Willy Spillebeen over Patrick Lateur

Willy Spillebeen

Bij de installatie van Patrick Lateur in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde op 20 april 2005 sprak Willy Spillebeen een begroeting. Je kan de tekst hieronder lezen.

Ooit schreef een recensent een van de boeken van Patrick Lateur toe aan Frank Lateur, geen familie maar wel vele jaren geleden lid van deze Academie, zij het dan als Stijn Streuvels. Patrick Lateur (geboren in 1949) is overigens een letterlijk te nemen Leielander: zijn geboortehuis stond in Beveren-Leie halverwege tussen dat van taalkundige Deken De Bo van het beroemde ‘Westvlaams Idioticon’ en dat van dichter André G. Christiaens – een destijds beroemd gedicht ‘De Vlamingen’ van hem begint en eindigt met: ‘Vlamingen! Wat zijn wij toch voor idioten!’ Geen verband met, laat staan beïnvloeding door De Bo, overigens. Niet zo ver van Beveren-Leie, in Sint-Baafs-Vijve, stond het geboortehuis van André Demedts en in Wakken dat van Gwij Mandelinck, eveneens leden van deze Academie. Waarmee ik niet wil suggereren dat deze Academie in een klein West-Vlaams vijvertje zou vissen…

Patrick Lateur studeerde klassieke filologie aan de KU Leuven en is al vele jaren leraar poësis in het Sint-Vincentiusinstituut te Gijzegem, waar hij collega was van Rudolf van de Perre, alweer een lid van deze Academie. Mede door de jaarlijkse Romereizen met zijn school heeft de classicus Patrick Lateur zich ontpopt tot een ‘Italofiel’ of Stendhaliaanse ‘Italianisant’. Hij is een eminent Romekenner. Bovendien voerden zijn bewondering, zeg maar verering, voor Frans van Assisi en zijn vertalingen van werk van Renaissanceschrijvers als Leonardo da Vinci, Leon Battista Alberti en Pietro Aretino hem naar Toscane, waar zoals bekend nog meer Vlamingen thuis zijn. Rome, Toscane en Ravenna zijn uit zijn oeuvre niet weg te denken.

Patrick Lateur heet een ‘laatbloeier’ te zijn maar hij bloeit wel overdadig. In de amper vijftien jaar dat hij publiceert verschenen van zijn hand vijf verzenbundels, tien vertalingen en vijf bloemlezingen. Hij was ook tien jaar lang, van 1995 tot onlangs, hoofdredacteur van het culturele tijdschrift ‘Vlaanderen’. Hij gaf het tijdschrift allure en elan en hielp, met zijn bekende diplomatie, de culturele horizont ervan verruimen zonder de traditie af te zweren. Hij redigeerde ook twee uitgaven van Ernest Claes, het volledige dichtwerk van Anton van Wilderode en mijn eigen poëzie. Alweer van drie leden van deze Academie.

Al deze zogenaamde bindingen met de Academie zijn echter niet de reden, Dames en Heren, waarom Patrick Lateur vandaag als Academielid wordt gehuldigd. Dat gebeurt gewoon omdat zijn verdiensten als dichter, als vertaler én als bloemlezer aanzienlijk zijn!

*

Zijn poëziebundels dragen de volgende titels: Catacomben, De speelman van Assisi, Zeven vrouwen, Rome & Assisi, Ravenna en recent de enigszins apart staande Kruisweg in de stad. Hij schrijft gedichten over de catacomben als de eerste getuigen van het vroege, zich vormende christendom; over de vroeg-middeleeuwse asceet, dichter en heilige, de hippie avant la lettre Frans van Assisi, overigens de sympathiekste heilige van het hele katholieke pantheon en over zijn stad en land; over de uitzonderlijke persoonlijkheid van zeven bijbelse vrouwen, wat culmineert in een ‘Maria-leven’ dat na dat van Rainer Maria Rilke en van Maurice Gilliams nog een eigen visie biedt; over de beroemde mozaïeken van Ravenna waarin (alweer) het vroege christendom maar ook de geschiedenis met personages als Galla Placidia, Theodorik, Justinianus en Theodora worden opgeroepen, evenals de betekenis van het kunsthistorische en de schoonheid van de mozaïeken; over de kruisweg van Christus op Goede Vrijdag in veertien meditatieve teksten die ten dele opgebouwd zijn met evangelieteksten en paulinische citaten.

Thematisch kan de poëzie van Lateur religieus, zelfs nadrukkelijk katholiek worden genoemd; en structureel is elke bundel en daarbinnen ook elk gedicht streng klassiek en strak gecomponeerd: meestal drie strofen van drie kwatrijnen, met gekruist rijmende, vijfvoetige jamben; de recente bundel Kruisweg in de stad is qua compositie even streng maar de gedichten – die de auteur ‘teksten’ noemt – zijn losser en meer parlando. Een religieus, zelfs katholiek te noemen dichter dus. Moet hij dan ook conservatief, zelfs reactionair genoemd worden? Neen! Lateur keert als dichter, en ook als vertaler, waarover straks iets meer, naar zijn ‘bronnen’, naar de bronnen van de Westerse cultuur. Hij benadert en behandelt ze kritisch en dat doet hij ook met de kerkgeschiedenis van bij de aanvang van het christendom. Hij gaat na wat uit dat verre verleden van de christenheid nog zin heeft voor vandaag en voor hemzelf. Vooral de controversiële figuur van Franciscus spreekt hem blijkbaar sterk aan. Zijn inlevingsvermogen in religieuze en ook bijbelse figuren is groot, daarom hanteert hij vaak de ikpersoon: in de bundel Assisi voor Franciscus’ en ook voor de dichter zelf die Franciscus’ voetspoor tracht na te volgen; maar in Zeven vrouwen ook voor Mirjam of Maria en recent in Kruisweg in de stad zelfs voor de Christusfiguur. Door het gebruik van deze ikpersoon identificeert hij zich echt met de personages die hij oproept maar manifesteert hij zich meer nog als een ‘getuige’. Volgens Van Dale is dat ‘iemand die tegenwoordig is bij een handeling om later te kunnen bevestigen dat deze heeft plaatsgehad’. Hij brengt een getuigenis van wat hem geraakt en gevormd heeft en hem ook nu nog bijblijft:

In ‘De Goede Herder’ uit Catacomben zegt hij het zo:

Het beeld dat bij oningewijden
verwijlde in een tuin van vrede
komt met het oud gewaad in nieuwe tijden
verdiept van zin uit het verleden.

Of in ‘Mozes’ uit dezelfde bundel:

Herhaal hier het gebaar van Meriba
en laaf me bij de geestelijke rots
om weerbaar in het Woord de weg te gaan
van mensen in de steden bovengronds.

Of nog in het gedicht ‘Mons Esquilinus, S. Prassede – Zenokapel’ uit de reeks ‘Over heuvels’, Rome & Assisi:

Ik draag mijn wereld mee over de grens
Van plaats en tijd, sta in het schemerlicht,
vermoed hoe engelen de nieuwe Mens
uit kapitelen rijzend vederlicht

op handen dragen. Ik verdraag het niet,
wil weg uit dit besloten pronkjuweel,
tot plots een vuur slaat uit het mozaïek.
De wereld is weer even een geheel.

*

De bundel Rome & Assisi uit 1998 omvat zijn debuut Catacomben uit 1991 en De speelman van Assisi uit 1994, aangevuld met een middenstuk ‘Over heuvels’. Catacomben en De speelman van Assisi zijn ongeveer identiek opgebouwd.

Catacomben bestaat uit vijf afdelingen van vijf gedichten die specifiek over de catacomben handelen, omsloten door een ‘preludium’ (‘Homo viator’) van drie gedichten en een ‘postludium’ (‘Reditus in urbem’) van drie gedichten. Het geheel vormt een dagtocht: de tocht naar, dan doorheen de vroegchristelijke begraafplaatsen van Callixtus in Rome en tenslotte de terugkeer naar de stad. In deze verdichte dagtocht wordt het contrast tussen het bovenaardse en het onderaardse benadrukt, ook tussen de onderaardse begraafplaatsen en de stad Rome.

De speelman van Assisi bestaat uit zes afdelingen van vier gedichten waarin het leven van en de spirituele zoektocht van Franciscus wordt opgeroepen en die worden omsloten door een ‘preludium’ van drie gedichten over de stad Assisi[ë] (‘Assisi ca. 1200’) en de vertaling van Franciscus beroemde ‘Cantico delle Creature, Loflied van de Schepping’.

Het middenstuk ‘Over heuvels’ behandelt in zeven gedichten, hoe kan het anders, de zeven heuvels van Rome, specifieker zeven bekende en minder bekende plekken in Rome. Deze cyclus verbindt het vroege christendom van Catacomben met de vroege middeleeuwen van De speelman van Assisi.

Ook de bundel Ravenna (2001) heeft een gelijkaardige opbouw: de drie afdelingen van telkens zeven gedichten waarin de dichter bij een excursie in het mausoleum van Galla Placidia, door de doopkapellen en de kerken van Ravenna met de klemtoon op Theodorik, Justinianus en Theodora, het vaak verhulde verhaal achter de beroemde mozaïeken van Ravenna onthult, worden omsloten door alweer een preludium (‘Ravenna verbeeld’) en een ‘postludium’ (‘Ravenna revised’) van telkens drie gedichten.

Ook Kruisweg in de stad (2005) bestaat uit een ‘Preludium’ van twee ‘teksten’, een middendeel van veertien (of tweemaal zeven) en een ‘Postludium’ van twee.

Ik wil me hier zeker niet aan getallensymboliek wagen maar in de terminologie van Pythagoras, die de classicus Lateur wellicht het meest boeit, hebben de getallen 3, 4, 5, 6 en 7 alle een min of meer identieke betekenis: 3 is het getal van de harmonie, 4 van de stabiliserende kracht, 5 van de totaliteit waarin 3 (de hemel) en 2 (de aarde) samenkomen, 6 staat alweer voor stabiliteit of waarheid en 7 alweer van totaliteit. Patrick Lateur roept ook via de getallen in zijn poëzie een harmonisch wereldbeeld op dat evenwel tevens een spanningsveld is waarin heden en verleden, aanvaarding en kritische bevraging, beweging en stilstand tegen elkaar worden afgewogen.

Tot nu toe bleef Zeven vrouwen uit 1997 onbesproken:

In deze tuin van Eden zeven vrouwen.
Zij komen uit een ver vertrouwd verleden
en leven uit het dode hout gehouwen,
een mensenspiegel voor de tuin van heden.

In het eerste deel worden, in- en uitgeleid door een kwatrijn, in zeven gedichten zeven bijbelse vrouwen getekend (of als beelden uit hout gehouwen want de gedichten zijn geïnspireerd op houtsculpturen van Omer Gilliet). Ongewone vrouwen: ‘Eva, de moeder van ons aller leven’; Mirjam, de profetes, Mozes’ en Aärons zuster; Rachel de vrouw van aartsvader Jacob die op late leeftijd moeder werd; Ruth, de Moabitische, stammoeder van David; de Samaritaanse vrouw; Maria Magdalena; en tenslotte Mirjam, Maria, de moeder van Jezus.

Het tweede deel is een ‘Maria-leven’ dat Lateur ‘Mirjam’ noemt: 11 gedichten die, op een lang gedicht van zes kwatrijnen na (wat de hele cyclus op 12 brengt), alle uit drie kwatrijnen bestaan. De Florentijnse schilder Giotto schilderde taferelen van het leven van Maria en Christus in de Cappella degli Scrovegni (1303-1306) in Padua; (die fresco’s waren tijdens Europalia Italië 2003 hier in Brussel te zien); de Oostenrijks-Duitse dichter R.M. Rilke schreef ‘Das Marienleben’ (1913); de componist Paul Hindemith zette Rilkes gedichten in 1923 op muziek voor klavier en sopraan; de Vlaamse dichter Maurice Gilliams schreef ‘Het Maria-leven’ (1932). Om maar die te noemen. Ook ‘Mirjam’, het Marialeven van Patrick Lateur, is gelinkt aan muziek: de gedichten vormden een onderdeel van een Mariaconcert in samenwerking met het Adriaan Willaertkoor o.l.v. Ignace Thevelein.

De niet-gelovige Rilke brengt taferelen uit het leven van Maria vanaf haar geboorte tot haar dood: haar persoon en uitverkiezing, dramatische episodes uit haar leven, haar lijden en haar sterven; Gilliams vergelijkt de tragiek van zijn eigen (stervende) moeder, die van haar zoon gescheiden is door zijn dichter-zijn, met die van Maria die, bij de nakende dood van haar Zoon, van Hem gescheiden is door Zijn Anders-zijn. Patrick Lateur laat, in tegenstelling met beide andere dichters, het tijdeloze personage Mirjam in de ikpersoon over haar leven berichten: zij weet zich al eeuwen lang aanbeden en vereerd, afgebeeld en in woord en muziek bezongen maar blijft wie ze in Betlehem was.

Mirjam

Men heeft mij toegedekt met duizend namen
door eeuwen vroomheid en ontzag bedacht,
mij op een troon geplaatst, gebrand in ramen,
met milde tonen mijn gezicht verzacht.

Maar Mirjam was mijn naam toen ik nog jong
door zon en wind getekend en getaand
met velen water putte uit een bron
en heuvels wollig van het vee zag staan.

De weelde van een wereld zonder schijn,
een thuis, een man om mee op weg te gaan
en het besef door God bemind te zijn.
Ik ben een vrouw en Mirjam blijft mijn naam.

De dichter schrijft taferelen neer uit het leven van een gewoon dorpsmeisje dat verbijsterd én aanvaardend de moeder van Jezus én de moeder van de mensheid wordt. Ze beseft al meteen ‘De wereld wordt wel nooit mijn dorp’ want ze leeft in haar dorp zonder geschiedenis en ze heeft geen weet van de wereld, van de macht van tempel en Wet en van de uitbuiting door die andere macht Rome. Ook deze cyclus ‘Mirjam’ is, net als al Lateurs poëzie, klassiek, direct, helder en sereen. De vijfvoetige rijmende jamben zorgen voor een rustig ritme dat tot mijmeren en tot bezinning aanzet. Geen dubbele bodems, toch is dat heldere water bedrieglijk diep.

*

Patrick Lateur werd in 1991 ter gelegenheid van 20 jaar Kleio, het tijdschrift van oude talen en antieke cultuur van KU Leuven, met een vertaling van een opgelegd fragment van de ‘Pharsalia’ van Lucanus bekroond. Dat lijkt van hem vertaler uit het Latijn en het Grieks te hebben gemaakt. Hij wil een vertaler zijn die met respect voor de brontekst een eigentijdse, originele, frisse en moderne Nederlandse tekst aflevert. Hij zegt in een interview met Jooris van Hulle: ‘Ik hou van traditie in de zin van ‘tradere’, het doorgeven, het levendig overbrengen van teksten van generatie op generatie waarbij elke generatie telkens weer nieuwe invalshoeken ontdekt.’ 

Dat doet hij al meteen met een nieuwe vertaling van Pervigilium Veneris. Een lentelied van een anoniem Latijns dichter uit de IVde eeew na Christus dat Herman Gorter en Paul Claes heeft beïnvloed, respectievelijk voor ‘Mei’ en ‘De sater’. De laatste vertaling in boekvorm, van Nico Van Suchtelen, verscheen in 1946. Daarvoor werd het al door Willem Bilderdijk in 1791, en in de twintigste eeuw door Cornelius Brakman, Jan Prins, A. Rutgers van der Loeff en het laatst in 1970-1971 door A.J. van Wolferen in het Nederlands vertaald. Het is echt een lentelied, een lyrische evocatie van de universele kracht van de liefde én een aangrijpende klacht over de eenzaamheid van de dichter. Het terugkerend refrein:

Cras amet qui numquam amavit
quique amavit cras amet! 

vertaalt Patrick Lateur jubelend én bezwerend tegelijk:

Morgen moet de liefde komen
bij wie nooit heeft liefgehad,
bij wie ooit heeft liefgehad
moet de liefde morgen komen.

Weinig bekend is de Latijnse dichter Ausonius (ca.310-395) die aan de universiteit van Bordeaux werkte en later aan het keizerlijke hof van Trier verbleef. Ausonius wordt de eerste Franse dichter genoemd.Van hem vertaalde Lateur in 1999 het in 1724 al in het Nederlands vertaalde Cupido cruciatus – Cupido aan het kruis. Het handelt over de gefolterde folteraar ‘Cupido cruciatus’ en zou geïnspireerd zijn door een fresco waarop Cupido in de onderwereld door aan liefdesverdriet gestorven vrouwen wordt gefolterd. In 2001 vertaalde hij van dezelfde Ausonius het nooit eerder in het Nederlands vertaalde Mosella – Lied van de Moezel, het allereerste stroomgedicht uit de Europese literatuur. Het is een lofzang van bijna 500 verzen op de Moezel, de rivier die zorgt voor welvaart door visvangst, scheepvaart en wijnbouw. Het zit topvol allusies o.a. op Vergilius en Ovidius. Op en top postmodern dus… Vincent Hunink noemde in een stuk over het vertalen van hexameters de vertaling van Mosella door Patrick Lateur: ‘een van de beste vertalingen van antieke poëzie die de laatste jaren in het Nederlands is gemaakt’. Patrick Lateur heeft Mosella overigens resoluut in jamben vertaald. Hij vindt dit trouwens terecht de meest Nederlandse versvorm.

In 1997 publiceerde Patrick Lateur de vertaling van de Vita Martini van Sulpicius Severus als Het leven van Sint-Maarten. Dit gebeurde naar aanleiding van het zestiende eeuwfeest van Martinus van Tours die stierf in 397. De tekst van Severus geldt als hét model voor alle latere heiligenlevens. Het is een voorname bron geweest in de iconografievorming rond deze populaire heilige over wie een naamgenoot van hem, de Nederlandse dichter Martinus Nijhoff, ongetwijfeld ten onrechte, schreef:

Dikwijls, Martinus, heilige naamgenoot,
Als ik uw snijdend beeld zie, denk ik schamper:
Ook gij waart klein, want aan uw naaste in nood
Gaaft gij een helft, geen ganschen mantel.

Gij steegt niet af als goed Samaritaan,
Gij bleeft te paard boven den man verheven.
Toen gij uw zwaard greep, hebt gij willen slaan
Naar ’t creatuur dat zat te beven.

Hét magnum opus van deze vertaler – voorlopig nog want Lateur werkt momenteel o.m. aan De rerum natura van Lucretius – is ontegenzeggelijk de in 1999 verschenen Zegezangen van Pindaros: de Olympische, Pythische, Nemeïsche en Isthmische Oden. Het kan verbazing wekken dat tot nu toe van de wellicht belangrijkste Oudgriekse dichter Pindaros alleen de ‘Pythische oden’ in het Nederlands waren vertaald, in 1945 al, door Jos de Haes. De vertaler heeft een krachttoer uitgehaald die in Noord en Zuid terecht hogelijk is geapprecieerd en toegejuicht. Hij moest zich inleven in de mythisch-religieuze gedachte- en gevoelswereld van Pindaros die in de Vde eeuw voor Christus de stem van Hellas wilde zijn en ook was; hij moest de beeldspraak, de vele associaties en toespelingen, de bijzonder gevarieerde versvormen in lyrische en moderne Nederlandse verzen overzetten. Hij heeft, ongetwijfeld terecht – zoals hij elders niet de hexameter maar de jambe verkoos – hier niet de dactylus maar het vrije vers verkozen. Deze ‘gelegenheidsgedichten’, oden geschreven naar aanleiding van de Griekse atletiekspelen en ter ere van de overwinnaars waren voor Pindaros slechts een uitgangspunt vanwaar de dichter vertrok om een universeel beeld van het denken, voelen en handelen van het Griekenland van zijn tijd te scheppen. Patrick Lateur heeft in het Nederlands equivalenten gevonden voor de spitsvondigheid, de gebaldheid, de intense lyriek, de muzikaliteit, de beeldspraak en de poëticale uitspraken van deze grote Griekse dichter. Een vrij willekeurig voorbeeld, vooral gekozen omdat het een vrij kort gedicht is:

Zevende Pytische Ode

Voor Megakles van Athene, vierspan

De grootse stad Athene, mooiste
prelude en hoeksteen van gezangen voor de stam
en weidse macht van de Alkmeoniden en hun paarden.
Welk vaderland, welk huis om in te wonen – noem het me –
heeft meer naam
en faam in Hellas?

Apollo, in elke stad doet het verhaal
de ronde van Erechtheus’ burgers die een wonder
maakten van uw tempel in het goddelijke Pytho.
Mij drijven vijf triomfen op de Isthmos, één schitterende zege
op Zeus’ Olympisch
feest, twee in Kirrha,

Megakles, gewonnen
door verwanten of je vaderen.
Je nieuwe succes verheugt me. Maar het bedroeft me
dat afgunst je doet boeten voor je mooie daden. Men beweert:
geluk dat gedijt en duren
blijft, brengt een mens goed én kwaad.

*

De ‘Italofiel’ Patrick Lateur werd ook sterk aangesproken door minder bekend en zelfs onbekend werk van de XVde eeuwse Renaissance-kunstenaars. Uit de zowat zevenduizend beschreven vellen nagelaten geschriften over de meest uiteenlopende onderwerpen van Leonardo da Vinci (1454-1519) zocht en vertaalde hij uit het Italiaans een keuze van vierenvijftig fabels (2001). Vaak zijn het korte verhaaltjes.Vaak ook lijken het aforismen:

De spin die dacht rust te vinden in het sleutelgat, vond er de dood.
Of:
De notelaar toonde langs de straat aan de voorbijgangers de rijkdom van zijn vruchten: iedereen stenigde hem.
Of:
De schilder twist en wedijvert met de natuur. 

Iets gelijkaardigs zijn de Honderd Fabels – Apologi Centum (2003) van de Renaissance-architect Leon Battista Alberti (1404-1472), voorloper van Da Vinci en Michelangelo en vriend van Brunelleschi. Patrick Lateur vertaalde ze uit het Latijn. In deze fabels die volgens Alberti zelf in de geest van Aesopus en Phaedrus zijn gesteld komen zowel dieren als planten als voorwerpen voor en de zedeles ontbreekt. Enkele voorbeelden:

De rietfluit lag onder het stof bedolven. “Wij, dichters,’ zei ze, “zingen niet als we verzadigd zijn.” Of nog: De jachthond lag aan de ketting gebonden, zag andere honden doelloos loslopen en zei toen: “Is onbekwaamheid dan zoveel beter?” Of nog: De nachtegaal zei tot de krijsende merel: “Zwijg of zing iets dat goed klinkt.” Hij antwoordde: “Jij bent echt gek door altijd iets uit te voeren met diep doorvoelde kunst. Want in het leven gaat het vandaag zo: niet wie onderlegd zijn, maar wie de indruk geven onderlegd te zijn, worden bij uitstek als experts aanzien.” 

Van Pietro Aretino (1492-1556) ten slotte, die bekend is voor zijn erotische poëzie, zijn religieus proza en zijn theater, vertaalde Patrick Lateur Kunstbrieven (2004): een kleine selectie uit de ca. 2000 brieven die Aretino in zijn palazzo aan het Canal Grande in Venetië aan alle groten van zijn tijd schreef. De brieven aan Titiaan en Michelangelo zijn kunstkritiek avant la lettre en tevens literair hoogstaand proza.

Ook vertaalde Patrick Lateur La Passione, een meditatie voor de kruisweg bij het Colosseum, geschreven in opdracht van Paus Johannes-Paulus II door de grote Italiaanse dichter Mario Luzi.

Ook maakte hij voor een kalligrafische bibliofiele reeks een nieuwe vertaling van Franciscus’ Het Zonnelied – de eerdere vertaling ‘Loflied van de Schepping’ sluit de bundel De speelman van Assisi af. Je kunt aan de hand van beide vertalingen de evolutie van de vertaler zelf aflezen: de getrouwheid aan de brontekst lijkt nog groter maar tegelijk is er een grotere beknoptheid en wordt de plechtige gij-persoon vervangen door jij, ook al richt Franciscus zich tot God. Voor dezelfde bibliofiele reeks vertaalde Lateur ook een aantal citaten van de Griekse filosoof Epiktetos Over geluk. Ook hier een proefje:

Wens niet dat wat er gebeurt,
gebeurt zoals jij het wilt,
maar wens dat het gebeurt
zoals het moet gebeuren.
En je zult gelukkig zijn.

*

Zoals al gemeld is Patrick Lateur ook een origineel bloemlezer. Het bloed kruipt … Onder de titel Muze, zeg me… (1993) maakte hij een bloemlezing uit de Griekse literatuur, zowel poëzie als proza, met een heldere inleiding en verklaringen die het boek ook toegankelijk en leerrijk maken voor niet-klassiek geschoolden. Zowel epische, lyrische en dramatische teksten, zowel geschiedenis, roman, satire als filosofie zijn hier bijeengebracht in een brede, verantwoorde en representatieve selectie. Bovendien is het boek voorzien van een handige thematische index waarmee je vlot alle teksten omtrent een bepaald onderwerp terugvindt.

De originele bloemlezing Het evangelie volgens dichters, samengesteld door hemzelf en Stefan van den Bossche, bundelt gedichten van Nederlandse en Vlaamse dichters die op een of andere manier aansluiting zoeken bij de evangelies. ‘Soms vraag ik me af of dut niet de laatste bloemlezing in dit genre is geweest. De vertrouwdheid met de evangelieverhalen, die ook literair belangwekkend blijven blijkt op korte termijn niet zio evident,’’ zegt Lateur in het interview met Jooris van Hulle. Tenzij men zich voortaan op de evangelies zou gaan inspireren zoals nog steeds met de Grieks-Romeinse Oudheid gebeurt.

In de alweer originele bloemlezing Het is vandaag de datum bundelt Patrick Lateur 365 dag-, maand- en seizoengedichten van 250 Nederlandse en Vlaamse dichters, alle geschreven na 1980.

En tenslotte alweer: het bloed kruipt…naar Rome en naar Toscane.

Alle schrijvers leiden naar Rome (2000) en Toscane. Een literaire ontdekkingsreis (2002) zijn twee uitstekende reisgidsen voor wie aan de hand van fragmenten uit de Nederlandse én de wereldliteratuur Rome en Toscane wil ontdekken zoals tal van dichters, denkers en schrijvers het in de loop van de eeuwen hebben gedaan. Reisgidsen die leesboeken zijn vol erg bruikbare, bovendien boeiende en literair hoogstaande fragmenten die tevens een schat van informatie in zich bergen – ik spreek hier echt uit ervaring.

Tot slot dient beslist vermeld dat de publicaties van Patrick Lateur nog een surplus bieden: ze strelen ook het oog! Ze zijn geïllustreerd met zwart-wit reproducties (Rome & Assisi), met kleurenreproducties (Ravenna), met picturaal werk van Luc Hoenraet (Kruisweg in de stad), met foto’s van o.m. de gebroeders Alinari (Rome en Toscane). Of het zijn bibliofiele kleinoden (Het Zonnelied met kalligrafie van Frank Missant) en Over geluk met kalligrafie van Claude Mediavilla).