Langs Romeinse kusten

Langs Romeinse kusten

Wim Verbaal vertaalde voor Uitgeverij P Langs Romeinse kusten van Rutilius Namatianus. Tijdens DRUKsel, in de Leopoldskazerne in Gent op 17 april 2004, stelde Patrick Lateur de publicatie voor.

Dames en heren,

Vorige week las ik op een Romeins terras in La Repubblica een bespreking van een nieuw essay van Salvatore Settis, Futuro del ‘classico’. De auteur lijkt alvast één ding te constateren waar wij ons makkelijk kunnen in herkennen: in de laatste jaren zijn er nog nooit zoveel stemmen opgegaan ter verdediging van de klassieken uit de literatuur als fundament van onze Europese cultuur. En tegelijkertijd: nog nooit is de studie van de klassieke cultuur (in de ruimste betekenis van het woord) zo weinig aanwezig geweest in vorming en opleiding, opvoeding en cultuur. Ik moest daarbij denken aan de alarmkreet die onlangs uit Frankrijk kwam, aan de precaire positie van het Grieks in de Lage Landen, aan onze al te functionele en utilitaire invulling van het onderwijs in de moderne talen. Reden tot pessimisme? Ik denk het niet. De klassieken zullen uitdagend blijven werken. In een zich globaliserende wereld waarin we voortdurend de confrontatie ervaren met andere culturen, kunnen de grote klassieken van Homeros tot Proust ons oefenen in de ontmoeting met anderen. Want de zogenaamde klassieken zijn zelf ook anders dan wij vandaag. In Perché leggere i classici uit 1991 (de essaybundel werd onlangs vertaald) zegt Italo Calvino het als volgt: “Je eigen klassieke auteurs zijn diegenen die je niet onverschillig laten en die voor jou van nut zijn om jezelf ten opzichte van hen of zelfs tegenover hen te definiëren.” Klassieken werken dus uitdagend, niet zomaar bevestigend of herkennend. Dat geldt ook voor veel parels die tussen de plooien van de grote literaturgeschiedenis dreigen te vallen. In de virtuele Europese bibliotheek schuilen er nogal wat teksten die niet behoren tot de klassieke canon, eenvoudigweg omdat ze weinig werden gelezen. Het is de grote verdienste van uitgeverij P die kleinoden aan de vergetelheid te ontrukken. Het is ooit begonnen met een vertaling van het Pervigilium Veneris. Er volgden acht andere titels. Tussen dat anoniem lentelied en een selectie uit de grappige verhalen van Poggio Bracciolini kwamen liefdesgedichten van Sapfo en Janus Secundus, fabels van Da Vinci en Leon Battista Alberti, verzen van Martialis en Ausonius, een heiligenleven van de hand van Hiëronymus. Het mooie aan die klassieke reeks is niet alleen de bibliofiele uitgave, maar ook het tweetalig karakter ervan. Griekse, Latijnse of Italiaanse brontekst naast de vertaling is een kleine luxe in de wereld van uitgevers. En het intrigerende aan de reeks is telkens weer de keuze van de tekst. Want hier speelt de vertaler een heel eigen rol: hij brengt – om  Calvino te hernemen – zijneigen klassieker naar het publiek. Een tekst waarin hij zich vanuit zijn lectuur confronteert met en zichzelf definiëert tegenover een auteur. En daarmee attendeert hij de lezer op een Poggio, een Ausonius, een Hiëronymus die elk op hun manier een misschien onbekend, maar toch onmisbaar steentje vormen in het grote klassieke mozaïek. Vandaag mogen we het tiende deel in de reeks verwelkomen. Rutilius Claudius Namatianus. U zegt: Rutilius wie? Nooit gelezen! Juist. Daarom precies. Maar laat me toe u eerst even the eye-opener van dienst, de vertaler dus, kort voor te stellen.

*  *  *

Wim Verbaal, dames en heren, is verbonden aan de faculteit der Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent. Zijn bijdragen in wetenschappelijke tijdschriften handelen in hoofdzaak over de monastieke pedagogiek en literatuur van de Middeleeuwen. Hierbij legt hij het accent op de vroege twaalfde eeuw met Bernardus van Clairvaux als centrale figuur. In 2002 verscheen bij Pelckmans zijn indrukwekkende studie Een middeleeuws drama. Het conflict tussen scholing en vorming bij Abaelardus en Bernardus. Verbaals aandacht als onderzoeker gaat ook naar de tweede Karolingische generatie, met nadruk op de figuur van Walahfried Strabo, abt van Reichenau. Over diens leerdicht Hortulus (Het tuintje) bracht Verbaal een bijdrage met stukken vertaling in het laatste nummer van Hermeneus, een themanummer dat handelt over de antieke tuin.

Hortulus is overigens ook de naam van het schrijverscollectief van huisgenoten en vrienden met wie Wim Verbaal geregeld eigen bibliofiele uitgaven verzorgt, die hier op Druksel niet zouden misstaan. Het laatste artefact is een selectieve vertaling van De Cherubijnse Zwerver van Silesius, een vertaling die Verbaal maakte samen met Johannes De Smet en Samuel Mareel. De Franse vertaling door Laurent Florizoone werd inmiddels opgenomen in het tijdschrift L’infini, dat Philippe Sollers bij Gallimard uitgeeft.

Muze en wetenschap zijn bij Verbaal dus complementair. Hij is ook mede-oprichter en secretaris van het Nederlands Klassiek Verbond Afdeling Oost-Vlaanderen en redacteur van Hermeneus. Tijdschrift voor antieke cultuur, dat door het NKV wordt uitgegeven. Daardoor blijft hij ook aandacht schenken aan de Oudheid, in het bijzonder de late Oudheid. In het themanummer over Reizen in de Oudheid, dat Hermeneus in 2001 publiceerde, bracht Verbaal een bijdrage over Rutilius Namatianus en stukken vertaling uit diens Iter Gallicum (Gallische reis) of De reditu suo (Mijn terugkeer). Die bijdrage charmeerde me, o.m. omdat ik me met mijn vertaalwerk ook al in die boeiende overgangsperiode had bewogen, maar meer nog omdat dit intrigerend werkje van Rutilius nog nooit volledig in het Nederlands werd vertaald, op een aantal partiële vertalingen van Louk Meijer en vooral Andries Welkenhuysen na. Mijn vraag aan Verbaal was een aansporing: waarom niet de volledige Rutilius brengen?

*  *  *

Van Rutilius Namatianus weten we weinig meer dan wat hijzelf in zijn Gallische Reis vermeldt. De dichter gaat grotendeels schuil achter de verzen die zijn terugreis uit Rome naar zijn thuisland Frankrijk beschrijft. Zuid-Frankrijk heeft in de overgang van de vierde naar de vijfde eeuw nogal wat schrijvers voortgebracht en alleen dat al wijst op de belangrijke plaats die Gallië binnen het imperium innam. Bordeaux en Toulouse waren intellectuele centra waaruit Ausonius, de eerste Franse dichter, voortkwam en in een volgende generatie Paulinus van Nola en Sulpicius Severus, die de biograaf werd van Martinus van Tours. Onze Rutilius, een rijke grootgrondbezitter wellicht afkomstig uit Toulouse, was een belangrijk rijksambtenaar. In 412 stond hij in Rome aan het hoofd van de keizerlijke administratie, de paleisbeambten en de keizerlijke lijfwacht. Vermoedelijk in 414 was hij een tijdlang stadsprefect van Rome. Een paar jaar voordien had in 410 de eerste Sacco di Roma plaats. Maar die woelige periode leek achter de rug en keizer Constantius riep de vergadering van de zeven Gallische provincies weer bijeen in Arles. Rutilius’ onverwacht vertrek uit Rome in het najaar van 417 moet daarmee te maken hebben gehad. Langs Romeinse kusten is het onvolledig bewaarde verslag van zijn terugreis van Rome naar Frankrijk.

Wetenschappers hebben zich nogal vermoeid met het onderzoek naar timing, route en reisprogramma, maar Rutilius heeft niet zozeer een exact reisverslag dan wel poëzie willen brengen. Hij had grote voorgangers: Horatius beschreef in Satire I,5 zijn reis van Rome naar Brindisi en Ausonius heeft in zijn Mosella – Lied van de Moezel een tocht door het Moezeldal geëvoceerd. Maar bij deze voorgangers overheerst het plezier van een tocht. Horatius legt de nadruk op zijn gezelschap en bij Ausonius domineert de beschrijving van landschap en activiteiten op en rond de Moezel. Bij Rutilius ligt het even anders. Voor de onvoorbereide lezer is de idee van een poëtisch reisverslag aantrekkelijk en in Iter Gallicum komen o.m. veel Toscaanse plaatsnamen voor, die hem wel op het verkeerde been zullen zetten. Want Rutilius’ reis is geen plezierreis. Als hij op de Toscaanse kust de Monte Argentario omzeilt, luidt het :

Zes mijl van baai tot baai: niet méér bedraagt zijn breedte.
Zesendertig mijlen telt de ommevaart.
Met moeite trekken wij om elke klip een omweg.
Dit laveren vraagt een hele dag labeur.

En overal ziet hij vanop zee ruïnes, terwijl we weinig horen over ongetwijfeld nog bloeiende centra vol leven. Over Populonia schrijft hij:

Niets blijft meer over dat aan vroeger tijd herinnert.
Tijd heeft hongerig de hoge wal geslecht.
Wat blijft, is hier en daar het slijtend spoor van muren.
Ieder huis vond in het eigen puin zijn graf.

*  *  *

Geen verslag dus van een cruise langs Toscaanse kusten. Ondanks de vrij vreedzame tocht, ondanks het perspectief van een terugkeer van orde en rust, klinkt in zijn beschrijving pessimisme door omwille van de verwoestingen aangebracht in het laatste decennium. Maar dat pessimisme krijgt een tegengewicht door de echte Romein die Rutilius is gebleven. De reiziger Rutilius blijft de Romeinse ambtenaar, die hoge functies heeft bekleed en die vanuit zijn plichtsgetrouwe uitoefening van zijn ambt blijft geloven in de eeuwigheid van Rome en daardoor ook vertrouwt op een vorm van perenniteit voor hemzelf.

De tijd die u nog rest, wordt niet beperkt door grenzen:
blijvend als de aarde, als het firmament.
Wat rijken deed ontbinden, doet u kracht hervinden:
weer geboren wordt, wie groeit in tegenspoed

Merkwaardig is dat Rutilius in zijn gedicht nogal wat Romeinse godennamen laat vallen zonder dat die goden de rol vervullen van weleer. Hun vermelding dient hier voor niet veel meer dan een obligate mythologische inkleuring van een klassiek gedicht. Rutilius’ echte religie is die van de geseculariseerde bureaucraat, voor wie het Romeinse bestel zelf primeert, gefundeerd op het recht en de wetten, en rechtgehouden door rechtgeaarde ambtenaren die door hun gewetensvolle ambtsuitoefening een haast goddelijke status krijgen. In die zin moeten we ook de zware antisemitische uitval begrijpen van Rutilius, wanneer hij bij Faleria logeert in een herberg uitgebaat door een Jood. Of wanneer hij verder op zijn terugreis de monniken veroordeelt die hij op het eiland Capraria bespeurt of een eremijt op het eiland Gorgona. In de ogen van Rutilius onttrekken zij zich aan hun verantwoordelijkheid – een man moet op de eerste plaats een Romeins burger zijn – en bedreigen zij het voortbestaan van Rome. Hun fuga mundi, hun wereldvlucht is een verraad van alles wat Rome groot heeft gemaakt. Rutilius leeft op een breuklijn van de tijden, waarin de oude Romeinse cultuur overgaat in de jonge christelijke cultuur van het Westen. Namatianus zag in het christendom de grootste bedreiging voor het Romeinse systeem, maar hij begreep de tekenen des tijds alsnog niet. In hem horen we een van de laatste verheerlijkingen van de oud-Romeinse wereld die onherroepelijk zou vergaan. Klassieken, zei Calvino, zijn van nut zijn om jezelf ten opzichte van hen of zelfs tegenover hen te definiëren. De nostalgie en de onverzettelijkheid van Rutilius kunnen ons vandaag hoeden voor soortgelijke illusies.

*  *  *

Zowel de reiziger als de trouwe rijksambtenaar klinken samen door in de verzen van de dichter Rutilius. Zijn reisverslag is een bonte wisseling van losse episoden, indrukken en stemmingen, bijeengehouden door het geciteerde spanningsveld tussen het pessimisme ten gevolge van de verwoestingen en het optimisme en hoop op herstel en verderleven van Rome. Er zijn lofzangen en invectieven, evocaties van landschappen en bezienswaardigheden en beschrijvingen van natuurfenomenen, anecdotische annotaties en politiek-filosofische beschouwingen van een succesvolle ambtenaar. Die losstaande onderdelen worden elk op zich zorgvuldig uitgewerkt met oog voor het precieuze detail, opgesmukt met alle middelen die de stilistiek aanreikt en gedragen door de klassieke vormtaal van de Augusteïsche dichters. Het metrum is het elegisch distichon met hexameter en pentameter waarbinnen Rutilius niet zelden één gedachte uitwerkt. Die gedrongen en tegelijk soms barokke zeggingskracht is een grote uitdaging voor een vertaler. Dames en heren, ik heb het vertaalwerk van Wim Verbaal zien groeien en ik heb de meeste bewondering voor de manier waarop hij zich vol zelfkritiek van zijn taak heeft gekweten. De vertaling van een Latijnse hexameter is een punt van discussie. Hoeft men vandaag zo nodig die vormvastheid, die eigen is aan de oude talen, in een hedendaagse omzetting te behouden? De vertaler had kunnen kiezen voor een poëtisch proza of omzetting in vrije verzen. Maar hij heeft het distichon omgezet in twee jambische zesvoeters, waarbij de hexameter begint en eindigt zonder klemtoon en de pentameter begint en eindigt met een klemtoon. Dat is niet de gemakkelijkste weg, omdat een moderne taal alleen al syntactisch zich niet eenvoudigweg laat plooien in een vast schema. Niettemin is de strategie van Verbaal meer dan verantwoord en de uitvoering ervan bijzonder geslaagd. De lezer vindt zonder moeite het ritme waardoor hij zich verder kan laten dragen, en vooral: op die manier vormen de twee verzen van het distichon één lang jambisch vers van twaalf voeten, waardoor de ritmische samenhang van het elegisch distichon bewaard blijft. Deze innovatie – want de strategie van Verbaal is een nieuw gegeven – verdient navolging.

*  *  *

Dames en heren, in zijn inleiding op zijn magistrale studie Een middeleeuws drama. Het conflict tussen scholing en vorming bij Abaelardus en Bernardus doet Verbaal een merkwaardige confessio: “Mijn fascinatie voor de geheimen die aan elk leven ten grondslag liggen, dreef mij in de richting van het onderzoek naar de natuurlijke bestaansvormen. De vragen en antwoorden die mij vanuit de exacte wetenschappen werden aangereikt voldeden echter niet. Zij kwamen me te momentaan, te vluchtig en te mechanisch over. Hoe sluitend hun oplossingen ook klonken, ik ontkwam niet aan de indruk dat er een dimensie ontbrak, dat zij ergens aan een dieptezicht voorbij leken te gaan. En telkens weer kwam ik in mijn zoektocht hiernaar in de geschiedenis terecht.” Die queeste naar de essentie mondde voor Verbaal uit in een gedreven omgang met de bonae litteraeLangs Romeinse kusten, zijn vertaling van Rutilius Namatianus, is daar een van de vruchten van. Rutilius behoort op zijn manier tot de klassieken, ook al roept de naam van de Fransman alsnog bij velen weinig op. Maar bij Italo Calvino luidt de tweede definitie van de klassieken: “Die boeken worden klassiek genoemd die een kostbare schat zijn voor wie ze met liefde heeft gelezen; maar ze zijn een niet minder kostbare schat voor wie het geluk heeft ze voor het eerst te lezen in de beste omstandigheden om ervan te genieten.” Voor die ideale omstandigheden kan een vertaler zorgen. En een uitgever. Mijn dank en gelukwensen aan Wim Verbaal en Leo Peeraer voor deze uitgave.