Poëticaal

Patrick Lateur publiceerde in de wandelbrochure van het 31e Poëziefestival van Beauvoorde rond gedichten van Fernand Florizoone, de tekst Poëticaal. Bij het gedicht ‘Schrijftafel’. Je kan die hieronder lezen.

Poëticaal. Bij het gedicht ‘Schrijftafel’ van Fernand Florizoone

Schrijftafel

De tekens
voor de overtocht
in gereedheid 

het woordenboek
dat met a begint 

nietjes en klemmen
om de vleugels van woorden 

Sapho en muze:
parfums
voor het wit tussen lijnen 

in het adresboek
de geliefden uit sterrenbeelden 

en door het raam
het buitenland met de wilgen.

uit: Mijn spraak is in de rui,
Fernand Florizoone, 1997.

Al sinds de dagen van Pindaros en Horatius bestaat er iets als het poëticale gedicht, waarin de dichter reflecteert over zijn onmacht in het gevecht met het wit van papier, over zijn macht om in zijn verzen verder te leven, over wat er hem overkomt tijdens het schrijven of wat er hem bezielt om met woorden te spelen, kortom, wat poëzie voor hem betekent. ‘Schrijftafel’ is een van de poëtologische gedichten uit de cyclus ‘Elke naam is doorwaadbaar’ in Mijn spraak is in de rui.

Dichten is voor Florizoone een ‘overtocht’, een reis vanuit mensen en dingen in de buitenwereld naar de binnenkant van de dichter, of omgekeerd ook een tocht van binnen naar buiten, van ervaring naar verwoording, van dichter naar lezer. Voor die tocht rust de dichter zich uit met alles wat voorhanden is op zijn schrijftafel. Door het oproepen van zijn habitat probeert de dichter de geladenheid, die tot schrijven aanzet, te beheersen: de dingen noemen betekent ook: er vat op krijgen.

Vijf korte bewegingen tekenen het arsenaal van de dichter. Er is het boek met alle woorden waarover een dichter beschikt en waaruit hij kiezen kan, van a tot z, of waarmee hij wellicht ook zelf nieuwe woorden zal vormen. Woorden hebben vleugels, kunnen ontsnappen en moeten dus voortdurend in toom worden gehouden. Poëzie is het gevecht met het woord dat steeds dreigt te ontsnappen. Met het gevatte woord – gevangen én treffend – zal de dichter doen wat hij wil doen. Centraal en met één versregel meer dan de vier andere elementen vermeldt Florizoone wat de dichter niet onmiddellijk in handen heeft. Het wit tussen lijnen kan hij vullen met de woorden die hij heeft gevangen, maar uiteindelijk zal het de inspiratie, de bevlogenheid, de gedrevenheid, de geestdrift zijn die dat wit zal voorzien van de juiste accenten. Ritme en muzikaliteit zijn de parfums van het gedicht, zoals de Griekse dichteres van Lesbos het 2600 jaar geleden voordeed. Als laatste elementen vermeldt de dichter diegenen over wie of de dingen waarover hij kan schrijven. Geliefden en wilgen, de mensen en de natuur.

En onopvallend sluit hij met de wilgen – voorbij het raam in de wereld buiten – de kring die hij opende met de gedachte van de overtocht in de eerste regels. Ook in de ouverture staan er drie verzen, want poëzie is wezenlijk een ‘overtocht’ en dat vraagt enige accentuering, juist zoals de ‘parfums’ die van essentieel belang zijn voor het dichten.

In veertien spaarzame verzen creëert Fernand Florizoone een verstilde, haast sacrale sfeer, waarin duidelijk wordt hoe poëzie voor hem mogelijk wordt.