Claus gaat klassiek met Claes

Paul Claes vertaalde in Eros 21 gedichten van Hugo Claus naar het Latijn. Patrick Lateur schreef voor Muziek & Woord onderstaande recensie.

Claus gaat klassiek met Claes

Hoe dood kan een taal wel zijn die voor de meeste mensen dood lijkt? En hoe klinkt dan plots het Latijn in Gibsons The Passion of the Christ of hoe worstelt men zich door Rowlings Harrius Potter et Philosophi Lapis? Het Latijn lijkt net iets minder dood dan het oud-Grieks. Vraag is of het begrip ‘dode taal’ wel relevant is. Voor jonge latinisten heeft Asterix in de taal van zijn bezetter geen geheimen meer en sinds Harm-Jan van Dam in 2000 verhaaltjes van Annie M.G. Schmidt vertaalde, huppelt Jippus et Jannica van herdruk naar herdruk. Wekelijks brengt de Finse radio een kort nieuwsbericht in de taal van Cicero en op de website [www.yle.fi] kan men onder Nuntii Latini het wereldnieuws volgen. Het bericht van de diefstal van De Schreeuw van Munch begint er als volgt: “E museo Osloensi duae picturae celeberrimae ab artifice Norvego Edvard Munch factae furto surreptae sunt: quarum una erat tabula Clamor appellata, alterum autem opus litographicum, cui nomen Madonna. Quae artefacta multis milionibus euronum aestimantur.” Een en ander kan exotisch klinken, maar dergelijke publicaties en initiatieven hebben ongetwijfeld een didactisch belang. Tijdschriften als Vox Latina (Saarbrücken), Melissa (Brussel) en de elektronische periodiek Retiarius brengen uitsluitend bijdragen in het Latijn en verder is er op wetenschappelijk niveau The International Association for Neo-Latin Studies waain het Seminarium Philologiae Humanisticae van de KU Leuven een leidende rol speelt. Een heel ander verhaal is de plaats die het Latijn nog steeds inneemt in het Vaticaan. De stichting Latinitas vult er voortdurend het Lexicon Recentis Latinitatis aan en brengt op de Vaticaanse website een kleine keuze van nieuwe woorden (een playboy heet er iuvenis voluptarius).

Eenzelfde overtuiging verbindt alle vormen van latiniteit op alle niveaus: de taal van het antieke Rome blijft een universele cultuurtaal waarin kan worden gecommuniceerd en gecreëerd. Als Het Beschrijf vorig jaar aan Paul Claes de opdracht gaf een selectie van Clausgedichten te verlatijnsen, dan moet ook bij Paul Buekenhout dat aanvoelen hebben doorgewogen. Voor Clausverzamelaars zal het boekje misschien een curiosum zijn, maar meer dan dat is deze onderneming eigenlijk een voortzetting van een traditie. Het meest markante voorbeeld uit de vorige eeuw is het werk van Hendrik Vroom die in zijn tweetalige Centum carmina (Leiden, 1967) honderd gedichten van Guido Gezelle in het Latijn bracht. En Paul Claes zelf verzamelde 24 gedichten uit de westerse literatuur in zijn Metamorphoses uit 1991, een meesterstukje dat in 1999 een herdruk kreeg. Apollinaire, Brecht, Pessoa, Pound, Gerhardt e.a. klinken er in het Latijn zo helder en precies, dat men zich af kan vragen wat er eerst was: de vertaling of de brontekst. Claes maakt zelf de opmerking in Het Hart van de Schorpioen, waar hij zijn vertaling van Van Ostaijens Melopee opneemt: “Het vertaalde lijkt het oorspronkelijke, zo definitief klinkt het Latijn.” (154)

Clauskenner Claes (De mot zit in de mythe, 1984) brengt in Eros 21 gedichten samen die in een mix van toppers en door de Oudheid geïnspireerde verzen een staalkaart vormen van Claus’ poëzie. Een vertaler is een aandachtig lezer, die steeds weer nieuwe keuzes moet maken. Voor Claus’ vrije verzen past zelden een strak metrum, maar voor korte of elegische gedichten kiest Claes voor het klassieke distichon, wat o.m. in Sonnet XIV – Als dan het koperen keteltje vol as… tot vier tegelijk beklemmende én speelse dubbelverzen leidt. Woorden weet Claes precies weer te geven, maar hoe moet het met de naam Weverbergh, op wiens kritiek Claus in Dagboekbladen 12 inhakt? Bij Claes heet hij Zoïlus, naar de kleingeestige criticus van de Homerische gedichten. Een gelaagde vondst! De beknopte zegging én muzikaliteit van het Latijn buit Claes voortdurend uit. Ademen – kijken – geen begeerte (het beginvers van Genesis 13) klinkt in het Latijn nog mooier: Spiro – specto – non spero. Zelfs voor een niet-latinist moet het klankspel opvallen. Soms klinkt een en ander te mooi, geeft Claes zelf toe. In het wrange Oudeman met varken hebben woorden als Paster, Karkas, Herte, Chance een connotatie die niet met Pastor, Corpus, Cor en Fortuna weer te geven is. Maar Claes weet hier weer te compenseren door expressieve plaatsing en klanken of met een Horatiaanse knipoog: mijn Ziele, mijne Kameraad in zijn Mande wordt Animae Dimidium, Comitem in Corbe.

Maar wat moeten we met een Latijnse Claus? Latinisten zullen hem, hopelijk ook in de klas, misschien nog beter begrijpen (want deze vertaler is een exegeet). Wie geen Latijn kent, moet hem toch maar lezen of beluisteren (want deze vertaler is een zanger). Clauslezers wezen verheugd dat hun auteur ook voor Europese zonderlingen in het Latijn toegankelijk is. En vooral: iedereen kan in één boek genieten van de heerlijke nutteloosheid van twee taalbeesten.

Verschenen in: Muziek & Woord, 30(2004)361, p. 6.