeinse vloot deelnam; vergelijk Tacitus, Agricola). Met zijn Argonautica stelt de dichter zich ten dienste van de Flavische keizers die nieuwe zeewegen openen, en het aloude verhaal zal garanties geven aan de nieuwe verwachtingen die zij oproepen. Ook in die zin is de benadrukking van prima niet onbelangrijk.

De tocht

Valerius volgt getrouw de verhaallijn van Apollonios, maar zijn epos is zowat een vierde langer dan de Argonautica van zijn Griekse voorbeeld. Die nadrukkelijke verruiming van het Latijnse Argonautenverhaal gebeurt onder meer door middel van gevechtsscènes, die bij Apollonios beduidend minder aanwezig zijn en waarmee Valerius bewust in het spoor van Vergilius wil treden. De Aeneïs omvat zes zangen die de Odyssee van Aeneas vormen, en zes waarin de verovering van het land herinnert aan Homeros’ Ilias.

Zo kunnen ook de acht boeken van Valerius worden opgedeeld in de zeetocht (1-4) en Jasons avonturen in Colchis (5-8), waarbij de vraag naar het precieze aantal boeken van de onvoltooide Argonautica buiten beschouwing kan blijven. Uiteraard blijft omwille van het onderwerp het thema van de zeetocht het oorlogsthema domineren, maar het homerische archetype van de epische verhaalstof stond Valerius ongetwijfeld meer voor ogen dan dat bij Apollonios het geval was.

Onder de helden van de Argo bevindt zich ook Orpheus, die niet roeit of vecht, maar met zijn lied de cadans aangeeft voor de roeiers of verhalen zingt. Orpheus zorgt bij Valerius voor niet veel meer dan ondersteunende achtergrondmuziek. Hij werkt eerder psychagogisch dan betoverend, zoals Apollonios en Vergilius de zanger nog tekenden. In 1, 274-293 onderhoudt hij de roeiers tijdens de nachtelijke tocht:

De zon verzonk en alle licht verzwond
over de wateren, de Minyërs
zijn blij. Op de gebogen kustlijn fonkelt
een lichtengordel die niet één matroos
nog land laat zien. Met liefelijke lier
verdrijft nu Thracië’s zanger nachtelijke
uren. Hij zingt van Phrixus die daar stond
met linten rond de slapen of, gehuld
in wolken, vluchtte van het zondig altaar
en Athamas aan Ino’s zoon Learchus
liet. Hoe de gouden ram de jongen voerde
over het water dat verwonderd opkeek,
hoe Helle vast zat en de hoorns omklemde.
[…]

In tegenstelling tot Apollonios (1, 494-515), waar Orpheus een kosmologisch en dus gewichtiger thema bezingt, laat Valerius in Orpheus’ lied de oorsprong van de expeditie meeklinken: de ontsnapping van Phrixos en Helle en (in het vervolg van het vertaalde fragment) de val van Helle in zee. De aanloop naar het lied van Orpheus is een gevoelvolle evocatie van het vallen van de duisternis, een van de vele toetsen waarmee Valerius zich als een groot dichter manifesteert.

De eerste nacht

Soortgelijke tonen weerklinken bij de evocatie van de angst onder de Argonauten tijdens hun eerste nacht op zee. Terwijl Apollonios hen ’s avonds aan land laat gaan, varen Valerius’ Argonauten door:

Het is het uur waarop de angsten groeien,
als zij de hemel het gelaat zien keren
en tegelijk de bergen, alle plaatsen
onttrokken worden aan de ogen, als
zij rondom zich alleen diep duister zien.
De kalmte zelf van de natuur, het stil
gesternte aan het firmament, de ether
vol sterren en vol staarten van kometen:
beangstigend. Zoals een reiziger
´s nachts dwaalt door onbekend gebied, de weg
niet kent, een weg probeert, aan oog noch oor
de rust gunt; langs weerszijden liggen velden
in nacht en duister, bomen komen op
hem af met lange, vreemde schaduwen:
zijn angsten groeien. Zo beven de bootslui. (2, 38-47a)

Sterren en kometen doen denken aan Vergilius, Aeneïs 5, 525-529, Ovidius, Metamorfosen 15, 849-850 en ook aan Lucanus 1, 526-529. En de vergelijking met de reiziger die verdwaalt in de nacht, roept heel even de angst op van kinderen in het duister bij Lucretius 3, 87-88a of Euryalus’ angst in Aeneïs 9, 383-385. Maar tenzij hij een verloren bron navolgt, werkt Valerius Flaccus hier een heel eigen vergelijking uit. De meeste vergelijkingen – zijn Argonautica tellen er niet minder dan 117 – zijn eerder kort, drie of vier verzen, en nergens geven zij de indruk de tekst te belasten of te overladen.

De grote meerderheid is ontleend aan Homeros en Vergilius, en de rijkdom en variatie ervan reiken verder dan een epos over een zeetocht doet vermoeden: godenwereld en mythen, menselijke activiteit en natuurfenomenen, fauna en flora vormen de bronnen van deze typisch epische component. Schitterend is de vergelijking van Medea met een witte lelie in boek 6. Juno misleidt haar in de gedaante van haar zus en spoort Medea aan naar de stadsmuren te gaan om daar in het strijdgewoel de Griekse helden te aanschouwen. De teichoscopie is een bekend episch thema (Ilias 3,121-244 en Ovidius, Metamorfosen 8, 11-43).

Onwetend van het onheil dat zou komen,
vertrouwt het ongelukkig meisje zich aan
haar valse zuster toe en laat zich brengen
tot boven op de wallen: zo opvallend
is ook de luister van de witte lelies
tussen de lentetinten: kort hun leven,
slechts even bloeit hun hele glorie, boven
hen hangt de zuider reeds met donkere vleugels. (6, 490-494)

De broosheid van de lelie die snel verwelkt, wordt opgeroepen in Horatius, Oden 1,36, 16, in Seneca’s Phaedra 764-769 en in Statius, Silvae 3, 3, 128. Maar hier werkt Valerius de vergelijking op originele wijze uit. De infelix … futuri / nescia virgo mali, waarbij de lezer onmiddellijk denkt aan de tragische Dido, is een en al schittering zoals een lelie, maar kortstondig van duur, want de dreiging van de vernielende wind is nabij. Medea zal inderdaad vanaf de wallen alleen maar oog hebben voor Jason.

Lemnos

Een opmerkelijke etappe op hun tocht naar Colchis is het verblijf van de Argonauten op Lemnos, waar zij worden verwelkomd door de vrouwen die er alle mannen hebben vermoord. De Lemnische vrouwen bezwijken voor de liefde van de Argonauten, maar daarna trekken de Griekse helden op aandringen van de ongeduldige Herakles weer verder. Valerius volgt ook hier de elementen in het verhaal van Apollonios, maar hij laat de beschrijving van Jasons mantel achterwege en besteedt uitvoerig aandacht aan het verhaal van de moord. Een erg Vergiliaanse passage is het feestmaal dat de Argonauten wordt aangeboden. Valerius, die aan Vergilius zonder meer het meest schatplichtig is, kon niet ongevoelig blijven voor het episch thema van de veel beproefde zeeman die zijn verhaal doet (Odysseus, Aeneas) en door een koningin (Dido, Hypsipyle) wordt beluisterd en geliefd (Aeneas, Jason). Het feestmaal dat de koningin van Lemnos Jason aanbiedt, doet onweerstaanbaar denken aan het einde van Aeneis I, waar Dido een feestmaal inricht voor Aeneas, geboeid naar hem luistert en verliefd op hem wordt.

En in het midden Jason, de vorstin
naast hem. Na hen de andere edelen.
Terwijl de eerste honger wordt gestild
met vlees van offerdieren, gaat in bekers
de wijn rond, stilte heerst in heel de zaal.
En het banket begint. Zij doen weldra
het nachtelijke uur vergeten, spreken
lang met elkaar tot in het late donker.
Vooral Hypsipyle is vol verbazing
over de avonturen van de leider
en vraagt met nadruk welke god hem meetrekt,
vanwaar of welke koninklijke macht
hem drijft met zijn Thessalisch reuzenschip.
Dan hangt zij aan zijn lippen – hem alleen
hoort zij –, en zachtjesaan vat zij voor hem
een zoete liefde op, kent nu geen weerstand
meer tegen huwelijksbed, tegen terugkeer
van Venus is zij niet. En Jupiter
schenkt zelf hun liefde alle tijd en ruimte. (2, 346-356)

De feestvierders, de spijzen, de beker, de stilte, de feestzaal, de gesprekken: alles herinnert aan het samenzijn van Trojanen en Carthagers, waarmee de eerste zang van de Aeneïs afsluit. Post alii proceres plukt Valerius letterlijk uit vers 740 van Vergilius en plaatst het in dezelfde positie in zijn vers 347. Mijn vertaling ervan is dan uiteraard ook méér dan een knipoog naar de Vergilius-versie van M. d’Hane-Scheltema:  ‘Na hem de andere edelen…’En … et in seras durant sermonibus umbras (350) parafraseert het vergiliaanse … et vario noctem sermone trahebat (748):  ‘… Vooral de arme Dido liet de nacht / met veel gesprekken duren…’. Dido’s vele vragen die bij Vergilius leiden tot de flash-back van boek 2 en 3, klinken na in de drieledige vraag van Hypsipyle. En zoals Dido longumque bibebat amorem (749):  ‘… uren vol van liefde drinkend’, gebeurt dat ook met de vorstin van Lemnos: blandos paulatim colligit ignes (354). Met dit verschil, dat de liefde van Hypsipyle onmiddellijk zal worden beantwoord door Jason. De tragiek die Dido door Aeneas zal kennen, is bij Valerius weggelegd voor de infelix Medea.

In Colchis

Na zijn avonturen op zee (boek 1-4) komt Jason aan in Colchis bij de monding van de Phasis. Zijn Odyssee ligt voorlopig achter de rug, zijn Ilias kan beginnen (boek 5-8). Het tweede deel van Valerius’ Argonautica is beslist het meest lezenswaardig, alleen al omwille van het feit dat de spanning wordt opgedreven door de opdracht die Jason eindelijk kan uitvoeren en door het optreden van Medea. Valerius hoedt zich er evenwel voor om de bekende handeling rechtlijnig weer te geven.

In visioenen en dromen, voorspellingen en redevoeringen wijst de dichter vanaf het begin van zijn epos vaak vooruit op de handeling. De lezer kent de verhaalstof van Apollonios, de Latijnse dichter probeert met behulp van dergelijke toespelingen op wat komen zal (zogeheten prolepsen) het oude verhaal een nieuwe spankracht te geven. Een mooi voorbeeld daarvan is de beschrijving van een van de tempeldeuren in boek 5. Apollonios had in zijn Argonauten-versie uitvoerig het paleis van koning Aeëtes beschreven (3, 215-246). Valerius concentreert zich op de schitterend bewerkte tempeldeuren en knoopt met de evocatie van een kunstwerk aan bij een epische traditie, waarvan Homeros met het schild van Achilles en Vergilius met onder meer de Trojaanse reliëfs op de tempeldeuren van Carthago (Aeneïs 1, 446-495) en het Minotaurus-verhaal op de tempel in Cumae (Aeneïs 6, 14-34a) de bekendste voorbeelden zijn. Maar in tegenstelling tot de vergiliaanse scènes, die uitsluitend verhalen uit het verleden uitbeelden, roepen de tempeldeuren van Colchis niet alleen de ontstaansgeschiedenis van de Colchiërs op (5, 416-432), maar lopen zij ook vooruit op wat komen gaat:

Vulcanus had zelfs kunstig en profetisch
het gulden vlies geciseleerd en ook
de Grieken die hier eenmaal zouden komen.
De pijnboom van Pagase wordt vertimmerd
door Argus met zijn bijl, de leider zelf
gaat er aan boord en wenkt met blote hand
zijn manschappen. Nu richt een en dezelfde
godin riemen en zeilen en een zuider
steekt op, men ziet op heel het diep één enkel
schip, robben vinden vreugd in Orpheus’ lied.
En schuw verschijnen bij de Phasismonding
de Colchiërs, een koningsdochter laat
ver achter zich de kreten van haar ouders.
En daar dan weer een stad, omspoeld door twee
zeeën, met zang en spel en bruiloftstoortsen
bij nacht, een fiere schoonzoon met zijn bruid
van koninklijke bloede – want zijn eerste
had hij verstoten. Maar vanaf het dak
kijken de wraakgodinnen toe. Zijn vrouw
kwijnt in haar kamer weg, ontsteld en warrig
door haar rivale, maakt voor haar een kleed klaar
en een verderfelijk geschenk: een kroon
met edelstenen, niet zonder zich eerst
beklaagd te hebben over al haar moeite.
De ongelukkige rivale werd hiermee
bij een voorvaderlijk altaar getooid.
En eenmaal in de greep van brandend gif
zet zij ook het paleis in vuur en vlam.
Zo had de vuurgod deze wonderdaden
gesmeed voor Colchiërs, die nog niet wisten
wat soort van onderneming dit nu was
of wie op drakenvleugels druipend van
het bloed de lucht zou klieven. Toch haatten
zij haar en wendden toen de ogen af. (5, 433-454)

Met “op heel het diep één enkel schip” brengt Valerius nog even de aanhef en het onderliggende thema in herinnering: het openen van de zeewegen. Maar voor het overige ligt het accent op Medea, haar lot en haar wraak in Corinthe. De Colchiërs kijken zonder te begrijpen, maar voelen toch al verachting voor Medea. Jason daarentegen begrijpt en ziet hier en nu reeds wat de toekomst brengt.

Heel anders dan Aeneas, die zich door de Trojaanse scènes op de tempeldeuren van Carthago welkom wist nog vóór hij de koningin van het land had ontmoet, voelt Jason nog vóór de ontmoeting met de vorst van het land alleen maar verwarring en angst. Aeneas en Jason staan beiden gehuld in een wolk, onzichtbaar voor de bewoners, maar terwijl het verleden voor de Trojaan bron van zekerheid is, brengt de toekomst voor Jason alleen onzekerheid.

In deze bijzonder fraaie en functionele prolepse komt niet alleen Valerius’ heel eigen verwerking van de verhaalstof én van formele epische elementen tot uiting. Hij laat er, zoals op tal van andere plaatsen van zijn Argonautica, ook iets aanvoelen van zijn pessimistisch wereldbeeld. Het aanschouwen van Colchis’ oorsprong op de ene tempeldeur was bron van verwondering en vreugde, maar beschrijving en beschouwing van de andere reliëfs eindigen in duistere stemming en zwarte toekomstverwachting.

Medea

Is Medea een meisje dat alles prijsgeeft uit liefde of een barbaarse toverkol met een dodelijke werking? De tweespalt komt voor het eerst bij Apollonios voor. En ook Valerius lijkt lange tijd (in 6, 45 noemt hij haar nog een monstrum) dat dubbele beeld van Medea aan te houden. Maar vanaf het moment dat Medea spreekt, krijgt zij een heel ander karakter: geen monster dat lijden brengt, maar evenmin een naïef, verliefd meisje. Zoals bij Apollonios poogt zij haar liefde te onderdrukken, maar bij Valerius duurt die innerlijke strijd erg lang. Halfweg boek 6 probeert Juno haar liefde te wekken en pas voorbij de helft van boek 7 breekt haar trotse weerstand en is zij bereid te helpen.

Ook de interventies van Venus wijzen op een moeilijke stap die Medea moet zetten. Elders (Vergilius’ Dido en Apollonios’ Medea) is één tussenkomst van de godin voldoende. Maar bij Valerius’ Medea speelt een morele overweging mee. De godinnen plaatsen de zelfbewuste vrouw, de priesteres, die dus geen sentimenteel, verliefd meisje is, voor een dilemma: ofwel haar vader Aeëtes tegenwerken ofwel haar geliefde laten sterven in de onmogelijke opdracht de vuurbrakende stieren het juk op te leggen, de aarde om te ploegen, drakentanden te zaaien en de krijgers te verslaan die daaruit zullen oprijzen.

Haar beslissing duurt zo lang, omdat er een grote kloof gaapt tussen haar persoonlijkheid en de rol waarin zij door de godinnen wordt geduwd. Wanneer zij Jason het magische gif bezorgt, klinken haar woorden tot hem bij Valerius dan ook zo beklemmend, ondanks de vele reminiscenties en zelfs letterlijke ontleningen aan Apollonios (3, 1064 e.v.):

En meer en meer liet zij haar geest nu zweven
over de volle zee, zag Minyërs
al zonder haar de zeilen hijsen. Maar
getroffen door de diepste pijn greep zij
toen Jasons rechterhand en sprak vol deemoed:
“Ik smeek je: blijf steeds aan me denken, ik,
wat mij betreft, geloof me, ik vergeet
je nooit. Toe, zeg me, alsjeblieft: als jij
weg bent, naar welke verre hemelhoek
zal ik mijn ogen wenden? Maar waar jij
ook bent, hoevele jaren ook, ik wens
dat ook de zorg om mij jou raken blijft,
dat jij je blijft herinneren hoe jij
er nu aan toe bent, toegeeft dat het mijn
geschenken waren. En wees niet beschaamd
gered te zijn dankzij een listig meisje.
Wee mij, waarom geen tranen in je ogen?
Doe jij alsof je niet beseft dat ik
straks een verdiende dood zal sterven door
de woede van mijn vader? Maar jou wachten
een vrouw en kinderen, jij zult in voorspoed
je volk regeren. Mij wacht eenzaamheid,
en dood. Ik klaag niet, en voor jou zal ik
ook vreugdevol dit levenslicht verlaten.” (7, 473-487).

Uiteindelijk is het bij Valerius misschien niet zozeer de liefde die Medea ertoe dwingt haar vaderland te verlaten, maar haar schuldbesef. De angst dat zij ooit eens haar vader weer onder ogen zou moeten zien, is groot. Onder druk van het lot is zij de enige die Jason kan helpen en is zij gedoemd een schuldige te worden. Valerius’ heldin vlucht met haar geliefde, maar zij vlucht vooral voor haar eigen daden. Vanaf haar eerste ontmoeting met Jason werd zij een offer van het fatum. In het begin van het laatste boek verwoordt zij tussen al haar gevoelens voor hem ook de vrees ooit terug bij Aeëtes te moeten komen:

“Om jou laat ik mijn vaders huis, de rijkdom
van mijn familie in de steek. Ik heet
geen koningsdochter meer en ik verzaak
de troon en volg mijn hartenwens: blijf jij
voor mij, een banneling, het woord getrouw
dat jij – je weet het toch – als eerste gaf.
De goden zijn getuigen van ons woord,
de sterren daar zien jou en mij. Met jou
zal ik de zee trotseren, alle wegen
ga ik met jou, als er maar nooit een dag komt,
die mij van jou verwijdert, mij hierheen voert
en wéér onder mijn vaders ogen brengt.
Dat vraag ik aan de goden en dat vraag
ik ook aan jou, die uit den vreemde komt.” (8, 46-53)

Onvolledig

Na die ontmoeting rooft Jason met Medea’s hulp het Gulden Vlies en neemt hij haar mee op de Argo, die terugkeert via het Donaugebied. In Peuce huwen zij, maar haar broer Absyrtus achtervolgde hem. De Argonauten dwingen Jason hem Medea terug te geven. Als zij van dat plan hoort, houdt Medea een wanhopig pleidooi tot Jason. Met het begin van zijn antwoord (8, 467) breekt het epos abrupt af.

De vragen over het verdere verloop van het verhaal, over de terugweg die de Argonauten namen en over hoeveel boeken de onvolledig bewaarde of wellicht nooit voltooide Latijnse Argonautica telde, zijn voorwerp van veel speculaties. Het is hier niet de plaats om daarop in te gaan, net zomin als op vele andere, meer fundamentele aspecten van Valerius’ epos. Deze bijdrage beoogde alleen aan de hand van een paar exemplarische fragmenten onvermoede kwaliteiten te belichten en weer aandacht te vragen voor een niet onbelangrijk episch dichter, die te lang in de schaduw van Vergilius is gebleven.

Korte bibliografie

Uitgaven en vertalingen:

J.H MOZLEY, Valerius Flaccus. Edited with an English Translation. Cambridge (MA): Harvard UP, 1972 (Loeb Classical Library 286).

G. LIBERMAN, Valerius Flaccus, Argonautiques. Tome I: Chants I-IV. Texte établi et traduit par G.L. Paris: Les Belles Lettres, 1997 (Collection des universités de France, Série latine 340).

J. SOUBIRAN, Valerius Flaccus, Argonautiques. Introduction. Texte et traduction rythmée. Notes et Index, Éditions Peeters, Louvain-Paris-Dudley, MA, 2002.

Recente studies:

U. EIGLER & E. LEFÈVRE (edd.) in Zusammenarbeit mit G. MANUWALD,  “Ratis omnia vincet.” Neue Untersuchungen zu den Argonautica des Valerius Flaccus. München: Beck, 1998 (Zetemata 98).

Verschenen in: Hermeneus. Tijdschrift voor antieke cultuur, (themanummer Het Latijnse epos), 77(2005)2, pp. 87-98.