Romeins dagboek 2004

Via Appia

Voor Harbalorifa, het tijdschrift van de oud-leerlingenbond van het SVI in Gijzegem, schreef Patrick Lateur in april 2004 een Romeins dagboek. Je kan de tekst hieronder lezen.

Romeins dagboek, april 2004

Zondag 4 april – Op stalen vleugels de Alpen over. Het is ooit anders geweest. In het late middaglicht verbeeld ik me diep beneden in dalen en passen de kruipende koetsen waarin Montaigne en Goethe dagenlang Romewaarts werden geschud. En ik bedenk dat de Urbs altijd als een magneet heeft gewerkt voor reizigers en pelgrims op zoek naar hun wortelgrond. Bij zijn aankomst in Rome op 1 november 1786 schrijft Goethe in zijn Italienische Reise: ‘Denn es geht, man darf wohl sagen, ein neues Leben an, wenn man das Ganze mit Augen sieht, das man teilweise in- und auswendig kennt. Alle Träume meiner Jugend seh’ ich nun lebendig.’ Bij Montaigne luidt het twee eeuwen vroeger veel zakelijker. In Journal de voyage en Italie noteert zijn secretaris in het Frans van de zestiende eeuw : ‘Par là nous arrivames sur les vint heures, le dernier jour de novembre, feste de Saint André, à la porte del Popolo, et à Rome, trante milles.’ Terwijl de Tiber zich door de campagna slingert, zet de vogel ons neer op Ciampino. Wat gaat er om in de jonge hoofden die ik met collega Myriam mag begeleiden?

Vier uur later rijdt de beruchte, overvolle 64 ons naar het Vatikaan. Het plein van Bernini ligt er verlaten bij en dus grootser dan overdag. En tegen de blauwzwarte lucht lijkt Michelangelo’s koepel lichter. Op de stad, die we via de Engelenbrug inwandelen, valt een vreemd licht van gele oker. Sempre Roma, mompel ik en weet dat ik steeds weer hierheen word gedreven. Met of zonder jong geweld om me heen.

Vestalinnen op het Forum Romanum
Vestalinnen op het Forum Romanum

Maandag 5 april – Het Forum Romanum ligt alsnog rustig in de morgenzon. Bij de Vestatempel – het is het uur waarop Horatius hier vergeefs de lastpost van zich af probeerde te schudden – vertelt Myriam over de Romeinse nonnen avant la lettre. Ik sluip weg, want bij het hekken van het atrium van de Vestalinnen staat er niemand. De hele tuin voor mij alleen. De rozen nog net niet in de knop, en of er weer vissen zwemmen in de bekkens kan ik niet zien. Maar de Vestalinnen staan er, kaarsrecht en wakker, alsof ze deze morgen weer op hun voetstuk post hebben gevat. Anderen laten op zich wachten, er blijven nog een paar sokkels leeg. Wellicht aarzelen zij om uit te tronen boven de verweerde woorden pudicitia en castitas. Dit oord van geroemde zedigheid en kuisheid zint me niet, want rond het vuur van Vesta horen vurige vrouwen. De levenslust van Romeinen heeft zich gesublimeerd in deze beelden vol retoriek.

Rome bruist van leven, maar de stad is tegelijk één grote necropool. Zij verbergt de dood of etaleert haar. Zoals bij de Porta San Paolo. De praetor Gaius Cestius liet zich hier een grafmonument bouwen: een piramide, want sinds Caesar op de knieën was gegaan voor Cleopatra, sloeg de egyptomanie toe. Cestius’ naam is in reuzenletters te lezen. Een paar stappen verder staat er op het Protestants kerkhof een eenvoudige grafsteen. Zonder naam. Keats wist dat namen slechts in water worden geschreven.

Dinsdag 6 april – Vanuit zijn hoekje in de filosofenzaal van de Kapitolijnse Musea kijkt Cicero me wat koeltjes aan. Hij weet, denk ik, dat ik met de iuvenes rondom mij teksten van hem las. ‘Lees je mijn werk wel op de juiste manier?’, hoor ik hem vragen. ‘Neemt u me niet kwalijk, meneer Tullius, is een correcte lectuur überhaupt mogelijk? U bent al een tijdje uit dit ondermaanse verdwenen en bovendien gaf u als gerenommeerd redenaar zelf niet altijd een correcte versie van de feiten.’ – ‘Je komt toch uit Gallia Belgica? Je had beter moeten weten. Een politicus streeft naar wat haalbaar is, een advocaat naar wat aanvaardbaar is. Maar lees mijn theoretisch werk. Dat houdt de idealen hoog ’ – ‘Jazeker, meneer Tullius. Die jongelui daar lazen onlangs uw Droom van Scipio. Zal ik hen even roepen?’ – ‘Doe geen moeite. De kop van een sileen trok hen aan. Zij praten met hem. Sokrates laat hen niet los.’

De zon ontbreekt om kleur te geven aan de lange wandeling over de Via Appia. De basalten stenen doen pijn, maar de rust van de campagna maakt veel goed. Hier voelt men zich reiziger, ook al loopt men weg van Rome, weg van de horden toeristen. Hier ademt men weer tussen pijnbomen en cipressen ondanks het gewicht van eeuwen.

Woensdag 7 april – Het Sint-Pietersplein is het alternatief voor de gesloten basiliek en de kilometerlange file voor de Vatikaanse Musea. Michelangelo en Rafaël zullen het warm hebben. Op het plein komt men niet zonder scanning. Bij het meer van Gennesaret was dat nog niet.nodig. Maar na New York en Madrid stijgt de koorts in Rome in deze dagen vóór Pasen, toevallig weer eens de elfde van de maand. De pausmobiel verrast iedereen. Bijna binnen handbereik een oude man die constant naar zijn uurwerk lijkt te kijken. De audiëntie in open lucht verloopt volgens een strak schema. Geregistreerde emotie. Ik laat me verstrooien. En zoek de schoorsteen van de Sixtijnse kapel (voor wanneer de nieuwe witte rook?). En kijk naar het schaduwspel van zon en wolken op de immense gevel van Maderno. En tel de beelden op Bernini’s colonnade. En verbeeld me hoog in de lantaarn van de koepel. En laat me zweven naar de ondergrondse Vis van Callixtus’ catacomben.

Het feest van water en groen in de Villa d’Este van Tivoli blijft fascineren. Le beau monde van weleer – kardinaal Ippolito was de zoon van Lucrezia Borgia – heeft de eeuwigheid een lusttuin nagelaten, waar ooit orgelmuziek en getsjilp van vogels uit fonteinen kwam. Tasso, Cellini en Titiaan genoten ervan. Myriam detecteert een weelde van bloemen en planten. Ik ben al tevreden als ik blauwe irissen herken.

Donderdag 8 april – Een barokke voormiddag onder een lucht van azuur. Het duurde lang eer ik me verzoenen kon met de barok. Ik loop al drie decennia rond in de stad waar vier eeuwen geleden façades in beweging kwamen, gewelven begonnen te zweven en koepels aan het dansen sloegen. Ik ben gaan houden van hun ernst en frivoliteit. Bernini maakte van de extatische Teresa de meest smachtende vrouw van Rome, in de ovalen koepel van Borromini’s Carlino vibreert het licht en met plezier laat ik me steeds weer beetnemen door Pozzo’s valse koepel en fresco’s in de Ignazio. De romige ijstoren van de Sapienza neem ik er graag bij. Nog eenmaal triomfeert in deze werken de oude wereld in een laatste uitbarsting van artistiek geweld. Barok is theater en laat zich smaken op voorwaarde dat men achter de coulissen blijft kijken. Want daar grijnst de restauratie. Maar wat een verademing en tegelijk adembenemend om die uren af te sluiten met de pure architectuur van Romes mooiste. Door de koepelring werpt de middagzon in een lichtbundel vol stof haar schijf op de wand van het Pantheon. Zo wilde en zag Hadrianus het. Niet anders dan nu.

De vrije namiddag is onverwacht anders. Ik laat me naar Callixtus rijden en wandel door de cipressenallee. Hier rende ik dertig jaar geleden terug van parking naar studio: ‘We kunnen in de zomermaanden nog een gids gebruiken’, zei broeder Jozef Vanden Berk. Ik loop de trap van het Salesianenhuis op en vind Jozef, oud en doodziek. Aan hem heb ik al mijn Romeinse uren te danken. Dit uur is het laatste dat ik met hem deel. Maar is er wel een laatste uur, vragen wij ons beiden af. [Een maand later vond hij op 8 mei de laatste rust in zijn catacombengrond.]

Vrijdag 9 april – Zuidwaarts. Naar de Grieken van de Magna Graecia. Nog voorbij Eboli, waar il Cristo si è fermato volgens Carlo Levi. De rozen van Paestum staan niet meer in de perken voor een van de mooiste tempels die Hellas ons naliet, maar in rijen langs de toegangsweg die zich door de oude muren boort. Een late lente houdt de buffels, die instaan voor de mozzarella, nog in de stallen. De tempelzuilen tranen in de regen. Maar in het kleine museum blijft het feest duren, zon of geen zon. Ze zitten op kussens aan bij het symposion. De drinkschalen gaan rond, verliefde blikken zoeken elkaar, de schelle fluiten klinken, dansers volgen het ritme. Eén man maakt het niet meer mee. Hij duikt met geconcentreerde blik, het lijf gestrekt, het water in. Het onbekende tegemoet. Bij het Graf van de Duiker voelt de grootste barbaar aan wat kunst vermag. Uren later ligt Pompeji in het bruingele licht van een regenzon. De grassen en de kruiden geuren. Luie zwerfhonden liggen onder luizen op de oude stoepen, onverschillig voor de lome voeten van die andere zwervers. Hier viel het leven ooit stil door een verstikkende stofregen van de rare reus, die nog steeds dreigend de lucht vult. Wij zijn ramptoeristen en speuren naar tekens van leven. Het liefst nog zouden wij een echte Pompejaan zien, die zijn tuin komt uitgewandeld, waar de wingerd inderdaad weer bloeit en de iris waterpartijen vult. De stad is nog niet uitgestorven.

Graf van de duiker, Paestum
Graf van de duiker, Paestum

Op deze avond van Goede Vrijdag had ik in Aalst moeten zijn. Ik schreef de teksten voor de Kruisweg in de stad. Maar wij tafelen in het vertrouwde hotel van Pozzuoli en zetelen daarna nog op een terras. En maken dus van de nood een heerlijke deugd.

Zaterdag 10 april – Vanop de Monte di Procida hebben we in de motregen een totaalzicht op de Flegreïsche Velden en de Golf van Napels, met dichtbij het Lucrinusmeer (ach, Agrippina, was je maar niet naar hier gekomen) en Kaap Misenum (ach, Plinius, was je maar hier gebleven). In het museum van Napels – we hebben niet gereserveerd – doe ik alsof mijn neus bloedt. ‘Wij zijn hier in Italië en hier wordt de wet gerespecteerd’, buldert de snor door en voor de hele hal. Ik onderdruk een grijnslach en kijk hem strak in de ogen. ‘Wij komen uit België en weten van niets. Waar kunnen we onze tassen leggen?’ Even later staan we voor de mooie billen van de Venus Kallipigè, kijkt ons vermoeid de bronzen Hermes aan en weerklinkt het strijdgewoel op het Alexandermozaïek. Myriam gidst behendig tussen al dat moois, maar is ontgoocheld als de frescozalen gesloten blijken te zijn. Maar niet getreurd. Het Gabinetto Secreto met een keur van erotische fresco’s is open en opent alle ogen. De stem van de gids stokt.

´s Namiddags op de luchthaven van Ciampino. Achttien vermoeide maar gelukkige zielen brengen olio en balsamico voor mevrouw en grappa en Lacrima Christi voor meneer. Want het was tof. Wij vinden dat ook en het gebaar overbodig. Even later hangen we boven de Tibermonding en een zee vol glinsters. Morgen halen de klokken van Rome ons in.

Verschenen in: Harbalorifa, 32(2004)2, pp. 6-7.