Poëziewandelbrochure Fernand Florizoone

Voor het 31e Poëziefestival in Beauvoorde stelde Patrick Lateur de Poëziewandelbrochure Fernand Florizoone voor in de Ridderzaal van het kasteel van Beauvoorde op 15 mei 2005.

Dames en heren,

In de tweede zang van de Ilias van Homeros, de eerste dichter van het Avondland, verheugt koning Agamemnon zich wanneer een van de andere Griekse vorsten, met name Nestor, koning van Pylos, in de vergadering wijze woorden spreekt. Agamemnon is zelfs zo enthousiast dat hij zegt beter gediend te zijn met tien zulke voortreffelijke raadgevers dan met tien macho’s à la Ajax. Tien Nestors zouden de stad van Priamos sneller doen vallen dan tien Ajaxen (Ilias 2.370-374). Nestor is de oudste vorst van de Grieken voor Troje. Hij heerste over de derde generatie, zegt de dichter. Maar zijn gezag haalt hij niet alleen uit zijn wijsheid of uit zijn eerbiedwaardige leeftijd. Nestor kan het ook goed verwoorden. In de eerste zang luidt het over hem: Zoeter dan honing vloeiden de woorden over zijn lippen. (Ilias 1.249). Fysieke inspanningen zijn aan de oude Nestor niet meer besteed, hij cultiveert op de eerste plaats het ware en het mooie woord. En daaruit put hij zijn gezag.

Dames en heren, zo’n Nestor heeft de Westhoek ook. Ik vermoed dat hij zelfs al over de vierde generatie heerst, ik weet dat hij voor velen een wijze raadgever is en het is ons aller overtuiging dat zoeter dan honing de woorden over zijn lippen vloeien. Fernand Florizoone zal het geweten hebben, en wij met hem, dat hij viermaal twintig werd. Hij werd geboren in 1925. Op die gezegende leeftijd zou een dichter zich kunnen afvragen: is mijn gevecht met het woord niet nutteloos geweest? had ik het wit van papier niet beter wit gelaten? heb ik niet vergeefs geschreven? Het zijn anderen die deze vraag voor hem beantwoorden, en dat moet hem toch een heerlijk gevoel geven. Vanavond staat zijn poëzie centraal in het Klaraprogramma ´t Gelag, dat live wordt uitgezonden vanuit het Spaans Paviljoen in Veurne. Dat is een duidelijk antwoord van Klara en van de stad Veurne. Op 6 en 7 augustus wordt de dichter hier gehuldigd in Beauvoorde en bij die gelegenheid verschijnt bij uitgeverij P in Leuven de tweede vermeerderde druk van Rituelen van kwetsbaarheid, een bloemlezing uit zijn werk waarmee vijf jaar geleden de mooie Parnassusreeks werd opgestart. Een duidelijk antwoord van een uitgever op de vraag of Florizoone niet vergeefs heeft geschreven. En vandaag in de ridderzaal van dit heerlijke kasteel mogen we de wandelbrochure voorstellen die straks de poëziewandeling ondersteunt van het 31ste Poëziefestival van Beauvoorde. De keuze die de werkgroep voor 2005 heeft genomen, is niet zo maar een evidentie n.a.v. de tachtigste verjaardag van een dichter uit de streek. Dat Fernand Florizoone een jaar lang aanwezig zal zijn in het groen en tussen de huizen van Beauvoorde en Vinkem is een duidelijk antwoord vanwege Beauvoorde op de vraag: is mijn gevecht met het woord niet nutteloos geweest? Het is vooral een uitzonderlijk signaal van bevestiging en waardering.

* * *

Carol Vandoorne, die altijd de motor van dit festival en van zovele andere dingen is geweest, moet vandaag toch een gelukkig man zijn. Zijn werk gaat verder dankzij de werkgroep die erin geslaagd is een erg mooie selectie te maken uit de twaalf bundels die Fernand Florizoone publiceerde in de voorbije halve eeuw. Zijn debuut In de branding verscheen in 1955, exact vijftig jaar geleden, een feit dat op zich reeds aandacht verdient. De selectieheer van dienst, Frans Terrie, een geoefende poëzielezer, heeft vijftien gedichten gebloemleesd waarvan de thema’s representatief zijn voor Florizoones oeuvre. En er zijn evenveel commentaren van vrienden en collega’s van Fernand: Patrick Auwelaert, Fernand Bonneure, Hendrik Carette, Frans Deschoemaeker, Aleidis Dierick, Jooris van Hulle, Gwy Mandelinck, Renaat Ramon, Willy Spillebeen, Frans Terrie, Rudolf van de Perre, Julien Vermeulen, Arthur Verthé, Jan Veulemans en ikzelf. Twaalf dichters en drie critici, elf West-Vlamingen van afkomst, drie streekgenoten, één vrouw, één pastoor, vijf leden van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, die ook thuis is in Beauvoorde. En om de statistiek rond te maken: acht mede-redacteurs van Kunsttijdschrift Vlaanderen, waaraan Florizoone nog steeds verbonden is en waarin hij jarenlang heel consciëntieus de rubriek Poëtisch Bericht heeft verzorgd.

Maar gedichten en commentaren worden voorafgegaan door een nieuw gedicht, geschreven n.a.v. zijn tachtigste verjaardag. De titel Tachtigste lente ligt in het verlengde van wat de dichter reeds in in de bundel Op de bermen van de tijd publiceerde (het gedicht Zestigste lente, dat overigens voor de wandelbrochure werd geselecteerd) en ook in de lijn van wat te vinden is in Mijn spraak is in de rui, waar de cyclus Drie lentes drie verjaardagsgedichten bevat met telkens na het rangtelwoord van zijn leeftijd het woord lente, lente als pars pro toto voor jaar maar vooral als uitdrukking van zijn optimistisch vitalisme. Het nieuwe gedicht is een typisch Florizoonevers, waarin vertrouwde kernwoorden voorkomen: kind, lente, wolken, wei, stilte, water, tijd, licht. In Tachtigste lente (ook hier dus geen nadruk op de oude dag) evoceert de dichter in drie bewegingen wat hem bezighoudt. Met het kind aan de hand blijft hij dromen en zich verwonderen, voor het kind wil hij schakel blijven / en doorgaan en (3) ondanks het besef van de onverbiddellijke tijd blijft hij met behulp van het woord perspectieven zien: poëten houden de lente open: / o lente, liturgie van licht. Op zo’n jubelende toon kan er alleen maar worden gezongen door een dichter die steeds het breder verband voor ogen heeft gehad. In Tachtigste lente lezen we wel woorden als avond, einder en winter, die aan het gedicht een elegische ondertoon meegeven en er zelfs het slotakkoord van vormen, maar de boventoon blijft die van vreugde om de dingen des levens. Het valt me op hoe een aantal commentaren in de wandelbrochure dat aspect van Florizoones poëzie ook telkens weer benadrukken. “Een goed antidotum voor het cynisme dat ons vaak genoeg overvalt” lees ik. En elders: “Florizoone schrijft niet voor dikke nekken.” Nog een andere commentator stelt dat Florizoone in zo’n tonen is blijven schrijven, “Omdat hij het vertikt eelt op zijn ziel te kweken. Omdat iemand de dingen onbevangen moet blijven benoemen.” Dat Florizoone de dingen onbevangen kan blijven zeggen op zo’n leeftijd, doet me denken aan wat Seneca over de ouderdom schrijft in zijn Brieven aan Lucilius 26.2 : De geest is opgetogen en legt mij een paradox over de ouderdom voor: hij zegt dat dit zijn bloeitijd is. Laten we hem maar geloven: hij mag van zijn meevaller genieten. Het gelegenheidsvers Tachtigste lente is in zijn genre een schitterend voorbeeld van hoe ouderdom inderdaad de bloeitijd van de geest kan zijn.

* * *

Dames en heren, ik herhaal hier graag wat ik reeds in 1997 bij de voorstelling van de bundel Mijn spraak is in de rui heb gezegd over de vreemde, omgekeerde verhouding tussen het polderlandschap en de poëzie van Fernand Florizoone. Wie vanuit het binnenland het Polderland betreedt, wordt getroffen door het weidse landschap tussen lucht en aarde. De einder kan hier zo eindeloos zijn. En daarachter, nog eindelozer, is er de vlakte van water. Hier horen lucht, aarde en water wezenlijk samen en roepen voor de man van het binnenland iets op van wat buiten hem ligt, hem overstijgt. Die eindeloosheid verhult de details die men alleen al wandelend ontdekt: een sloot, het riet, het gras, bosschage, een hoeve die – letterlijk bij nader inzien – toch veel groter blijkt te zijn.

Wie door de gedichten van Fernand Florizoone wandelt, ervaart een omgekeerde beweging. In zijn gedichten, die bijna smalgedichten zijn, treft de economie en de eenvoud in woordgebruik. De microcosmos van zijn verzen is toegankelijk en gastvrij. Geen postmodernistische drempel die de lezer afschrikt, geen hermetische wereld waar men allerlei leessleutels nodig heeft om het huis van zijn poëzie te ontsluiten. En toch, hoe bedrieglijk. Echte dichters zetten een paar eenvoudige woorden op de juiste plaats, en hun lezers op het verkeerde been. Achter de eenvoud van Florizoones verzen opent zich – bij nader inzien – een onvermoede diepte, opent zich een onvermoede verte. De poëzie van Florizoone, waarin woorden die ons heel nabij zijn eindeloze verten openen, is het spiegelbeeld van de verte van het Polderland dat zich pas opent als wij de details nabijkomen.

In de titels van de geselecteerde gedichten klinken Polderland en zee overigens mee: Sloot – De Moeren – Kinderstemmen te Vinkem – Vogel – Zomer te Wulveringem – Zeelitanie – De vissersvrouw. Ook de zachte toonaard van Florizoones poëzie spreekt doorheen titels als De nacht droomde – Als rook vertrokken woorden. Of het thema van de natuur: De bergbeek en dat van het kind: Kinderstemmen te Vinkem – Met je kleinkind. De laatste titel wijst tegelijk op het motief van de verwanten, de familie, het gezin, de wortelgrond, thema dat ook terug te vinden is in o.m. Terugkeer. In de gedichten Schaduwen en Zestigste lente domineert het thema van de geliefde. Poëticale gedichten vinden we dan weer in Schrijftafel en Als rook vertrokken woorden. Al die motieven hebben één gemeenschappelijke noemer: de verbondenheid. Het landschap, de familie, de geliefde vrouw; de kinderen, de woorden: het zijn evenvele tekenen van verbondenheid, die de dichter als wezenlijk ervaart. En die hij ook ziet als een opdracht: “schakel zijn” dicht hij in het nieuwe gelegenheidsvers Tachtigste lente. Schakel zijn tussen de generaties van zijn stam, schakel zijn in de grote keten van de natuur te midden van aarde, lucht en water, schakel zijn tussen de werkelijkheid en zijn lezers en die werkelijkheid voor hen duiden door het grote verband te zien – want dichters zijn zieners.

Ik voeg er nog een andere dimensie van verbondenheid aan toe, die in veel gedichten van Fernand Florizoone meespeelt, namelijk de religieuze. Zoals bekend, heeft het woord religio vermoedelijk alles te maken met religare (verbinden), de liga, verband en verbond tussen het goddelijke en de wereld van mensen. Dat verband, dat voor Florizoone fundamenteel is, legt hij veelal onopvallend door het gebruik van woorden en wendingen die in de religieuze sfeer liggen. In de voor deze wandelbrochure geselecteerde gedichten komt een woord als zeven verschillende malen terug. Zo begint Bergbeek met Zeven maal zeven watervallen en de sacrale symboliek van het getal zeven is bekend. Of het woord stilte, dat geregeld uitdrukkelijk verwoord wordt ofwel onuitgesproken in een gedicht als Zomer te Wulveringem hangt. Er zijn wendingen als het brandend braambos zien en de vogel die psalmen zingt van koning David. Er zijn vanuit formeel standpunt gezien nogal wat litanische opsommingen. Enzovoort. In deze poëzie ademt wat niet direct noembaar is, ademt de Onnoembare. Ik wil dat even illustreren aan de hand van het korte gedicht De Moeren.

Gevecht met eeuwigheid van water,
binnendijks een oase telen op de tijd,
verrezen hoeven uit moer en slikken
zijn middagen van poëzie
op vleugels van leeuweriken.

Dit gedicht, het kortste uit de selectie, is in zijn beknoptheid en compactheid een meesterlijke miniatuur, die suggereert hoe uit het gevecht met het water boerderijen zijn verrezen. Aarde versus water, voorvaderen versus woestenij, en dat resulteert in wat het vers zo mooi uitdrukt: binnendijks een oase telen op de tijd. De verticale dimensie in het woord verrezen wordt verdergezet in de opwaartse beweging van leeuweriken, hoog boven dat ooit zompig en haast niet te overstijgen waterland. Eeuwigheid, oase, verrezen, vleugels : semantisch onderlijnen deze woorden een dimensie die wij telkens weer in de poëzie van Fernand Florizoone vinden. Een ontstijgen aan tijd en ruimte, zoals de kinderstemmen in de school van Vinkem, niet toevallig “als leeuweriken opgetogen”. Of een ontsnappen aan het land en dat gebeurt in een droom, waarin de dichter over de betonnen gordel van de bebouwde dijk tuimelt “in de zoutgeur / van het ongeremde”. Of weer een vogel “die vogelvrij de lucht veredelt / en – ik citeerde het al zo-even – psalmen zingt van koning David.” 

Dames en heren, ik kan niet nalaten het slotgedicht te citeren uit de bundel Mijn spraak is in de rui. U zult het niet aantreffen in de brochure, maar de vijftien – eigenlijk de zestien – gedichten die op de poëziewandeling te lezen zullen zijn, zijn evenvele opsplitsingen van het gedicht dat Florizoones credo bevat. Het is een brok belijdenislyriek waarin alle aangehaalde motieven meespelen – allemaal elementen van verbondenheid – en waarin ritme en klank ook het grote vakmanschap van de dichter illustreren. De titel is: Verbonden.

Dit is mijn weligst woord
dat ik verbonden ben
met mos en moerbei
met ijs en vis en steen
met de blonde op de boot
de kinderen uit haar schoot.

Heelal
is ook in mij
en God die mij heeft opgevist
die al
mijn schuld heeft uitgewist.

* * *

Het woord is voor Fernand Florizoone het instrument waarmee hij zijn wereld, zijn Arcadia gestalte geeft in tere klanken, in zachte beelden en in wijze weemoed vanuit een innerlijke harmonie, maar vooral vanuit een volgehouden verwondering over mensen en dingen. Verwondering was voor Plato het begin van de filosofie en ik denk dat het thaumazein ook voor de dichter van wezenlijk belang is. Wie zich op zo’n gezegende leeftijd kan blijven verwonderen, blijft goede poëzie schrijven. Maar ik wil daar nog een voorwaarde aan toevoegen. Een dichter moet zich gedragen weten door mensen, door lezers. De dichter schrijft vanuit een stuk zelfgekozen eenzaamheid, zoals dat voelbaar is in het gedicht Schrijftafel. Poëzie ontstaat o.m. vanuit het afstand nemen van mensen en dingen en dat afstand nemen is eigenlijk een vorm van verwondering over wat men is en niet is, over wat men heeft en niet heeft, over wat men zou willen doen en wat men niet kan. Maar het uitspreken daarvan heeft een klankbord nodig, zoniet klinkt het woord van de dichter in de grote leegte. Beauvoorde bezorgt Fernand Florizoone deze zomer een schitterend klankbord.

Dames en heren, in zijn boekje over ouderdom, Cato Maior de senectute, stelt de grote Romeinse politicus én schrijver Cicero dat de eerbied voor grijze haren alleen steunt op de verdiensten die een mens zijn hele leven door heeft betoond. Ik citeer: “Grijze haren noch rimpels kunnen zomaar aanzien krijgen; het zijn de verdiensten van het voorafgaande leven die uiteindelijk hun beloning krijgen in de vorm van respect (c.62). Honeste acta superior aetas – het leven dat men voordien op een eervolle manier heeft geleid. Dat is de reden waarom koning Nestor in zo’n groot aanzien staat in Homerus’ Ilias en Odyssee, in die mate zelfs dat zijn naam in de Europese cultuur symbool is geworden van de wijze en eerbiedwaardige grijsaard. En diezelfde levenslange verdiensten zijn de reden waarom wij dichter Fernand Florizoone vandaag zo hoog waarderen en respecteren en danken voor wat hij met het woord voor ons heeft gecreëerd. Fernand, ook al is het niet uw stijl, laat een en ander u in de komende maanden toch maar welgevallen en geniet van wat Beauvoorde u aanbiedt.