30e Poëziefestival Beauvoorde

Poëziefestival Beauvoorde

Op 30 mei 2004 stelde Jooris van Hulle in de Ridderzaal van het kasteel van Beauvoorde de poëziewandelbrochure voor het 30e Poëziefestival Beauvoorde voor, met Patrick Lateur als gastdichter. Het festival vindt plaats van 1 juli tot 30 augustus 2004.

Vijftien kalligrafisch uitgeschreven gedichten presenteren zich in het landelijke Beauvoorde langs een poëzieweg van een kilometer, van de Wulveringemkerk naar de Vinkemkerk.
In de wandelbrochure zijn de gedichten opgenomen met commentaren van Hubert van Herreweghen, Paul Claes, Ivo van Strijtem, Bart Vonck, Johan van Cauwenberge, Renaat Ramon, Frans Terrie, Gwy Mandelinck, Willy Spillebeen, Lucienne Stassaert, Koen Stassijns, Claude van de Berge, Hilde Keteleer, Luc Devoldere en Lut de Block.

voorstelling door Jooris van Hulle

Dames en heren,

Straks wordt Beauvoorde weer een dorp vol poëzie. Wandelen, vertoeven, dat ene moment van stilstand (letterlijk en figuurlijk) zoeken bij de poëzie. Stilstand die, om naar het gedicht van Anton van Wilderode, jarenlang een graag geziene gast hier in Beauvoorde, mensen gelukkig kan maken. Zo luidt het slotvers van Van Wilderodes kwatrijn ‘Geluk’: ‘Lezen is onbeweeglijk langzaam leven.’

Het Beauvoordse poëziefestival viert dit jaar zijn dertigste verjaardag. Tradities zijn er om, tot spijt van wie het benijdt, in ere te worden gehouden. Dit jaar focust Beauvoorde op de poëzie van Patrick Lateur: langs een aangenaam en inspirerend wandelparcours worden 15 gedichten kalligrafisch uitgeschreven. Daarbij wordt de bezoeker/lezer een fraai verzorgde, mooi geïllustreerde brochure ter beschikking gesteld, waarin de geselecteerde gedichten een voor een van commentaar worden voorzien door collega’s-dichters. Vijftien stemmen die ons vanuit hun eigen visie, vanuit een vaak eigenzinnig aanvoelen en benaderen de weg kunnen wijzen naar een mogelijke interpretatie van de gedichten van Lateur. In de volgorde waarin ze werden opgenomen in de brochure, een volgorde die de chronologie van verschijnen van de gedichten respecteert, zijn de commentaren van de hand van Paul Claes, Ivo van Strijtem, Bart Vonck, Johan van Cauwenberghe, Renaat Ramon, Frans Terrie, Willy Spillebeen, Lucienne Stassaert, Claude van de Berge, Hilde Keteleer, Luc Devoldere, Hubert van Herreweghen, Gwy Mandelinck, Koen Stassijns en Lut de Block.

Geef toe, dames en heren, Lateur bevindt zich hier in mooi gezelschap. En zijn poëzie verdient het. Ik ken Patrick Lateur als iemand die liever niet in het volle licht van de schijnwerpers gaat staan. Veeleer is en blijft hij iemand die, om het met het slotvers van het gedicht ‘Portiuncula’ uit de bundel ‘De speelman van Assisi’ te zeggen, ‘veel om weinig gaf’. In zijn literair oeuvre, dat naast de poëzie bloemlezingen en vertalingen omvat, profileert Lateur zich als de ‘homo viator op zoek naar de kern’. Zelf vatte hij het ooit als volgt samen: ‘Ik ervaar dichten, vertalen en bloemlezen als één grote zoektocht binnen de klassieke wereld en in een breder verband binnen de westerse cultuur, vanuit het gevoel dat daar vragen worden geformuleerd die voor ons herkenbaar zijn. Daarnaast zie ik de wereld als één groot weefsel van teksten.’ Of nog, meer bepaald waar het zijn visie op poëzie betreft, dit citaat dat ik uit de inleiding licht bij zijn bloemlezing ‘Het is vandaag de datum’, een bundeling van 365 dag-, maand- en seizoengedichten: ‘Misschien is poëzie in staat het vluchtige moment even vast te houden. Met de kracht van de taal bezweert de dichter de vlucht van de tijd. De magie van het woord roept zelfs de vluchtige lezer tot de orde en dwingt hem stil te staan. Poëzie houdt de dingen én de lezer even vast.’

Die uitdaging, of is het eerder een uitnodiging, is ook impliciet aanwezig in de vijftien commentaren die in de brochure werden bijeengebracht. Geen uitputtende of technisch- literair-wetenschappelijke analyse van de geselecteerde gedichten, maar de neerslag van de eigen en persoonlijke lectuur van de poëzie die, met een verwijzing naar Lateurs net geciteerde uitspraak, ‘de dingen en de lezer even weet vast te houden.’

Meer dan eens zijn de commentaren uit de brochure zo opgevat dat ze vanuit het gedicht dat besproken wordt, uitgroeien tot een confrontatie. Neem bijv. de bijdrage van Paul Claes. Lateurs gedicht ‘Campagna Romana’ uit de bundel ‘Catacomben’ wordt in profiel geplaatst door er ‘Römische Campagna’ van Rainer Maria Rilke naast te plaatsen, met als niet onbelangrijk addendum erbij de vertaling ervan die Paul Claes maakte. En als Lateur het in zijn gedicht ‘Adam en Eva’, eveneens uit ‘Catacomben’ in de openingsverzen heeft over ‘de gewijde uren uit mijn kinderjaren’ en ‘het beduimeld prentenboek’ dat hij doorleest, brengt dit Ivo van Strijtem in zijn commentaar bijna spontaan op zijn lievelingsauteur José Saramago.

Dat omgaan met het verleden, een persoonlijk verleden maar evenzeer het klassieke erfgoed, bepaalt in grote mate het poëtisch credo van Patrick Lateur. In haar benadering van ‘Mons Esquilinus’ uit de bundel ‘Rome & Assisi’ verwoordt Lucienne Stassaert het als volgt: ‘Het tijdsbesef fungeert als een scharnier, de dichter gebruikt de tegenwoordigheid van het verleden om het in woord en beeld te brengen.’ En even veelzeggend is het besluit waartoe zij komt: ‘Zo kan de dichter tijden doorkruisen, en wellicht is het dat wat hij van een lezer verwacht: dat er niets echt voorbij is, zolang wij naar dichters luisteren.’ Op die manier verwoordt Lateur, zoals Hubert van Herreweghen het schrijft, ‘de bijna onzichtbare trilling van de verheven dingen.’ Zo vaak immers kantelen de gedichten vanuit het descriptieve naar het meditatieve, zo vaak immers voert de ‘moral imagination’ van de dichter vanuit de waarneming naar het ervaren van de onverbiddelijke samenhang van het goddelijke en het humane.

De brochure, dames en heren, die u hier overhandigd krijgt, is een boekje om te koesteren. En daar zijn verschillende redenen toe.

Lateur wordt er nu voor eenmaal zelf gebloemleesd, daar waar hij anders zelf altijd wel ergens bezig is met het bijeensprokkelen van teksten die hem blijvend aanspreken.

Daarnaast zeggen de commentaarstukken vanuit hun originaliteit ook telkens iets over de auteur zelf: wat hem of haar bezighoudt, hoe hij of zij vanuit een persoonlijke betrokkenheid bij de poëzie in het algemeen de verzen van Patrick leest en interpreteert.

En ten slotte, het is een boekje dat ons allen dat mooie geheim van de poëzie weer, zij het slechts voor even, laat binnentreden. Het duidelijkst wordt dit geformuleerd in het commentaar van Lut de Block, die haar bijdrage opvat als een brief aan de lezer en besluit met deze pertinente vraag: ‘En jij, beste lezer, wat denk jij over dit gedicht?’

Dat moet toch de fundamentele bedoeling zijn van deze uitgave: de lezer, ons dus, op weg zetten om zelf te lezen, te interpreteren en genietend te smaken.

Dat moment van innerlijk geluk wens ik jullie allen van harte toe, niet zonder dank te zeggen aan de Poëziewerkgroep Beauvoorde die dit alles mogelijk maakt.

Alle tekst uit de wandelbrochure vind je terug in deze pdf