Een teken om verder te doen

Eva, 12de eeuw, Musée Rolin, Autun

Tine Moniek had voor het literair magazine Meander een gesprek met Patrick Lateur. Je kan de tekst hieronder lezen.

Een teken om verder te doen

De naam Patrick Lateur kan wel eens een belletje doen rinkelen. Wellicht had u al een gevierde vertaling van hem in handen. Of een originele bloemlezing. Of een mooie dichtbundel. Kortom, eigenlijk is het een schande als de naam geen belletje doet rinkelen. Als pootje uit dezelfde aarde, Beveren-Leie, had ik een gesprek met hem.

Eerst en vooral een nogal overbodige vraag, maar die wellicht op vele lippen brandt: Bent u verwant met Frank Lateur (Stijn Streuvels)? 

We komen uit dezelfde streek en stam en het zou wel leuk zijn de precieze verwantschap te kennen, maar eigenlijk vind ik dat op zich niet zo belangrijk.

De straat waar u vroeger woonde heeft een nogal poëtische achtergrond. Voor u woonden er nog 2 dichters: Deken De Bo en André G. Christiaens. Wanneer hebt u voor het eerst gevoeld dat u ook in een poëtische bodem aardde?

Ik droomde al van boeken schrijven toen ik 16-17 was, alleen wist ik toen nog niet welk soort boeken. Het viel me toen op dat ik een andere kijk had op de dingen dan mijn leeftijdsgenoten. Maar het kwam er niet van. Als classicus en leraar was ik een bezige bij. Toen ik ongeveer 40 was, was ik de drukte beu. Tijd om mijn langgekoesterde droom waar te maken. Veel van mijn zomervakanties in de jaren ’70 had ik doorgebracht in Italië, o.m. in de Romeinse catacomben. Die hielden me zo in de ban, dat ik toen al onbewust moet hebben beslist mijn ervaringen in de catacomben neer te schrijven. Ruim een decennium later was het zover. Ik schreef in alle stilte mijn eerste gedichten. Niemand wist er iets van. Ik stuurde ze in 1988 in voor de Basiel de Craeneprijs, de debuutprijs van de Vlaamse Poëziedagen, en ze werden bekroond.
Voor mij was dat een teken om verder te doen. Een waardering door een onbekend objectief publiek was voor mij een zeer sterk signaal. Iets gelijkaardigs overkwam me met het vertaalwerk. In 1991 maakte ik een vertaling van een opgelegd stuk uit de Pharsalia van Lucanus n.a.v. een jubileum van het tijdschrift Kleio (het tijdschrift voor oude talen en antieke cultuur van de KU Leuven). Ook dat stuk werd bekroond en ook dat was voor mij een signaal. Allerlei omstandigheiden zorgden ervoor dat de bal plotseling heel snel aan het rollen ging. In 1991 verscheen mijn eerste dichtbundel Catacomben bij het Poëziecentrum. Inmiddels werkte ik aan een bloemlezing Griekse literatuur (1993) en begon ik aarzelend aan de vertaling van Pindaros, die vele jaren later zou verschijnen (1999). Mijn eerste vertaling, het anonieme Pervigilium Veneris, verscheen in 1996 bij uitgeverij P. Maar zonder die twee kleine bekroningen was ik wellicht niet naar buiten getreden met mijn werk.

“Ik schrijf geen poëzie die gensters slaat, ik wil op een rustige manier af en toe iets zeggen en dat doe ik het liefst in een klassieke vorm. Ik ervaar die trouwens niet als een keurslijf: het is geen dwang maar een drang.” (Poëziekrant, september-oktober 2001) Ervaart u dit nog steeds?

Ja, ik voel me prima in mijn manier van dichten. Toen ik bezig was met de vertaling van Pindaros, voelde ik het strakke metrum dat ik me had opgelegd, eerder aan als dwang. Maar dat kan men met vertalingen wel eens meer hebben. Bij Pindaros voelde ik aan dat het beter was om het vrije vers te hanteren. Dat paste me toen beter, vooral omdat Pindaros zoveel verschillende metra gebruikt. Even dacht ik er op dat moment aan om ook in mijn eigen werk los te komen van de klassieke vorm. Maar uiteindelijk voel ik me nog steeds het best in mijn oorspronkelijke dichtvorm.

U schrijft klassieke gedichten, u vertaalt klassieke gedichten en u maakte al verschillende bloemlezingen. Zijn die dingen ook los van elkaar mogelijk?

Nee, helemaal niet. Ik ervaar het vertalen en het schrijven als een wisselwerking. Een vertaling inspireert me ook in mijn omgang met taal in mijn eigen werk. Het ene staat niet los van het ander. Die complementariteit vind ik erg belangrijk. Ook voor classici als Piet Gerbrandy en Paul Claes is dat het geval, denk ik. Het bloemlezen is een geval apart: het overvalt me soms. Op reis heb ik altijd veel boeken in mijn koffer. Ik vind het ontzettend boeiend om dan gedichten, proza of essays te lezen die plaatsen waar ik rondloop, als inspiratiebron gebruikten. Zo krijgen mijn bloemlezingen langzaam vorm. In alles wat ik doe, het schrijven, het vertalen en het bloemlezen, vind ik het noodzakelijk dat ik er iets van mezelf kan instoppen. Als men mij ooit vraagt om een bloemlezing te maken van bijvoorbeeld verzen over bloemen, dan zal ik dat niet doen. Ook gedichten in opdracht, gelegenheidsgedichten dus, zijn niet écht aan mij besteed, tenzij ikzelf een band heb met die gelegenheid.

Als je vertaalt, kom je dan wel eens werk tegen waarvan je denkt:”Ik wou dat ik het zelf had geschreven?”

Ja, de eerste vertaling die ik in boekvorm publiceerde. Het refrein van het Pervigilium Veneris blijft zo hangen:

Cras amet qui numquam amavit,
quique amavit cras amet!

Ik heb die woorden toen bewust heel breed vertaald om te breken met vroegere versies:

Morgen moet de liefde komen
bij wie nooit heeft liefgehad,
bij wie ooit heeft liefgehad
moet de liefde morgen komen.

In de vernieuwde bloemlezing van Komrij zijn enorm veel nieuwe dichters opgenomen die helemaal geen link meer maken met de klassieke poëzie. Kan u ook daarvan genieten?

Natuurlijk. Ik zie het zo: in het huis van de poëzie zijn vele kamers… Van de zolder tot de kelder. Ik kan bijvoorbeeld enorm genieten van een dichter als Ilja Leonard Pfeijffer. Een boodschap zoeken doe ik niet: wel hou ik heel veel van het taalspel van die man. Ook een podiumdichteres als Eva Cox vind ik geweldig. En ook hermetische poëzie weet ik te waarderen. Je kunt het vergelijken met het binnenstappen in één of ander museum voor actuele kunst. Ook in beeldend werk moet je met geduld inkomen.

U gaat me toch niet vertellen dat u alles wat als ‘poëzie’ verkocht wordt ook waarlijk Poëzie noemt?

Er zijn een paar minimale eisen waar iets moet aan voldoen om als poëzie beschouwd te worden: krachtige taal, een mooie vorm (vrij of vast), een ritme, muzikaliteit en uiteraard verdichting: een gedicht moet dicht zijn, condens. En voor mij persoonlijk blijft het evenwicht tussen inhoud en vorm heel belangrijk.

U bent deze zomermaanden gastdichter in Beauvoorde. Vijftien kalligrafisch uitgeschreven gedichten van u zullen opgehangen worden in het dorp. Maakt u hiervoor een selectie uit uw bundels?

Nee, ikzelf maakte geen selectie. Beauvoorde heeft andere dichters uitgenodigd om één gedicht van mij te kiezen. Hun verantwoording is terug te vinden in de poëziebrochure die je als routeplanner van de poëziewandeling meekrijgt. Ze selecteerden uit mijn gebundelde en verspreide gedichten.

De lezers van Meander zijn Vlamingen en Nederlanders. Velen van hen kennen de poëziezomer van Watou, maar slechts weinigen kennen de zomer in Beauvoorde, terwijl de twee dorpjes eigenlijk vrij dicht bij elkaar liggen. Wat maakt Beauvoorde de moeite om ook even die richting uit te gaan?

Beauvoorde gaat voor de dertigste (!) keer poëtisch. Gastdichters in de laatste drie jaren waren achtereenvolgens Hubert van Herreweghen, Jozef Deleu en Miriam Van hee. Maar het dorp is ook een prachtig, landelijk en oervlaams plekje met een mooi kasteel en bovendien een verrassend culinair aanbod. Natuurlijk is het concept van het Beauvoorde-festival aan te bevelen. Naast de poëziewandeling is er ook een expositie in de kerk van Vinkem. Ideaal is van je zomers bezoek aan Beauvoorde een daguitstap te maken. Op zondag valt er ook wel een artiestenmis mee te pikken of tijdens de week een of andere lezing in de poëzieschuur.

Dit jaar verschijnt bij Athenaeum-Polak & Van Gennep uw vertaling van een ruime selectie uit de notities van Leonardo da Vinci. Dit wordt een eerste grote verzameling van vertaalde fragmenten van Da Vinci in ons taalgebied. Met ‘aantekeningen’ zal u een totaalbeeld geven van hem als schrijver, denker, schilder, wetenschapper en uitvinder. De homo universalis dus. Welke kunst zou u als schrijver graag nog willen beoefenen?

Muziek: piano, orgel of clavecimbel, maar de tijd ontbreekt me. Ik hou me bij mijn schrijven. De gedachte nooit alles te kunnen doen wat ik zo graag zou doen, knaagt niet in mijn hoofd. Ik voel me momenteel in een fauteuil: alles wat ik droomde krijgt langzaam vorm. Jaren geleden nam ik me voor ooit Lucretius te vertalen. Van een uitgever kwam twee jaar geleden de vraag om dat ook effectief te doen. Een heel bijzonder vooruitzicht is dat. Ik ben een epicurist, maar als het ooit zover komt dat ik niet meer kan schrijven, word ik wellicht stoïcijn: “wat geweest is, is geweest…”

Eva, 12de eeuw, Musée Rolin, Autun
Eva, 12de eeuw, Musée Rolin, Autun

Gislebertus te fecit
Eva, 12de eeuw. Musée Rolin, Autun

De koude noorder heeft je eeuwen in een kil
portaal gepijnigd en de breuklijn van de tijd
sneed ijzig door je frêle lijf. Nu hang je stil
tussen de lovers als een kat die zich vermeit.

Want in de stroomlijn van je haren plukt je hand
nog steeds de vrucht der kennis die de slang je wees.
Je weet je naakt en mooi en teder in dit land
van Eden. Uit je ogen bijt de onrust in je vlees.

Wie kijk jij na? Wie heeft je schoonheid mogen raken?
Toen Gislebertus jou versteende, lag een schijn
van vrede in de groeven van zijn oud gelaat en
zijn handen beefden. Nu wil ik je Adam zijn.

Patrick Lateur
in: Vlaanderen, 44(1995),3, p. 27.

Verschenen in: Meander, nummer 242, 6 juni 2004.