Patrick Lateur over Hubert van Herreweghen

Hubert van Herreweghen en Patrick Lateur in 2004

Bij zijn installatie in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde op 20 april 2005 bracht Patrick Lateur hulde aan zijn voorganger Hubert van Herreweghen. Je kan de tekst hieronder lezen.

Al wat ik kreeg van kunde
van taal en tong,
bleef ik slijpen tot het zong,
al was ´t van slijpen dat ´t verdunde.

Dit kwatrijn met de titel Zang komt niet uit een van de achttien bundels die Hubert van Herreweghen publiceerde in de zes decennia tussen 1943, waarin zijn debuut Het jaar der gedachtenis verscheen, en 2003, het jaar van zijn voorlopig laatste bundel De schaking van een prinses. Neen, het poëticale gedicht Zang verscheen onlangs in het laatste nummer van Het Liegend Konijn en vormt er met negen andere gedichten de cyclus Mandorla. Al wat de dichter aan taaltalenten meekreeg, blijft hij slijpen. En na en ondanks al die decennia blijven de woorden en de verzen onverminderd zingen en zinderen. Vandaag misschien nog feller en intenser dan ooit.

* * *

Van Herreweghen heeft steeds een geprivilegieerde omgang met het woord gehad. Wie hem hoort, wie met hem spreekt, weet hoe precies en precieus hij het woord hanteert, niet zonder een aristocratisch trekje, dat vooral zijn respect voor de taal verraadt. Beroepshalve heeft hij ruim dertig jaar het woord van anderen gediend door zijn medewerking aan en zijn verantwoordelijkheid voor dramatische en literaire programma’s van de openbare omroep, aanvankelijk bij de radio, kort nadien al bij de televisie, waar hij onvergetelijke jaren met zijn vriend-dichter Jos de Haes – van dezelfde jaargang 1920 – moet hebben gekend. Voordien had Hubert van Herreweghen in de veertigerjaren al journalistiek werk geleverd voor o.m. Het Nieuws van de Dag en De Nieuwe Gids en zijn bijlage De Spectator. Het woord was zijn instrument bij uitstek in zijn kritische stukken en recensies.

Literair was hij in die vroege jaren betrokken bij het tijdschrift Podium, dat Frank Meyland in 1943 had opgericht en waarvan ook Jos de Haes en Anton van Wilderode redacteurs waren. Het tijdschrift, dat ook werk publiceerde van o.m. August Vanistendael en Bert Decorte, verdween na één jaar. In 1945 richtte Van Herreweghen met Marcel Coole en Paul de Ryck het tijdschrift De Spiegel op, dat maandelijks een dichtbundel wilde brengen. Zo verscheen er werk van o.m. Karel Jonckheere, Jan Vercammen en van de hoger vermelde namen. Het tijdschrift zou twee jaar bestaan. Na Podium en De Spiegel werd Van Herreweghen in 1947 redacteur van Dietsche Warande & Belfort en is dat tot op de dag van vandaag gebleven.

Zijn kritische lectuur van gedichten heeft van Van Herreweghen ook een scherpzinnig bloemlezer gemaakt. Van 1965 tot 2000, 36 jaar lang, verzorgde hij voor het Davidsfonds een selectie van 50 gedichten uit de poëtische jaarproductie in tijdschriften, negen nummers met Jos de Haes, en vanaf 1975 zevenentwintig deeltjes met Willy Spillebeen, die de reeks vanaf 2001 verderzet met Hugo Brems. Na de filter van de tijdschriftenredacties is er de filter van de scherpe criticus en fijne lezer. De vertrouwde titel Gedichten was en is voor dichters een graadmeter en voor lezers een belangrijke introductie in de meest recente poëzie. Het is de verdienste van Van Herreweghen daarvoor de toon te hebben gezet en jarenlang te hebben aangehouden. Met Willy Spillebeen tekende hij overigens voor een andere reeks intrigerende anthologies, een drieluik waarin poëzie uit Vlaanderen en Nederland van 1880 tot 1985 werd bijeengebracht. Ik heb dat drieluik altijd merkwaardig gevonden, omdat het nu eens geen thematische bloemlezing betrof en er bovendien geen voorkeuren meespeelden qua poëtica, stromingen of namen. De inleiding op Dingen die niet overgaan uit 1985 zegt het mooi: “waar het menselijk getuigenis in woorden wordt gedanst, zitten wij geboeid te kijken en te luisteren naar een zang, een boodschap, een blijdschap van een andere orde.” En Het nachtegalenbosje uit 1990 opent met een verklaring die alle bloemlezers ter harte mogen nemen: “We hebben gedichten gekozen die voor zichzelf spreken, die naar ons toe komen uit een grijzere brij van teksten en beslag leggen op ons. Wij werden gekozen.” Vijf later klinkt het in Soms tussen tulpen gelijkaardig: het gaat om gedichten “die zich als ‘vreemdsoortig’, apart, eigenaardig, merkwaardig, wonderlijk, (bijna) volmaakt in hun soort, aan ons hebben getoond.” De drie bloemlezingen, die niet het beperkende uitgangspunt van een thema kennen en niet vertrekken van poëticale vooroordelen, behoren tot de meest open, en dus meest verrassende anthologieën die ik ken.

* * *

Zijn meest prominente verhouding tot de taal beleeft Hubert van Herreweghen uiteraard in zijn dichterschap. Ondanks zijn betrokkenheid bij literaire tijdschriften is de dichter altijd zijn eigen weg gegaan, eigenzinnig en authentiek. In zijn bekend en inmiddels meer dan een halve eeuw oud Getuigenis 1950: de Poëzie stelde hij: “De dichters schrijven niet in bende, denken of voelen niet in groep, zijn tenslotte, ook degenen die branden van liefde voor de gemeenschap, hyperindividualisten.” Ik vermoed dat de dichter het vandaag niet anders zou zeggen en ik stel ook vast dat geen Brabants trekpaard ooit in staat is geweest Van Herreweghen in een of ander poëticaal of streng ideologisch kamp te trekken, laat staan te houden. Dichters schrijven inderdaad niet in bende, en dat is wellicht ook de reden waarom grote namen als Anton van Wilderode, de te vroeg gestorven Jos de Haes, de eveneens nog ongemeen creatieve Christine D’haen en Hubert van Herreweghen eigenlijk nooit een groep hebben gevormd, maar elk hun eigen weg zijn gegaan in naam van de poëzie, in naam van hun poëzie.

De weg die hij gegaan is, ontwierp de dichter in Getuigenis 1950 door de nadruk te leggen op “een gestyleerde wanorde, een spel van tonen en tegentonen, moderne onrust in klassieke maat’. Balancerend tussen wat de grote literaire traditie hem heeft aangereikt en wat de moderniteit aan mogelijkheden inhoudt, klassiek en hedendaags: dat is het waarmerk van Van Herreweghens poëzie. En het is merkwaardig te zien hoe de dichter dat doorheen zijn hele oeuvre voor ogen blijft houden. Die vaststelling verzwakt de stelling als zou er een cesuur zijn in het werk vanaf de bundel Aardewerk. Gedichten VI uit 1984, de eerste bundel die bij Lannoo verscheen. In de relatief lange stilte tussen het verschijnen van Verzamelde gedichten in 1977 met de nieuwe Gedichten V en de publicatie van Aardewerk neemt de dichter in zijn beroepsleven in 1981 afstand van het hectisch televisiewerk. Het jaar daarvoor ontving hij de Sabamprijs voor zijn hele oeuvre, twee jaar later in 1983 wordt hij lid van deze Academie in opvolging van Maurice Gilliams. In die jaren heeft Van Herreweghen ongetwijfeld de vrijheid gevonden om mensen en dingen meer vanop afstand te bekijken en zijn ervaringen rustiger te verdichten. Zijn legendarische wandelingen vormen een van de geheime bronnen van zijn poëzie. Maar naar mijn aanvoelen zijn de verworvenheden van die zogenaamde tweede periode reeds in overvloed aanwezig in Gedichten IV uit 1967. Bij wijze van voorbeeld het gedicht Lichtbak uit de cyclus Kort ademen:

God,
voor uw stroper de dood
ben ik het konijn
in de schijn
van zijn bak.
´t Is nacht
en ik verwacht
met schrik
het schot
het lood
en de beet van zijn brak.

Dit smaldicht met vooral eenlettergrepige woorden verspreid over liefst elf verzen, die zich staccato laten lezen, ritmisch beklemmend, maar ook benauwend door zijn klanken: zo’n gedicht had perfect in Een kortwoonst in de heuvels uit 2002 kunnen staan. Ondanks of precies omwille van de doodsthematiek.

Soms denk ik dat wij het hele oeuvre van Hubert van Herreweghen – een derde uitgave van Verzamelde Gedichten dringt zich echt op, vind ik – moeten herlezen in functie van wat niet zozeer een cesuur is, maar een organische evolutie. En dan zou men kunnen vaststellen dat er in de eerste bundels meer vitalisme steekt, soms onderhuids, dan het steeds weer beklemtoonde besef van vergankelijkheid en dood laat vermoeden. En dat er ook veel meer vormvariatie in steekt dan het etiket van klassieke dichter toelaat te veronderstellen. En dat dit alles een prelude vol variaties is op wat de dichter, bevrijd van alles wat hem beklemde, zal uitzingen in een feest van woorden, soms bevreemdende maar welluidende archaïsche woorden, in een wisselend spel van typografische grillen, ingegeven door het alles bepalende ritme, in tellurische verzen die de zintuigen bedwelmen of in mythische bewegingen die het grote verband duiden. En doorheen dat alles vanaf het begin tot vandaag, ruim zes decennia lang, herkent men het ambachtelijk werk van de maker bij uitstek, die soms oude poëtische notities vijlt en slijpt om ze een plaats te geven in een nieuw verband.

* * *

Dames en Heren, in Gedichten III uit 1961, de bundel die twee jaar later bekroond werd met de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie, lezen we onder de titel Muziek een kwatrijn:

Muziek? Ik houd niet van muziek.
Ik hoor geluiden in mijzelve,
echo’s uit diepe, onmeetbare gewelven
en ik moet luisteren of ‘k word ziek.

Hubert van Herreweghen, word maar niet ziek en luister verder, en bezorg ons allen ook als binnenlands erelid van deze Academie nog veel gedichten, jarenlang.