Julien Vermeulen over Patrick Lateur

Julien Vermeulen, hoofdredacteur van Kunsttijdschrift Vlaanderen, hield een lezing over tien jaar hoofdredacteurschap van Patrick Lateur tijdens de huldiging op 27 februari 2005 in het stadhuis van Aalst, naar aanleiding van Lateurs verkiezing tot lid van de KANTL en zijn hoofdredacteurschap van Kunsttijdschrift Vlaanderen. Lees hieronder de tekst.

Mevrouw de burgemeester,
Mevrouw de schepen,
Dames en heren, beste vrienden,

Ik begin met een gemeend woord van dank aan onze gastdames en gastheren. Met heel veel enthousiasme bent u immers ingegaan op ons verzoek om hier in dit statige decor uw stadsgenoot Patrick Lateur te helpen huldigen en bedanken voor de 10 jaar die hij hoofdredacteur geweest is van ons Kunsttijdschrift VlaanderenIk apprecieer bijzonder uw aanwezigheid, mevrouw de burgemeester, mevrouw de schepen. Ik apprecieer tevens de prachtige entourage van deze trouwzaal: ik kom immers niet iedere dag in een trouwzaal. De laatste keer was ongeveer 30 jaar geleden, denk ik. Ik zie me ook omringd door mensen die van kunst houden en hier vooraan zelfs door de getalenteerde jonge dames Van Schuylenbergh. Een context van kunst en artistiek talent is altijd stimulerend en feestelijk.

Deze flatterende omgeving is op zich reeds een signaal van erkenning voor de vele inspanningen die de heer Lateur het laatste decennium aan ons tijdschrift gewijd heeft. Maar vooral uw talrijke aanwezigheid, dames en heren, voegt aan deze zitting een toets van sympathie toe. Het is in deze dubbele sfeer van plechtige feestelijkheid en hartelijk thuis-zijn dat ik u allen op mijn beurt welkom heet.

Deze speciale stemming smeekt eigenlijk om een literair citaat als startschot en openingsteken. Maar, wie zie ik hier in dit publiek. Een dozijn van Vlaanderens meest bekende literair vertalers. Meer dan genoeg in ieder geval om me alle durf te ontnemen om hier een vreemde taal te gaan gebruiken. Ik kan natuurlijk een buitenlands fragment in het Nederlands brengen, maar dat is eigenlijk om moeilijkheden vragen. Vertalers zijn weliswaar sympathieke mensen, en heel soepele mensen, maar niet als het om vertalingen gaat!

In ons Maurice Roelantsnummer, dat we gisteren in Gaasbeek aan de pers voorgesteld hebben, staan gelukkig wat Nederlandse teksten ook. Eén ervan zou voortreffelijk bij deze gelegenheid passen. Het is namelijk een fragment van Louis Paul Boon. Daarmee zit ik toch behoorlijk goed, nietwaar mevrouw de schepen van cultuur? En toch, heb ik het moeilijk: ik zal Boon moeten lezen in mijn beste standaardvlaams en zo onrecht doen aan de literaire meester die hier thuis was. Ik probeer het toch met een kleine parafrase. Hier komt ze. ‘En in haar bed dacht Ondineke aan die kleine jongen met zijn overeind staande haren: hij is een schat, dacht ze.’

Mevrouw Lateur,
Ongetwijfeld heb je de laatste tien jaar ook vaak vanuit je bed moeten denken aan die schat van jou die weer eens niet thuis was. Ja, Patrick was meer dan eens de baan op. En zoals we allemaal weten: op vrijwilligerswerk staat geen uur of tijd! Zeker niet als het om een kunsttijdschrift gaat.

Tien jaar geleden, in 1995, werd Patrick Lateur hoofdredacteur van het Kunsttijdschrift Vlaanderen. De voorbije maanden gaf hij te kennen dat hij liever wat afstand wou nemen van de dagelijkse werking van het tijdschrift. En vandaag wil ik daarom graag even kort terugblikken op dit voorbije decennium.

Patrick heeft met veel enthousiasme tientallen themanummers begeleid en bijgestuurd. Tegelijkertijd hertekende hij een stuk de interne werking van ons tijdschrift. Op een subtiele manier is hij er steeds in geslaagd bruggen te slaan tussen de stevige tradities waar Vlaanderen zich uit ontwikkeld heeft en de uitdaging van een ruimere culturele horizont. Door een continue inzet en soepele diplomatie heeft hij dit proces in vaste banen geleid. Met joviale, maar scherpe, aandacht droeg hij steeds bij tot de positionering van ons tijdschrift temidden van de andere culturele en literaire periodieken. In het huidige medialandschap is het niet eenvoudig om met beperkte middelen en op basis van vrijwilligerswerk vijf maal per jaar een product voor te leggen dat toch een kwalitatieve signatuur draagt. Met veel aandacht voor mensen én waarden heeft Patrick Lateur zich daar tien jaar lang intens voor ingezet. Ondertussen profileerde hij zich ook als een opmerkelijke literair vertaler.

Net als een vertaler is een hoofdredacteur ook een handige diplomaat die verzoenende taal spreekt en gefascineerd nieuwe horizonten aftast. De literair vertaler ondervraagt geduldig zijn/haar brontaal en valt onderzoekend terug op het eigen idioom waaraan hij onverwachte metaforen of frisse blikopeners ontleent. Zo haalt hij subtiel de schakeringen van een vreemde cultuur binnen en maakt die voor de lezer toegankelijk. Vertalen is – net zoals een tijdschrift leiden – vaak een kwestie van l’art du possible: continu beslissingen nemen en hopen dat het eindresultaat overtuigend is.

Het eindresultaat van deze tien jaar werk en ondersteuning is in ieder geval rijk en gevarieerd. Het laatste nummer van vorige jaargang heette zelfs expliciet ‘Culturele Diversiteit’. Ik wil hier natuurlijk niet de 50 themanummers opnoemen die onder zijn begeleiding ontstaan zijn. Een laudatio is immers geen telefoonboek! Sta me toch toe drie thema’s aan te stippen.

In januari 2000 verscheen het dossier over Pelgrimsoorden, dat in één trek tevens handelde over Pelgrimswoorden. De samensteller van het nummer was de hoofdredacteur zelf, die zich voor dit plan omringd had met interessante medewerkers als Ludo Abicht, Raoul Bauer, Geert Bekaert, Frans Boenders, Johan Elsen en Jean-Paul Vermassen. In het zelfde nummer stond ook werk van andere West-Vlamingen, die – net als Patrick Lateur – naar oorden buiten de provincie gepelgrimeerd hebben. Luuk Gruwez was er gastdichter en Geert Swaenepoel bereidde zich toen al voor (zonder dat hij het zelf wist) om later de nieuwe redactiesecretaris te worden. De aanwezigheid van namen als Fernand Bonneure en Marc Dubois in datzelfde nummer hoeven ons niet te verbazen, net zomin als hun aanwezigheid ons hier verrast.

In 2003 trok ons tijdschrift naar Toscane. Figuurlijk althans. Jean Luc Meulemeester was de samensteller van het nummer en de voortreffelijke organisator van een Toscaans eetfestijn dat met de persvoorstelling gepaard ging. De literair vertaler van dienst was toen een zekere heer Lateur die een stuk van Mario Luzi over Florence in artistiek Nederlands omzette. In onze vaste rubriek ‘In en om de kunst’ werd toen ook een uitgebreide recensie gepubliceerd die vrij dicht bij het thema van ons mediterrane erfdeel aanleunde. Stefan van den Bossche besprak er een essay van Luc Devoldere. Zeg nu niet dat de literaire wereld in Vlaanderen klein is. Dat Luc en Stefan hier vandaag ook aanwezig zijn verheugt me. Luc zal aanstonds de feestlezing houden (waarvoor ik hem nu al dank) en ik feliciteer ondertussen Stefan met zijn aanstelling tot de nieuwe adjunct-hoofdredacteur. Maar, ik vermeldde net dat Jean Luc Meulemeester de samensteller was van dat Toscanenummer. Ongetwijfeld – vrienden van het tijdschrift – vraag je je af waarom Jean Luc hier niet is. Een academische zitting zonder de voorzitter van onze vzw is moeilijk denkbaar. En ja, hij is er niet, en neen, hij is niet naar Toscane. Vanuit Marokko groet hij u allen en geeft aan de ontslagnemende hoofdredacteur tevens een warme handdruk, jammer genoeg geen golden handshake. Ons bedrijf is namelijk niet beursgenoteerd. We zijn zelfs niet eens een bedrijf.

Ondertussen was het tijdschrift Vlaanderen de kaap van de vijftig gepasseerd. Een halve eeuw na de stichting in 1952 mochten we dit, in 2002 – samen met onze hoofdredacteur – uitgebreid vieren. Bij deze gelegenheid verscheen een feestnummer met vijftig foto’s van bekende Vlaamse kunstenaars, die Rony Heirman vastlegde, en even later tevens een lijvig register waar KADOC-KU Leuven intens aan meegewerkt heeft. Op die manier werd een halve eeuw waardevolle wetenschappelijke en essayistische bijdragen bibliografisch ontsloten. Terugblikken op een halve eeuw stemt tot dank en trots.

Maar hoewel Patrick Lateur misschien klassieke interesses heeft, toch heeft hij zich ook ingezet om onze periodiek steeds naar de toekomst te oriënteren. Bekommerd om kwaliteitszorg en dynamische vernieuwing was hij een van de eersten om te pleiten voor een verjonging van onze redactie. Hij heeft met veel enthousiasme nieuwe medewerkers gezocht én gevonden. Ongeveer in dezelfde periode bleek dat wij ons ook dringend moesten vervrouwelijken. Opnieuw heeft Patrick zich in de bres geworpen en heeft hij al de registers van zijn charmes opengetrokken. En, mevrouw Lateur, het is er niet slechter op geworden. Maar toch, op dit punt is er nog veel werk, nog heel veel werk te doen. En dat stemt me zeer gelukkig, want een nieuwe hoofdredacteur moet toch iets hebben om naar uit te kijken.

Dit brengt me vandaag tot de essentie van mijn lezing.

Patrick, uit naam van alle medewerkers: oudere en jongere, vrouwen en mannen, literatoren en musici, beeldende kunstenaars en architecten, wil ik u graag danken voor de vele jaren van zorg, kwaliteitszorg en bezorgdheid. Kunsttijdschrift Vlaanderen dankt u voor een decennium van begrip, medeleven en stimulans. Uw e-mails ’s morgens vroeg, uw telefoons ’s avonds laat, de vele gesproken en gepubliceerde woorden vormden een netwerk waar onze periodiek op kon terugvallen. En in een tijd dat alles in beweging lijkt, is een punt van verankering en loyale steun bijzonder te waarderen.

Bij deze gelegenheid bieden we u graag enkele bescheiden cadeaus aan. Het belangrijkste geschenk komt aanstonds: uw vriend, stadgenoot en hoofdredacteur van Ons Erfdeel zal namelijk uw cultureel en literair werk toelichten. Op zich mag dit vanuit het publiek en het tijdschrift een teken van waardering zijn.

Toch willen we deze dank op een bescheiden manier ook tastbaar maken. Voor de gelegenheid hebben we er voor gekozen om u een boeketje aan te bieden, een symbolisch boeketje evenwel. Een fijne lezer als u, die de auteur is van enkele opmerkelijke poëzievertalingen, fêteren we graag met een uitgebreide aflevering van onze vertaalrubriek Transit. Een twintigtal literair vertalers hebben we bereid gevonden om – uit waardering voor de gehuldigde – één van hun vertalingen af te staan of speciaal uit te werken. Dit heeft geleid tot een uitgebreide Transit Amicorum die een groot deel van ons recentste nummer uitmaakt. Door de enthousiaste medewerking van talrijke vertalers is deze rubriek een kleurrijke mozaïek geworden van proza en poëzie, van allerlei genres in vele talen en uit diverse literaire periodes. Met gepaste trots durf ik hopen dat de renommé van de vertalers borg mag staan voor de kwaliteit van ons initiatief. Ik noem en dank graag de dames en heren Stefaan van den Bremt, Paul Claes, Bernard De Coen, Frans Denissen, Patrick Derynck, Vincent Hunink, Hilde Keteleer, Lisette Keustermans, Spiros Macris, Jan Mysjkin, Koen Stassijns, Ivo van Strijtem, Piet Thomas, Peter Verstegen, Bart Vonck, Andries Welkenhuysen en Ingrid Wikén Bonde. De professionele know how van drukkerij Lannoo heeft ons eveneens de kans geboden om van deze katern – weliswaar op een zeer beperkte oplage – een feestelijke overdruk te maken. Ik overhandig u graag deze exclusieve editie, samen met het eerste nummer van deze jaargang. Ook aan de dames burgemeester en schepen en aan onze gastspreker bied ik, in dank, deze publicaties aan.

Zo kom ik langzaam aan het einde van mijn toespraak. Toch moet ik nog één ding expliciet doen. Aangezien we hier in een trouwzaal zijn, moet ik me toch eens expliciet tot het echtpaar Lateur richten. Katleen, terwijl je man zich zo inzette voor het gemak van ons allen en voor de ontwikkeling van ons tijdschrift, was jij natuurlijk steeds achter de schermen actief en bezorgd. Katleen – treur niet teveel – ook na Vlaanderen is er leven. En om een eventuele ontgoocheling te verzachten biedt Geert u graag een ruiker bloemen aan.

Patrick – treur ook niet teveel – ook voor jou is er na Vlaanderen nog leven. Ik wens jullie beiden nog vele creatieve jaren en vraag aan Stefan om aan jullie, namens iedereen hier aanwezig, een geschenk, in de vorm van een grafisch kunstwerk, te overhandigen.

Ik dank u.