Met jou open ik oude nachten

Met jou open ik oude nachten

Patrick Lateur stelde op 15 oktober 2004 in de Abdij Keizersberg in Leuven Met jou open ik oude nachten voor, een verzameling van de mooiste wijngedichten uit de wereldliteratuur, verzameld door René Smeets en uitgegeven bij Uitgeverij P. Lees hieronder zijn toespraak.

Dames en heren,

Exact tweeduizend kilometer zuidwaarts, de Alpen over, verder dan Rome en nog voorbij Napels ligt een oude Griekse stad. Van de tempels van Paestum nam Goethe in maart 1787 een van zijn heerlijkste indrukken mee, zo blijkt uit zijn Italienische Reise. En Couperus schreef vanuit hetzelfde Pesto in februari 1894 een brief waarin hij het heeft over de zwarte kroeskoppen van de mozarella-buffels en de sponzige steen van de tempelzuilen. Maar wat beide literaire reizigers niet zagen, is het Graf van de Duiker, dat pas in de zomer van 1968 werd ontdekt, voor mij en voor velen het absolute hoogtepunt van de Griekse schilderkunst. Op de vier opstaande wanden heeft een symposion plaats, een drinkgelag. Je ruikt er de wijn in schalen op de bijzettafeltjes of in de handen van de gasten. En uit de beschilderde wanden weerklinkt ook muziek van citers en dubbelfluiten en de lyrische stem van een zanger-dichter. Ik vermoed iets als de nagalm van het lied van Anacreon, dat Paul Claes als volgt vertaalt:

Laten we ons niet langer
bezatten als barbaren
met kabaal en gebral,
maar rustig wijn proeven
bij een lied van lof. 

“Rustig wijn proeven / bij een lied van lof.” Wijn en poëzie dus. Dat is het wat de duiker van Paestum op de dekplaat van het graf meeneemt in zijn gestileerde duik in het water naar het onbekende later.

* * *

Wijn en poëzie: de Grieken hadden er twee goden voor. Dionysus, begeleid door bacchanten en saters, en Apollo, aanvoerder van Muzen en dichters. Dionysus, de god van de bedwelming, de roes, de vervoering, de extase. Apollo, de god van de rust, de beheersing, de orde, de maat, de harmonie. Maar die opsplitsing van het apollinische en het dionysische kan misleidend werken. Roes en rust zijn complementair en vormen iets als een twee-eenheid. In ieder van ons raast een Dionysus en rust een Apollo. Een zeldzame keer wordt dat door een dichter verwoord. De derde strofe van Apollo en Dionysos, een gedicht van Jan Engelman:

En twee-in-een is àlle wezen
dat leeft en lijdt en zich bezint.
Een heilig licht, hoe uitgelezen,
maakt niet de wijnstok onbemind. 

En in de bloemlezing, die wij vandaag boven het mengvat houden, vind ik nog een tweede spoor bij een vrij onbekende Nederlander uit de 19de eeuw, Quirinus Johannes Goddard, professor in de anatomie te Rotterdam, die voor zijn studenten geneeskunde ter afwisseling ook drinkliederen schreef:

Ter eer dan van Bacchus de glazen geledigd,
Hij plantte den wijngaard en schonk ons dit nat;
Komt, word’ door dees teug ook Apollo bevredigd,
Wij paren aan ’t drinken een lustig vivat.

Er zijn, terloops gezegd, wel meer geneesheren die de wijn bezongen in verzen. Onlangs had ik het in Passa Porta – de wijn had reeds rijkelijk gevloeid – met Frans Denissen over Francesco Redi, die in de 17de eeuw aan het hof van de Medici in Florence lijfarts was van de groothertog. Zijn Bacco in Toscana chus in Toscane) uit 1685 is een 980 verzen lange dithyrambe over de wijn met liefst 370 voetnoten, een schitterend stuk waaruit voor deze bloemlezing moeilijk een stukje te isoleren valt. Maar ik geef als smaakmaker voor de gelegenheid graag de aanhef daarvan:

Uit het Oosten, uit India kwam
de roemrijke Temmer, de god van de wijn.
Hij hield halt, hield vrolijk verblijf
op de Etruskische heuvels hier in de buurt.
En waar de villa van de hertog
haar gelaat in de wolken verheft,
zat hij op een dag met de lieflijke Ariadne
op de groenende weide
en dronk en zong
en zei tot zijn mooie godin:
“Als het zoete bloed van druiven
niet alle aderen nieuw leven geeft,
dan is ons leven veel te vluchtig en
veel te kort en steeds alleen maar leed.”

* * *

Dames en heren, als wij wijn drinken, als wij verzen lezen, dan voert een god in ons en brengt hij ons in vervoering. Wij worden enthousiast en dat woord is hier op zijn plaats. En behoort het woord strikt genomen tot de dionysische wereld, ook Apollo neemt bezit van ons door poëzie en maakt ons enthousiast. En beide goden inspireren dichters tot verzen in wisselende toonaarden, zoals de bloemlezing van René Smeets mooi illustreert.

Er zijn verzen waaruit een apollinische rust spreekt. Het beschouwende oog van de dichter geniet van de wetenschap dat de wijn in de vaten zijn tijd nodig heeft en die ook krijgt. Jan Willem Schulte Nordholt in psalm ter ere van de wijn : 

De graven waar de vaten wijn
in heiligheid gekelderd zijn,
zijn vruchtbaar als de duisternis
waarin een god begraven is. 

In bijna religieus geladen woorden kijkt Schulte Nordholt uit naar de verrijzenis van de wijn uit de donkere diepten. Heel anders klinkt het vers van Emile Goudeau, neef van Léon Bloy maar eerste klasse bohémien in het Parijs van het fin-de-siècle. Zijn Ode aan de wijn uit Poèmes Parisiens klinkt volks en guitig, en dionysisch gulzig. De eerste strofe in een vertaling van René Smeets:

vloeide de lekkere wijn van Beaune door de Seine
En was er in mijn maag plaats voor ontelbare wijnen
Dan zocht ik een plaatsje onder een brug
En languit liggend op mijn rug
Zou ik de Seine in mijn lijf laten verdwijnen. 

Maar wijn kan ook apollonisch werken, rustig en beheerst worden gedronken. En vrienden uitnodigen tot een gesprek dat in andere omstandigheden onmogelijk leek. Een fragment uit De wijn van Virgilio Giotti in een vertaling van Frans Denissen:

De glazen op de houten tafel
en dicht bij jou een goede vriend.
Je praat en je vertelt elkander
iets wat nooit eerder is verteld,
iets waar je nimmer kans toe zag
om het te zeggen aan de ander. 

De verstilling van poëzie, de roes van de wijn of het rustgevende ervan. Er is ook de bedwelming van de poëzie, de haast bacchische betovering. Hoe poëzie dionysisch kan werken illustreert een vers van Hilde Keteleer, Degustatieles Eén. De titel verraadt de metafoor van de wijn, die meespeelt in de beleving van de eros. De laatste verzen van het gedicht:

De eerste dronk is tasten met gestrekte armen,
De tweede vraagt om nieuwe adem.
Dan de armen buigen
zodat de schouderbandjes naar beneden glijden
en de hals een glazen lijn
aan de verraste proever biedt.
De zinnen ten volle naar buiten keren. 

* * *

Dames en heren, ik wil de vervoering niet verder drijven, maar het ordenend principe van de uitgever indachtig, moet ik de spreektijd respecteren. Deze fraaie anthologie kreeg de titel mee van een vers uit het gedicht Aan de wijn van Borges in een vertaling van Bart Vonck:

Sesam ben je, met jou open ik oude nachten,
en in het harde duister ben je gave en kandelaar. 

Met jou open ik oude nachten bezingt in wisselende toonaarden niet alleen de wijn, maar laat ook met wisselende accenten het hele menselijk bedrijf meeklinken, zoals van elke anthologie wordt verwacht. Bladerend zult u via de omweg van de wijn momenten van herkenning beleven in verzen van Palladas en Propertius, Potgieter en Poesjkin, Pavese en Pessoa – om me te beperken tot de letter van de uitgeverij. De bloemlezing oogt bijzonder mooi met foto’s van Philippe Debeerst, met een keur van houtsneden, etsen en tekeningen uit diverse eeuwen bijeengezocht door Johan van Cauwenberge en vooral met 166 wijngedichten die René Smeets uit 27 eeuwen poëzie bijeenlas. Peer de Mayer goot alles in een fraaie vorm. Deze bloemlezing had de Duiker van Paestum ongetwijfeld graag in zijn graf meegenomen. Met zijn symposion voor ogen moeten wij de wijn blijven drinken en de verzen blijven lezen of als u wilt: de poëzie proeven en de wijn lezen. Met een knipoog naar Horatius: nunc est bibendum, nunc est legendum – nu moeten we drinken, nu moeten we lezen – wens ik u veel genoegen toe bij het lezen, het kijken en het drinken.