Rebuten — Renaat Ramon

Rebuten

Op 26 november 2004 stelde Patrick Lateur de dichtbundel Rebuten van Renaat Ramon, uitgegeven bij het Poëziecentrum voor in Boekhandel De Reyghere in Brugge. Lees hier zijn toespraak.

Dames en heren,

Toen de Latijnse dichter Ovidius in ballingschap verbleef in het Roemeense Tomi, probeerde hij de afstand tussen de Zwarte Zee en Rome te overbruggen met verzen. Zijn Tristia (Treurzangen) en Epistulae ex Ponto (Brieven van de Zwarte Zee) zijn elegische brieven in dichtvorm. Samen met de Epistulae van Horatius, vormen deze bundels het begin van een lange traditie van briefgedichten, een merkwaardige combinatie van twee literaire genres: poëzie en briefliteratuur, zonder dat we kunnen beweren dat dit genre ooit echt prominent en continu aanwezig is geweest in de literatuurgeschiedenis . De Fransen hebben er wel een apart woord voor bedacht, épître, en in het werk van Villon, Marot en Voltaire zijn daar nogal wat (soms langdradige) sporen van terug te vinden. De mooiste Franse briefgedichten werden wellicht geschreven door Apollinaire, die met zijn Poèmes à Lou tussen najaar 1914 en begin 1916 vergeefs zijn Louise de Coligny aan zich probeerde te binden. Ook de jonge Goethe schreef briefgedichten en uit de Engelse literatuur vermelden we Keats. Meestal gaat het om gedichten, die de adressaat op een of andere manier kon lezen. Maar het kan ook anders. Toen Petrarca in 1345 brieven van Cicero in Verona ontdekte, was hij niet erg enthoesiast over het totaal andere beeld dat hij er aantrof van de door hem aanbeden Cicero, maar wel des te enthoesiaster over het briefgenre. In zijn Epistulae ad Familiares schreef Petrarca zelfs brieven naar antieke auteurs, waaronder twee briefgedichten gericht aan Vergilius en Horatius. De augusteïsche dichters zullen zijn brieven wellicht nooit hebben gelezen. Waar Ovidius in zijn brieven uit Tomi de ruimtelijke afstand probeerde te dichten, wilde Petrarca over de grenzen van de tijd heen een gesprek aangaan met zijn vereerde antieke voorbeelden.

Met Rebuten, dames en heren, treedt Renaat Ramon eigenlijk in de sporen van Francesco Petrarca. Ramon wendt zich in 35 gedichten tot evenveel figuren uit de Oudheid, onder wie twaalf filosofen en tien dichters, en verder in hoofdzaak nog een paar historici en een aantal vroegchristelijke auteurs. Brieven, en dus ook briefgedichten, zijn het substituut voor wat niet mondeling gezegd kan worden omwille van de afstand in de tijd. Zij vormen als het ware een virtuele dialoog, een inhaalmanoeuvre in de tijd, omwille van de afwezigheid van de adressaat. Maar de geadresseerde wordt daarbij wel tekstueel opgeroepen en aanwezig gesteld. Het overbruggen van de tijd brengt dus twee tijdsdimensies in lijn: het nu van de briefschrijver, het toen van de geadresseerde. En dat is een van de interessante gegevens in deze bundel. Want mag de dialoog virtueel blijven, wat Ramon ertoe drijft vaak onbekende namen aan te schrijven, dat zegt heel veel over hemzelf. Iets daarvan is reeds te vinden in het motto dat hij ontleent aan Julianus, de prefect van Egypte in de 6de eeuw n.Ch. Het epigram over de scepticus Pyrrho van Elis met als titel Graf van een scepticus, luidt als volgt: ‘Pyrrho, zijt ge nu dood?’ – ‘Misschien.’ – ‘Ge weet het niet zeker, zelfs na uw dood?’ – ‘Misschien – ´t is in een graf niet te zien.’ Zo vertaalt Marietje d’Hane-Scheltema in De Spiegel van Laïs. De pointe Misschien – ´t is in een graf niet te zien is een vrije en goede weergave van Epechoo; skepsin epause tafos – letterlijk: ik schort mijn mening op; een graf maakt een einde aan een onderzoek. Het scepticisme van Pyrrho lijkt me ook de scepsis, de fundamentele twijfel, te zijn van Renaat Ramon. Maar het is goed te beseffen dat het Griekse scepsis oorspronkelijk betekent: onderzoek. Rebuten is niet alleen de bundel van de twijfel aan alles wat onecht is en systeembevestigend, het is ook een onderzoek, een queeste naar wat recht blijft omdat het echt is.

* * *

Onder de adressaten bevinden zich nogal wat figuren die tussen de plooien van de geschiedenis zijn gevallen, omdat zij in hun tegendraadsheid zelf werden tegengewerkt of opzij werden geschoven. Ramon heeft een bijzondere band met deze kritische geesten. Aan Aristarchos van Samos, die in de 3de eeuw v.Ch. omwille van zijn theorie van het heliocentrisme beschuldigd werd van atheïsme, schrijft de dichter:

Aristarchos –
niet de goden heb je beledigd,
maar de mensen.

In het briefgedicht aan de monnik en theoloog Jovinianus, die vijf eeuwen later in 389 werd veroordeeld omwille van zijn vrouwvriendelijke visie op het christendom luidt het:

Je geschriften zijn verboden en verbrand.
Je bent een ketter, Jovinianus. Gelukkig maar:
kwade dingen sterven niet.

Met hun antithesen en paradoxen illustreren deze twee voorbeelden uit de Griekse en de vroegchristelijke wereld hoe de dichter sympathiseert met wie in de marge van het zogenaamd correct denken moest optornen tegen een mainstream, die elk authentiek vrijdenken in de kiem smoorde en zelfs overging tot boekverbranding. De dichter aarzelt zelfs niet een brief te richten aan Kleanthes van Assos, auteur van de beroemde Zeushymne maar ook van een traktaat tegen de heliocentrist Aristarchos:

Ook voor jou toch is de zon het hart
van de hemel en dragen de woorden het vuur?
Hoe kon je dan tegen Aristarchos schrijven?

En fijntjes voegt hij er aan toe:

Ach, ik weet het, Kleanthes, ik weet het.
Het is een retorische vraag – maar ik wil
wel eens weten hoe je er nù over denkt,
nu je ginds verblijft, ten westen van de zon.

Opmerkelijk is de vertrouwelijke toon waarop de dichter zich tot zijn adressaten richt. In de stijl van de epistolografie hanteert hij in zijn briefgedichten resoluut de jij-vorm. Heel aannemelijk als het figuren betreft me wie hij zich verwant voelt. Maar minder evident als het gaat om auteurs zoals Kleanthes, die hij terechtwijst. De milde toon waarop dit gebeurt, tekent de dichter, die geen rabiate verdediger is van eigen stellingen en zijn correspondenten zelfs uitnodigt zelf mild te zijn. Zoals bijvoorbeeld in zijn gedicht gericht tot de bekeerling Arnobius van Sicca, een retor uit het begin van de 4de eeuw:

Je haat de heidenen, zoals je vroeger
de christenen haatte. Laat ze lopen,
broeder. Het zijn slechts mensen. Goden –
dat zijn tegenstanders op jouw maat.
En zij bijten niet.

* * *

De schrijver Ramon verwacht ook van schrijvers dat zij op de eerste plaats zichzelf zijn. Thucydides, die als strateeg in ongenade geraakte en in Thracië zijn fameuze geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog schreef, is een van zijn geadresseerden. De dialoog van de Meliërs – bladzijden die verplichte lectuur zouden moeten zijn voor alle imperialisten ter wereld, gesteld dat zij zich imperatieven lieten welgevallen – is het schrijnend relaas van de ondergang van het kleine Melos (Milo, waar de befaamde Venus van het Louvre vandaan komt). De Athener Thucydides ontmaskert in die schijndialoog zijn vaderstad, die het recht van de sterkste uitspeelt tegen de moed en de eerlijkheid van het kleine eiland.

Thoukydides – voor mij
is Milos jouw verhaal
van de ondergang:
moed tegen macht
en hoe een doorn steekt
in eigen vlees.

Van Horatius is bekend dat hij voorstander was van de gulden middenweg, de aurea mediocritas (wat al aardig ruikt naar mediocriteit) en dat hij in heel wat Carmina – en dus meer dan alleen maar in zijn bekende Carmen saeculare – zich als een hofdichter profileert in dienst van keizer Augustus. Zijn brief aan Quintus Horatius Flaccus eindigt als volgt:

Je bent een groot dichter, Horatius,
Maar dit valt me tegen van je: je prijst
de middelmaat, de vroomheid en de keizer.

Ook hier geen invectieven dus, maar de stille tegenstem van een zachte rebel, die het opneemt voor literatuur die de felheid van het leven bezingt en geen heren dient. Hoe anders dan tegenover Horatius, klinkt het tot Titus Cassius Severus in het langste gedicht uit de bundel. Van de arme sarcast bleef geen vers bewaard: Augustus liet zijn boeken verbranden en de dichter naar Kreta verbannen. De officiële dichters van Augustus worden in het onderwijs nog duchtig gelezen, moet Ramon bij zichzelf denken, maar ik wil de echte en moedige dichters redden uit de vergetelheid:

En toch, Cassius Severus,
ook nu nog: als jij spreekt wordt het heel stil
aan de boorden van de Tiber, stiller nog
dan aan de oevers van de Acheron.

* * *

Literatuur die literatuur redt van de vergetelheid. Het is een derde thema dat me treft in deze originele en intelligente bundel. Sinds Pindaros richten dichters een tempel van verzen op, die weer en wind weerstaat. Horatius schreef een oeuvre dat duurzamer moest zijn dan brons. Voor Shakespeare zou geen marmer, noch het vergulde monument van vorsten zijn grootse verzen overleven. Het papier leerde Gezelle dat zijn meester allang zou vergeten zijn als de bundel er nog was. Maar wat gezegd van Cornelius Gallus? Van Marcus Pacuvius van Brundisium? Stesichoros van Himera? Thamyris uit Thracië? De dichter stelt hen gerust vanuit het heden. Zijn verzen houden hen in leven: Je woorden wegen, Pacuvius schrijft Renaat Ramon. Of: ook in de steden die na ons komen / zal je naam over de lippen gaan, zegt hij tot Stesichoros. En van Thamyris, wiens stem werd ontnomen door de muzen die zich door hem wisten uitgedaagd, luidt het: Toch heeft je overmoed / je naam bewaard, Thamyris, meer dan je lied. De mooiste troost is weggelegd voor Cornelius Gallus, die naast de zoon van Apollo mag zetelen: Die verzen worden / nergens meer gehoord, Gallus, maar je zetelt / naast Linus, je schaduw baadt in de rivier. Het meest beklemmende eerbetoon krijgt de onbekende historicus Bruttidius, die in de tiende satire van Juvenalis vreest voor de wraak van de keizer. De minimalist Ramon roept de man weer tot leven in één vers van amper vier woorden, die zinderen tegen het wit van papier: Je naam leeft, Bruttidius. Het lijkt een poëticaal statement van de dichter: wat verloren ging, wat slechts fragmentarisch bewaard bleef, wat verzwegen werd of gemuilkorfd, wil ik in herinnering brengen en die herinnering met het woord vasthouden.

* * *

Renaat Ramon schrijft brieven in verzen en respecteert daarbij de eisen van het briefgenre: beknoptheid en helderheid, ondanks de vele allusies op antieke teksten en anecdoten (onder meer van de filosofenbiograaf Diogenes Laërtius). Maar die wegen geenszins op de lectuur dankzij een natuurlijk taalgebruik, wars van elke pedanterie die bij zo’n opzet om de hoek zou kunnen loeren. Ramon schrijft op de eerste plaats vooral epistolaire gedichten, in wisselende toonaarden van bewondering en sympathie, troost en berisping, gedragen door een heel natuurlijk ritme in de sonore verzen. De hele bundel klinkt als een andante, dat rustig en onopgemerkt van auteur naar auteur kabbelt, maar door zijn sterke beelden en een variatie van figuren en tropen steeds weer de aandacht trekt. Op één element wil ik nadrukkelijk wijzen: de metafoor van het vuur duikt vanuit verschillende invalshoeken steeds weer op. De asceet en kerkvader Basilius de Grote wordt gevraagd mild te zijn en zijn discipelen niet te weerhouden van het vuur, Diagoras wordt gevolgd door het vuur van zijn ongeloof. Aan Euagrios van Pontos schrijft de dichter dat zijn werken verbrand werden, want: Demonen voeden zich met vuur. Julius Montanus laat hij nog eenmaal voordragen: ‘Phoebus begint zijn gloeiend vuur te ontsteken…’ Aan Palamedes vraagt hij in de Hades te waken bij de Phlegethon: en waak ook jij, / aan de boorden van de brandende rivier. En aan de scepticus Pyrrho schrijft hij:

Goed, Pyrrho, goed: laten wij de goden
in het midden, bij het vuur. En laten wij
het vuur aanwakkeren tot het alles
wat aan twijfel onderhevig is verslindt.

Het vuur lijkt me het beeld te zijn van de onderhuidse spanning die bij de zachte rebel Ramon voelbaar is en in zijn ogenschijnlijk rustige verzen steeds weer opvlamt als wat hij ergens noemt: de goddelijke vonk. Het is het beeld van zijn vrijdenken, naar het woord van de surrealist Louis Scutenaire: La poésie, c’est la liberté d’esprit.

* * *

In zijn Rebuten, dames en heren, schrijft Renaat Ramon vanuit het nu naar mensen uit het verleden, die hij voort laat leven in een heden dat niet eindigt, precies omdat literatuur hen vast weet te houden en omdat hun ideeën en wedervaren steeds weer de onze zijn. Rebuten betekent in de handelstaal uitschot. Zo aankijken tegen de Oudheid is iets heel anders dan kijken met de 18de-eeuwse ogen van Johan Winckelmann, die de antieke wereld alleen maar idealiserend kon omschrijven als “edle Einfalt und stille Grosse”. De moderniteit dwingt Ramon ertoe de Oudheid niet meer op een voetstuk plaatsen, maar alleen schuchtere pogingen te ondernemen tot fragmentarische gesprekken met herkenbare figuren, reconstructies om de tijd in te halen, juist zoals hij als beeldend kunstenaar op de kaft van zijn bundel de Griekse zuilen en de architraaf invult met talige elementen. In het licht van figuren, die in de Oudheid in de marge kwamen te staan, is de titel – gedrukt in vurig rood – een schitterende gelaagde vondst: naast uitschot zijn rebuten ook onbestelbare brieven. Want net als Petrarca weet de dichter dat zijn brieven niet zullen aankomen. Hij weet wel dat zijn schrijven verhelderend en bevrijdend werkt voor hemzelf. En dat het antwoord binnen die uitgestelde dialogen zal moeten komen van de lezers van zijn bundel, de eigenlijke adressaten.

Als het zo is dat Renaat Ramon geen antwoorden moet verwachten uit de Hades, laten wij hem en de uitgever alvast toewensen dat de respons hic et nunc des te groter wordt. Daarop en op Renaats dichterschap moeten we drinken, met zijn eigen verzen aan Silvanus, waarin ik één woord wijzig:

              “Vanavond,
Renatus, heffen wij het glas op je leven,
drinken wij op je gedichten, geschreven
of niet.”