Laudatio door Luc Devoldere

Luc Devoldere, hoofdredacteur van Ons Erfdeel, sprak een laudatio uit tijdens de huldiging van Patrick Lateur op 27 februari 2005 in het stadhuis van Aalst, naar aanleiding van zijn verkiezing tot lid van de KANTL en zijn tien jaar hoofdredacteurschap van Kunsttijdschrift Vlaanderen. Lees hieronder de tekst.

Maar komt een glans door god gegeven…
Patrick Lateur als classicus, dichter en vertaler

Dames en heren,

Patrick Lateur heeft een website. Hij troont er als de zon te midden van een planetenstelsel van activiteiten en publicaties, als de helmboswuivende Onbewogen Beweger van een resem onafgebroken afgescheiden daden. Hij geeft lezingen, vertaalt, schrijft verzen, stelt bloemlezingen en boeken samen, redigeert het werk van anderen. Kortom, Lateur is een productief man. Nietsdoen is niet aan hem besteed. Nietsdoen heeft koningen en rijke steden in het verderf gestort, wist Catullus. Het zal een West-Vlaming, verdwaald in Gijzegem, niet overkomen.

Men heeft mij, ook een West-Vlaming verdwaald in Erembodegem, gevraagd hier te spreken op deze huldiging. Wees op je hoede, Patrick, als men je begint te huldigen. De laudatio verwordt al snel tot een epitaphios, een lijkrede, gevolgd door een bijzetting in een mausoleum. En er is nog zoveel te doen. De laudatio is ook een heikel genre, dat weet iemand zoals jij die de retorische traditie kent maar al te goed. De gehuldigde zit er meestal gegeneerd bij. Hij meet de onbedoelde beschadiging. Ik beloof je de schade te beperken.

Het onderwerp en het lijdend voorwerp van vandaag heet dus Patrick Lateur. Ik ga voorbij aan een jeugd in Beveren-Leie, een college in Waregem en een jaar seminarie in Brugge.

Lateur studeerde klassieke filologie, en zoals de meeste is hij pas classicus geworden na zijn studies. Zijn wijn is gerijpt in een goede en langzame kelder.

De classicus werd leraar. Dat komt nog voor. Lateur is een bewonderd en gevreesd leraar, meen ik te weten. Een goede maand geleden las hij nog met enkele meisjes in de provincie, dat heeft hij me zelf verteld, het prachtige koorlied uit de Antigone van Sophocles: Polla ta deina: “Veel is wonderbaar op aarde, doch niets wonderbaarder dan de mensch: want over de grijsbeschuimde zee trekt hij, gedreven door den stormachtigen zuidenwind, en vaart tusschen de zwellende golven, die gapen rondom hem.” (…) “En de spraak heeft hij geleerd, en de gedachte snel als de wind, en de zucht naar samenleving, en de middelen om te ontvluchten de schichten van de vorst, die ’t verblijf onder den blooten hemel onbehaaglijk maken, en ook die van de onaangename stortregens, de vindingrijke! Nooit staat hij verlegen tegen iets dat komen moet. Alleen om aan den dood te ontkomen zal hij zich geen middel verschaffen (…)” Deze vertaling heeft ook wat kelder. Ze is van de hand van de jezuïet Sprangers. Gelukkig hij die deze Sophocles kan lezen, spellen voor altijd weer andere, jonge mensen. Hou het vast, Patrick, want lang zal het daar ook in Gijzegem niet meer duren. Latijn segregeert al, beweert Marie Arena ten zuiden van de taalgrens. En Grieks?

Om Latijn of Grieks te leren is veel vanzelfsprekendheid nodig, ruimte en, inderdaad, een zeker prestige. Prestige heeft te maken met schoolcultuur, met de aandacht die een school nog geeft aan literatuur en cultuur in ruime zin, met het gewicht en de loyauteit van leerkrachten, met de wijsheid van ouders. Hardop de zinsvraag stellen – Wat is de zin van Latijn en Gruieks? – is al een aantasting van zin. Het is zoals met normen en waarden: je kan er niet om roepen; ze moeten er gewoonweg zijn.

Waarom Latijn of Grieks leren? Waarom geen antieke cultuur geven als men de component van de antieke beschaving zo belangrijk vindt in de algemene vorming? Wat is de meerwaarde van het lezen van teksten in een oorspronkelijke taal?

Een oude taal dwingt tot precies lezen. Wie vaak en lang weerbarstige zinnen aftast, op zoek naar betekenis, bevindt zich buiten het divertissement, de versnippering van aandacht die onze cultuur kenmerkt, het verhangen zijn aan het vluchtige, telkens weer nieuwe en andere. Wie Grieks en Latijn heeft geleerd, zou kritischer lezen, wordt wel eens gezegd. Laat ons hopen dat hij trager en wantrouwiger leest.

Voilà, dat moest even gezegd. Het is wat ik denk, maar ik ben er tamelijk zeker van dat Lateur dat ook vindt.

Een beetje classicus vertaalt elke dag. Hij weet al lang dat de vertaling geen vijand meer is maar een bondgenoot, een opdracht meer en meer in deze tijden. Lateur wachtte lang om zijn vertalingen in boekvorm uit te geven, maar zijn eerste proef was een schot in de roos.

Pervigilium Veneris, Nachtwake voor het feest van Venus, is een anoniem gedicht van 93 regels uit de late oudheid, vol bottende rozen, trillende bruiden die nog maagd zijn en hun haren, harten en schoot vol schroom ontsluiten. Dit complexe, gemaniëreerde lentelied, traditioneel én verwarrend, jubelend en elegisch, ruikt naar herfst, naar de herfst van een beschaving. Het bezwerende refrein klinkt voortaan in het Nederlands van Lateur zo:

“Morgen moet de liefde komen
bij wie nooit heeft liefgehad,
bij wie ooit heeft liefgehad
moet de liefde morgen komen.”

Lateur vertaalde ook het eerst stroomgedicht uit de Europese literatuur, de Moezel van Ausonius, het leven van Sint Maarten, de gekruisigde Cupido, een Spielerei van opnieuw Ausonius, Latijnse fabels van de architect en schrijver uit het Quattrocento Alberti, Italiaanse kunstbrieven van Pietro Aretino. Telkens kiest hij eigenzinnig én zorgvuldig zijn teksten uit. Vaak gaat het om minder bekend maar razend interessant materiaal. Een van die mooiste keuzes, naast het Pervigilium, zijn de fabels van Leonardo da Vinci: pareltjes van abruptheid. Een voorbeeld: “Fabel van de tong gebeten door de tanden” (…)

U hoeft niet te blijven wachten, want dat was de fabel.

Of deze: “De spin die dacht rust te vinden in het sleutelgat, vond er de dood.”

De fabels brachten Lateur in contact met de duizenden literaire, filosofische en wetenschappelijke aantekeningen van de uomo universale Da Vinci van wie bij Athenaeum dan ook een grote selectie verschijnt, opnieuw een primeur in ons taalgebied.

De meesterproef van Lateurs vertaalwerk tot nu toe is zonder twijfel zijn Pindarosvertaling, de eerste, integrale vertaling van de zegezangen, geschreven en gecomponeerd naar aanleiding van overwinningen bij grote sportwedstrijden, die bij de blijde intrede van de sportheld in zijn stad werden opgevoerd. Je moet dan denken aan een koor dat onder muzikale begeleiding een tekst zingt en er tegelijk op danst. Van deze complexe kunstvorm is alleen de tekst bewaard, het libretto zeg maar. Maar dat libretto heeft een stuwing die zijn gelijke niet kent, een tsunami van taal die de toehoorder overspoelt en verbijsterd achterlaat. Hoeft het gezegd dat deze veeleisende en complexe lyriek een kundige en gerijpte vertaler behoeft? U zult van mij moeten aannemen dat Lateur deze krachtproef met brille heeft verricht.

De volgende gigant die op de vertaler Lateur wacht is De Rerum Natura, het filosofisch-wetenschappelijk traktaat in verzen van de epicurist Lucretius, voor wie het universum bestond uit dansende atomen en leegte, en die geloofde dat het licht van de wetenschap de duisternis zal verdrijven en de mens naar ataraxia, onverstoordheid, leiden. Je weet dat ik op die vertaling zit te wachten, Patrick. Heb je vandaag al je vijf verzen vertaald? Nulla dies sine linea, geen dag zonder een geschreven regel, waarschuwde Seneca. U hebt intussen opgemerkt, dames en heren, dat Lateur niet alleen uit het Grieks en het Latijn vertaalt, maar ook uit het Italiaans.

Lateur behoort namelijk ook tot de familie van de Italofielen, of om het Stendhaliaans te zeggen: de Italianisants, die lichtelijk dwepend met het land waar de citroenen bloeien, het dan maar hebben uitgeroepen tot hun tweede vaderland, het enige dat men zelf kan kiezen. Elk jaar trekt hij zich minstens één keer terug op zijn heuvel boven Arezzo, elke Paasvakantie toont hij Rome aan zijn leerlingen. Ook hier is zijn wereld zo gemaakt dat ze is uitgemond in een boek. In meerdere zelfs. De Romereiziger kan de eeuwige stad voortaan te lijf met een literaire gids die de overmoedige en volmaakte titel draagt Alle schrijvers leiden naar Rome. De zwartwitfoto’s van de gebroeders Alinari die een leeg Rome tonen van meer dan honderd jaar geleden zijn perfect gecast voor deze publicatie. Lateur gebruikte dezelfde formule voor Toscane, die helaas in de mode geraakte streek waar een cipres asymmetrisch concurreert met een kale heuvel waarop een hoekige boerderij. Het zijn geen reisgidsen maar intelligente en erudiete uitnodigingen voor reizen in de geest, opgehangen aan teksten van schrijvers, groot en klein, die ons zijn voorafgegaan, en in wiens voetsporen wij altijd lopen, met wiens ogen wij blijven kijken. Ik wil hier één tekst uit Alle schrijvers citeren, die naar mijn aanvoelen, en naar dat van Lateur, want hij kiest het vers als preludium voor het boek, de nostalgie naar Rome perfect uitdrukt. Er zijn overigens veel redenen om in Rome te zijn, maar de belangrijkste is deze: alleen in Rome heeft men nostalgie naar Rome.

Het vers gaat zo:

En

En langs het atrium der Vestalinnen
en op de Via Appia Antica gaan
en onder Titus- en Augustusbogen
en voor de David van Bernini staan,

en uit het Pantheon de mussen horen,
en in de buurt de kuil der katten zien,
en door de parken van Maecenas lopen,
en naar de graven der Horatii,

en zitten in de kerk van San Clemente,
en bij de echo’s van een springfontein,
en luisteren naar de blinkende Najaden,
en in een kloostertuin gelukkig zijn,

en door een Rome zonder tijd bewegen,
en als een pelgrim in de warme nacht,
en in de kokers van het Colosseum kijken.
En leven in een staat van overmacht.

Getekend: Anton van Wilderode.

Dat vers brengt mij op de dichter Lateur.

Lateur is een dichter die duidelijk in de traditie staat van Anton Van Wilderode: hij houdt van vormvastheid zonder ze beaat te bewonderen; van een gedragen taal, tussen trendy en plechtstatig in – het juiste Aristotelische midden; hij is meer poeta faber, vakman, dan vates, geïnpireerde ziener, maar daar is niets onheus mee bedoeld. Hij kent zijn plaats in de hiërarchie van de Parnassus en heeft daar vrede mee. Zijn bundels zijn coherent, opgehangen aan één thema, een persoon, een plek: de speelman van Assisi, de mozaïeken van Ravenna.

Zijn universum is dat van Marsman die in zijn laatste gedicht, De zee, zijn mentale horizon als volgt afbakent:

‘Wie schrijft, schrijv’ in den geest van deze zee
of schrijve niet; hier ligt het maansteenrif
dat stand houdt als de vloed ons overvalt
en de cultuur gelijk Atlantis zinkt;
hier alleen scheert de wiekslag van het licht
de kim van het drievoudig continent
dat aan ons lied den blanken weerschijn schenkt
van zacht ivoor en koolzwart ebbenhout,
en in den dronk den geur der rozen mengt
met de extasen van den wingerdrank.

Het gaat natuurlijk niet om de Noordzee in dit vers maar om de Middellandse.

“hier de fontein die naar het zenith sprong
en regenbogen naar de kusten wierp
van de moskee, de tempel en het kruis.”

Lateur aarzelt, kiest niet, reist tussen tempel en kruis, tussen Rome, Athene en Jeruzalem. Hij zal dus over uiteenlopende figuren schrijven als Frans van Assisi en keizerin Theodora. Ik kies twee gedichten uit zijn werk.

Uit De speelman van Assisi kies ik het gedicht Isola Maggiore. Isola Maggiore is een eiland in het Trasimeense meer. Hannibal versloeg er ooit een Romeins leger. Franciscus koos het uit voor een veertig dagen durende vasten. Heiligen concurreren altijd met hun model, Christus zelf. Toch deinst Franciscus ervoor terug het model te evenaren, laat staan te overtreffen. Hij zal niet absoluut vasten.

Isola Maggiore

Waar ooit geweld van wapens klonk, Carthager
tegen Romein, ligt tussen riet en oever
een sloep die vredig hem voor veertig dagen
naar eenzaamheid en stil gebed moet voeren.

Nooit woog een vracht zo licht: geen manden vis,
alleen twee broden en de Kleine Man
die op zijn Meester lijken wil. Gemis
aan niets laat hem de diepte peilen van

wat loutering vermag. Hij eet ten halve
een brood uit schroom om van zijn grote Heer
niet heel het evenbeeld te zijn in vasten
op het limpide Trasimeense meer.

Het zijn limpide verzen, wars van vertoon, dienstig aan de opdracht: een queeste naar de essentie van een bijzondere vorm van heiligheid, die van Franciscus.

Het andere gedicht komt uit Ravenna. Het heet Theodora. Wie Theodora zegt, zegt Justinianus. In de zesde eeuw na Christus waren zij keizer en keizerin van Constantinopel. Zij kwam uit het hippodroom, het theater, de bordelen. Hij stamde af van boeren uit de Balkan en volgde zijn oom op die de macht had gegrepen als hoofd van de paleiswacht. Zij werden verliefd op elkaar, vonden elkaar in bed en theologisch gesprek. Toen hij bij een opstand op het punt stond te vluchten, hield zij het hoofd koel, en wist Justinianus te bewegen stand te houden. Zij bleef trouw aan haar monofysitische geloof dat alleen de ene natuur van Christus, de goddelijke, aanvaardde. Zij stierf aan borstkanker. Hij ging de geschiedenis in als veroveraar en wetgever. Hij gaf het Romeinse rijk zijn laatste glorie en luidde het einde ervan in.

In de San Vitale in Ravenna zijn ze vereeuwigd in mozaïek: Justinianus staat tussen hovelingen en soldaten. Hij brengt het brood aan voor de wijdingsmis van de nieuwe kerk. Als vertegenwoordiger van God op aarde is hij omkranst met een aureool. Alles is hier verheven, geheiligd. Aan de tegenwand kijkt Theodora hem in de ogen. Ook zij staat tussen dignitarissen en hofdames. Zij brengt de kelk aan met wijn voor de wijdingsmis. Omdat zij deelt in de verhevenheid en macht van haar echtgenoot draagt zij net als hij een aureool.

Ik heb mij ook in de San Vitale verloren in de steenscherven van haar grote, zwarte, starre?, dromerige?, melancholische? ogen. Kun je iets zien in scherven? Le spectacle est dans le spectateur. Het zijn de ogen van een courtisane die zich heeft omhooggeslapen tot keizerin. Het bed is een troonzaal geworden, het bordeel een kerk, de spasmen zijn verstard, de tijd tot stilstand gebracht, het lichaam tot zwijgen. Alleen die ogen.

Lateur heeft ook vaak voor het mozaïek gestaan. Hij is teruggekeerd met dit vers:

Theodora

Uit de coulissen van het Hippodroom
kwam deze danseres. Haar fonkelogen
verraden hoe zij hoerde zonder schroom.
Zij pronkt beaat, haar woord klinkt onvertogen.

Zij droomt nog wat onwennig in haar weelde.
Of ziet zij lonkend naar de tegenwand
de laatste minnaar die haar warmte streelde,
haar luister gaf en macht van hogerhand?

De volle beker die zij weldra schenkt:
een schijn van heiligheid en offergave.
Hij ademt geur van wijn. Beneveld denkt
zij aan de wilde uren in de haven.

Dames en heren,

De titel van deze lezing in de uitnodiging is wat ongelukkig gekozen: “Patrick Lateur als classicus, dichter en vertaler”. Het is een kunstmatige opsplitsing. La philologie classique mène à tout, pourvu qu’on en sorte. Maar je kan eruit stappen en er toch in blijven. Vertaling en commentaar, inleiding en redactie of kritische uitgave, vers en aantekening: het maakt allemaal deel uit van hetzelfde continuüm, van het grote netwerk van teksten waarin wij ronddwalen in dit ons leven.

Als ik dan toch een woord moet vinden om al de bezigheden van Lateur te omvatten, dan is het philologos: minnaar van het woord. De term is waarschijnlijk gesmeed door Eratosthenes van Cyrene, ooit bibliothecaris van de grote bibliotheek van Alexandrië, nog zo een uomo universale.

Ik sluit af.

In deperoratio van een redevoering mag de toon hoger, en het genus sublime, het verheven stijlregister, van stal gehaald. Hier gaan wij.

Lateur is, eerder dan een scriptor catholicus,  één van die laatste christen humanisten voor wie “het kruishout als een wijnstok rankt”, om weer Marsman te citeren. Rome en Jeruzalem zijn geen vijanden in zijn opvatting: ze vullen elkaar aan, meer nog, hebben elkaar nodig. Hij trekt als een Gorgias redivivus door Vlaanderen om Rome, Toscane en nog wel wat aan te prijzen; hij spelt de klassieken, vertaalt en maakt ze nieuw, schrijft zijn scholia en glossen bij de traditie, waarvan W.H. Auden zei: “Tradition is the democracy of the dead. It means giving votes to that remotest and obscurest of classes, our ancestors. It refuses to submit to the arrogant oligarchy of those who simply happen to be walking around.” – Traditie is de democratie van de doden. Het betekent dat men zijn stem geeft aan die verste en meest duistere van alle klassen, die van onze voorouders. Traditie weigert zich neer te leggen bij de arrogante oligarchie van hen die toevallig nu en hier rondlopen.

Lateur is een poortwachter van die traditie. Als de waker op het dak van het paleis van Mykene in het begin van de Agamemnon van Aeschylus:

“ … Liggend op het huis
van Atreus’zonen, als een hond in een hoek van het dak,
heb ik de nachtelijke optocht van de sterren doorgrond
en wie de winter en de zomer aan het mensdom brengen:
de stralende vorsten die schitteren aan de hemel.” 
(Gerard Koolschijn)

Wij moeten zuinig zijn op poort- en dakwachters. Want het is allemaal fragiel. Alles van waarde is weerloos. Pindaros zong het al, in de achtste Pythische ode voor Aristomenes van Aigina die de worstelkamp had gewonnen tijdens de spelen van Delphi in 446 voor Christus:

“Wezens van één dag. Iemand zijn, niemand zijn: wat betekent dat? Droom
van een schaduw is een mens. Maar komt een glans door god gegeven,
dan ligt een stralend licht over de mensen, hun bestaan is zoet als honing.”

Ik heb eindelijk de titel voor deze toespraak: Maar komt een glans door god gegeven…
Patrick, ik wens je veel glans toe en veel honing. Ad multos annos et multa opera.