De ribben zijn van het geraamte

Patrick Lateur publiceerde in Wandelen in het dorp vol poëzie. Gedichten van Miriam Van hee, de wandelbrochure van het 29e Poëziefestival van Beauvoorde rond gedichten van Miriam Van hee, de tekst De ribben zijn van het geraamte. Je kan die hieronder lezen.

DE RIBBEN ZIJN VAN HET GERAAMTE

de ribben zijn van het geraamte
het mooiste onderdeel, ze doen
aan vleugels denken of een soort
accordeon waar leven in- en uitgaat
je ziet ze beter
na de hongersnood of in het massagraf
het zijn de rimpels in het zand
als de zee zich heeft teruggetrokken
het zijn de breekbaarste takken
van de bomen die in open vrachtwagens
worden weggevoerd

Miriam Van hee (uit: Reisgeld, 1992)

Er zijn van die gedichten die meteen in het eerste vers de lezer al bij de keel grijpen en hem dwingen verder te lezen. de ribben zijn van het geraamte: waar wil een dichter met zo’n vers in godsnaam naartoe? Misschien is het alleen maar een ouverture met een beklemmende vergelijking of beeldspraak. Maar hier staat er geen als en er volgt geen zo, de zin staat op zichzelf. Het zijn de ribben zelf die doen denken aan iets anders. De rauwe realiteit van geraamte en ribben zijn het uitgangspunt van het gedicht en zullen het ook blijven beheersen, want een paar verzen verder staat er te lezen: je ziet ze beter en het zijn… Het macabere openingsvers wordt wel even gemilderd door de gedachte dat ribben het mooiste zijn van een geraamte. Wat kan er nu mooi zijn aan een geraamte? Ribben vormen dat dode onderdeel waar het leven van weleer nog het meest uit spreekt. De dichteres associeert er vleugels mee, het middel waarmee leven een vlucht kan nemen door slagen op de luchtstroom of zij verbindt er mee het muziekinstrument dat door beweging van lucht klanken voort kan brengen. Dood roept leven op, ondanks verval roepen ribben vlucht en klanken op.

Zoals het woord mooiste, verzacht ook het woord beter in het vijfde vers de doodsgedachte en het doet ons uitkijken naar iets wat leeft. Maar hongersnood en massagraf wijzen er ons onmiddellijk op dat het de dichteres vanaf het begin te doen was om de harde werkelijkheid van een ontluisterde wereld die ons maar al te vaak schrijnend tegemoetkomt via beelden in de media: levenloze lijven van uitgehongerden of van slachtoffers van een politiek regime. Twee beelden komen de indruk van dood nog versterken. Als de zee, als het leven zich terugtrekt, blijven er rimpels achter in het zand; als het sap uit de bomen verdwijnt, blijven er alleen breekbare takken over.

En het is dat laatste beeld dat het eerste vers kan verduidelijken. Want in de winter wordt een levenloze boom gehakt en weggevoerd. Of worden kerstbomen na een periode van leven en licht in de stad massaal afgevoerd. Dat worden weggevoerd doet denken aan de naamloze en uitgemergelde lijken die in de concentratiekampen in open karren werden weggevoerd naar een massagraf. De boom is uitgeleefd en is enkel nog een skelet, de kerstboom heeft zijn naalden verloren en heeft afgedaan, mensen teren uit door onrecht, gebrek aan solidariteit of onmenselijkheid van een systeem.

De pijlers van het gedicht zijn het eerste, het middelste en het laatste vers, de kernwoorden zijn geraamtehongersnood of massagrafweggevoerd. Daartussen worden in telkens vier verzen twee beelden daarmee geassocieerd. Het gedicht balanceert overigens op tweeledigheid: vleugels/accordeon, in/uit, hongersnood/massagraf, het zijn de rimpels/het zijn de takken. Deze haast onopvallende structuur wordt gedragen door een lichtlopend jambisch ritme dat op essentiële plaatsen wordt onderbroken, o.m. in het centrale beeld van hongersnood en massagraf en op het einde in het beeld van de weggevoerde bomen. Versoversprongen versterken de plaatsing van verrassende woorden als het mooiste onderdeel en beter of wezenlijke gedachten als na de hongersnood of worden weggevoerd. De woorden staan op de plaats waar ze moeten staan, andere plaatsingen zouden alleen maar verlies betekenen aan ritme of reliëf. En alles krijgt zoals in alle gedichten van Van hee een bedriegelijke lichtheid mee door de afwezigheid van grafisch storende elementen als hoofdletters en leestekens.

de ribben zijn van het geraamte is een van de losse gedichten uit de eerste titelloze cyclus van Reisgeld. Dit gedicht kreeg terecht een plaats in die bundel omwille van zijn gaafheid. En ook omdat het bewijst dat de verzen van Miriam Van hee wortelen in de werkelijkheid; vol mededogen met de tragiek van de geschiedenis maar desondanks en doorheen de lichte toetsen ook vol optimisme in wat leven vermag.