Tussen huis en brug

Ponte Buriano

Voor Kreatief schreef Patrick Lateur de tekst Tussen huis en brug. Toscaanse notities. De bijdrage verscheen ook in het tijdschrift van Il Caffè.

Tussen huis en brug. Toscaanse notities

Een huis op een uitloper van de Pratomagno die uitdeint naar de zuidhoek van de Arno. Achter het huis de echte hoogten met Talla, waar Guido Monaco zou zijn geboren; verder noordwaarts over de bovenloop van de Arno de mystieke hoogten van de Casentino met het Camaldoli van Romualdus en het La Verna van Franciscus; oostwaarts tussen Arno- en Tiberdal Michelangelo’s geboorteplaats Caprese en verderop Sansepolcro, wieg van Piero della Francesca; in het zuiden binnen oogbereik Arezzo op een halve heuvel, die uitkijkt op Arno en Chiana; westwaarts over de Valdarno de hellingen van de Chianti. Uit alle windstreken waaien hier namen aan. Maar tussen de oude brug van Buriano en het huis in Casavecchia liggen amper vijf kilometer. Een lange, langzame klim. Een bijna blinde vlek op de kaart van Toscane, want je komt er alleen door het toeval, zonder voorkennis van wie of wat er hier geschiedenis heeft geschreven op deze heuvelflanken, in deze bocht van de rivier. En je raakt uit deze microcosmos niet meer weg. Al ruim een decennium. Toscane is meer dan de stukgeschreven cultuursteden en de vervelende olijven- en cipressenplaatjes.

Il Querceto

Ik weet niet meer wat er me na de eerste dagen op Het eikenbos influisterde: hier ga je niet meer weg. Wellicht het samenspel van indrukken die zich onweerstaanbaar bleven opdringen: dierengeluiden (schapen die jaren later door wolven zouden worden verscheurd, hinnikende paarden die steekvliegen van zich afweren, everzwijnen die zich ´s nachts dicht bij het huis wagen); de telkens weer andere tinten van groen; geuren van sparren, kruiden en vergeeld gras of van oud meubilair in ruime kamers met ramen open op het bos of de vallei; de werkbank waar de klei in onze handen tot een ding zou worden; de studiolo, hoog in het huis, met een uitzicht op de stad, die in de loop der jaren zou verdwijnen achter opschietende cipressen; de onrust van wriemelende en nog steeds onbenoemde insecten in de schijnbaar rustige natuur. Il Querceto is geen oord geworden voor vakantie, maar een plek van otium, opgeroepen door honderden boeken die de vele kamers vullen. Het is dit onverwachte boekenhuis dat mij moet hebben ingepalmd. De genius domus is een geletterde geest die hier in open en gesloten kasten huist. En die zich langzaam lezen laat. Hij zorgt voor het continuüm, want hier zijn, niet zijn of verlangen hier te zijn, zijn één. Hij verrast ook steeds, want veelal ingepakt in bruine kaften – de schoolse zorg van de overleden professoressa – of sluimerend in een vermeende linnenkast. Dat was zijn laatste wenk: een paar honderd groene Paoline-deeltjes uit de Maestri. I grandi scrittori di tutti i tempi e di tutte le letterature. In die reeks uit de zestigerjaren slechts één werk van bij ons, Vondels Lucifer. En één titel die me bleef vergezellen, het nummer 25 in de reeks, Pensieri van Leonardo da Vinci, een heel minieme bloemlezing uit zijn werk. Ik wist van het bestaan van zijn talloze losse notities, maar voor het eerst kon ik hem lezen in het volgare. Zijn fabels en vooral zijn visionaire teksten lieten me nooit meer los. De studiolo, waar ik voordien al werkte aan De speelman van Assisi en later Toscaanse bloemen zou samenlezen, werd de spreekkamer van Leonardo. Vertalen is op visite zijn en intens praten met de gastheer. Intussen maakt de huisgeest alle seizoenen draaglijk: de hitte van de hondsdagen, de kille grillen van april of de sneeuwlucht van december. En tussendoor, als vluchtweg uit dit zelfgekozen toevluchtsoord, de queeste naar de genius van de omgeving, de echte genius loci op de weg van huis naar brug.

Maecenas

De slingerweg van Casavecchia naar Ponte Buriano loopt onder een klein gehucht met een tiental oude huizen, voorlopig nog altijd bewoond door mensen van de streek. Maar Apia is te klein en te afgelegen om het handvol jongeren aan hun grond te kluisteren. Ik hou van de plek, want ooit vertelde men me dat hier Maecenas zou zijn geboren. Augustus’ rechterhand en minister van cultuur is wel uit Arezzo afkomstig. Zijn moeder behoorde tot de gens Cilnia van de Etruskenstad. Aan de ander kant van Arezzo vertelt de Villa Cilnia in Bagnoro met veel aplomb dat het landgoed met olijven en druiven op Maecenas’ geboortehuis ligt. Maar ik wil best de mensen van Apia geloven. Zij weten al even weinig af van de geschiedenis als die van Bagnoro en ze willen al evenmin aanvaarden dat er achter de coulissen van de geschiedenis veel geheimen onopgelost blijven. Maar zij houden op een ontroerende manier vast aan een hardnekkige traditie. De beschermheer van dichters als Vergilius en Horatius geboren en opgegroeid in dit godvergeten Apia? Vond hij hier dan de levenslust die spreekt uit een van zijn bij Seneca bewaarde verzen: “Maak mij lam aan beide handen / mank aan beide voeten / sla mij bulten op mijn rug / neem mij al mijn tanden; / als mij dan het leven rest / vind ik verder alles best / want daarin voel ik mij thuis / zelfs al hang ik aan het kruis.” (vert. C.Verhoeven) Michel de Montaigne had zo zijn bedenkingen bij deze verzen: “Tant les hommes sont acoquinez à leur estre miserable, qu’il n’est si rude condition qu’ils n’acceptent pour s’y conserver. (Essais II, 37)  Zolang ik hier langskom, zal ik de grote schim van de kleine Maecenas groeten.

Sulpicia

Halfweg dalwaarts ligt Pieve San Giovanni. Ik kom er dagelijks, want de bar-alimentari van Silvio en Beppina is de meest dichtbije winkel. ´s Morgens zijn er alleen de vrouwen voor hun kleine inkopen, ´s avonds zweren de mannen samen rond een glas. Elke dinsdag staat de barman in zijn keuken voor een gezelschap van goudwerkers uit Arezzo, die tot laat in de avond luidruchtig tafelen op het ruwe beton van een zomers terras of in de kale gelagzaal rond een winterse houtkachel. In Pieve valt er voor buitenstaanders niets te beleven. En dat maakt het nu net zo geschikt. Je stelt je tevreden met de regionale versie van La Nazione en weet minstens evenveel als de modale stamgast van wat er in de streek of in de stad beneden gebeurt. Je slurpt aan je espresso en knikt wie binnenkomt even toe. Praten hoeft niet. Het mag. Hier is men een vertrouwde vreemdeling of een vreemde vertrouwde te midden van een besloten gemeenschap met dezelfde genoegens en onhebbelijkheden als in het thuisdorp. De oude kern van het kleine Pieve is een castello, nog nauwelijks te herkennen, want nu een woonblok, opgedeeld in huizen met ruime kamers. Een oude waterput met wat ruw smeedwerk is het enige monument. Rond de kern ligt er wat nieuwbouw, waar Toscanofielen wellicht de neus zullen voor ophalen, maar ze vergeten dat er ook hier moet worden geleefd. Toscaanse schrijnen zijn er al genoeg. Toch heeft dit alledaagse Pieve San Giovanni iets waar zelfs in Silvio’s bar nooit over gesproken wordt. Toen ik er voor het eerst mijn boekenwijsheid verkocht, keken ze me met zijn allen plots heel ernstig aan, nipten even aan hun glas en gingen dan weer over tot de orde van de dag. Sulpicia? Nooit van gehoord. En Sulpiciano, de oude naam van Pieve? Onbekend. Nu zullen er in Romeins gebied wel veel Sulpicii hebben rondgewaard. Maar de quasi enige Romeinse dichteres van wie verzen bewaard werden – zegge en schrijve veertig – hunkerde op haar verjaardag ooit naar haar vriend die zij in Rome wist. “An villa sit apta puellae / atque Arretino frigidus amnis agro? – Is een landgoed en een kille stroom op de buiten rond Arezzo wel aangewezen voor een meisje? (Corpus Tibullianum IV, 8, 3-4) Sulpicia had haar vader Servius verloren en stond onder voogdij van haar oom Messalla, ook al een vertrouweling van Augustus en beschermheer van dichters als Ovidius en Tibullus. Vermoedelijk moet zij hier op de hellingen rond Pieve ooit met Messalla hebben verbleven. Maar voor de verliefde meid waren de Arno en de campagna van Arezzo vervelende plekken. Het leven in de grootstad was veel aantrekkelijker, want “Tandem venit Amor… luidt haar eerste halfvers, “Eindelijk kwam de liefde…” De Latijnse Sapfo moet voorbij de Romeinse Arnobrug vaak de afslag hebben genomen die via Cincelli naar Pieve loopt. Voorbij Sulpiciano loopt die aloude weg door langs Apia en Busseto tot in Tulliano, nu een handvol huizen hoog boven de bovenloop van de stroom. Die Romeinse weg volgde de zuidflank van de Pratomagno met uitzicht op het Arnodal en meer dan vandaag was er op die flank in de dagen van Sulpicia veel bebouwing en bedrijvigheid.

Publius Cornelius

Cincelli is het voorlaatste gehucht op weg naar de brug. De kern ervan zijn een kerk en wat huizen langs wat men met enige moeite straatjes kan noemen. In de zomer veel bloemen en een paar luie poezen, gesloten luiken in de wintermaanden en een hond aan de ketting in een volgestouwd hok. Het enige oudere huis met wat aanzien heeft een loggia die kreunt onder de tijd. Op het camposanto branden kaarsen het hele jaar door. In Cincelli hebben ook de eigenaars van Il Querceto hun huis. En hun restaurant, onherkenbaar aan de buitenkant. Quel che ch’è ch’è – Het is wat het is. Vertaald in termen van menu: je eet wat de pot kookt. Een klein restaurant, waar het hele jaar door sfeer hangt, want alleen bezocht door Arretijnen die altijd wel iets te vieren hebben. De enige buitenlanders zijn af en toe de zomergasten van Anna en Nanni. Vanop het terras kijkt men over de Arno op Arezzo.in de verte. En op de tuin die naar de rivier glooit. Jaren geleden vond Nanni bij verbouwingen in situ een enorme Romeinse voorraadkruik van meer dan vier meter diep. Graan voor velen, want toen werkte er in Cincelli veel volk  De naam van het dorp is afgeleid van centum cellae, de honderd ovens. Het dorp staat niet in de toeristische gidsen, maar wel op de kaart van archeologen. Arretijns aardewerk, glanzend rood met fijn reliëfwerk, was als luxeproduct gegeerd in de hele Romeinse wereld. Vandaag wonen de mensen van Cincelli boven holen, holten van kruiken en ovens. Voor de productie was er water uit de Arno, klei uit de landouwen, hout uit de beboste flanken, vuur uit stenen, lucht uit het azuur. (Ik hoor de draaischijf, ruik rook, zie slaven de hellingen op en af lopen, ik kijk in de eerste decennia van onze jaartelling.) Eén man domineerde de productie in Centum Cellae: Publius Cornelius. Zijn naam is te vinden op talloze vazen die hij uitvoerde, vooral naar het Iberisch schiereiland en Marokko. Als grootindustrieel moet Cornelius iets verder op de oevers van de Arno zijn concurrenten hebben gehad. Lucius Gellius bijvoorbeeld, wiens aardewerk vooral werd teruggevonden in Noord-Italië en langs de Donau. Dat de terra sigillata vanuit dit centrum van pottenbakkers over zee en over bergen zijn weg vond naar alle uithoeken van Europa is in dit ingeslapen gehucht amper voorstelbaar. Even onvoorstelbaar als de gedachte dat iets hogerop Maecenas opgroeide en Sulpicia zich verveelde. De Toscaneboekjes zwijgen daarover, in alle talen.

Montaigne

Honderden keren al reed ik over de Ponte Buriano en telkens weer dat vreemde gevoel: hier rijd ik buiten de tijd. Meer dan zeven eeuwen lang dokkerden alleen maar karren en koetsen over de zowat oudste brug van Toscane. De Etrusken van Arezzo, die de bronzen Chimaera of de Arringatore uit het Florentijnse museum maakten, staken hier de Arno over en hoog boven haar rechtoever volgden zij de rivier op de zuidwestkant van de Pratomagno tot in Fiesole. De brug van de Romeinen is er niet meer, maar het lange rechte stuk weg vanuit Arezzo begint vanaf Quarata te kronkelen om voorbij de brug de bochten van de Etrusken te volgen tot in Florence. Het is de consulaire Cassia Vetus, die de moerassen van het Arnodal ontweek. Nu overspant de Romaanse Burianobrug de rivier met zeven wijde bogen en kijkt me in de waterspiegel uit evenveel ogen aan. Misschien gaven die bogen de naam aan de nieuwe weg, want de Setteponti is vandaag de tel kwijt wat het aantal bruggen betreft. De Romeinse gens Buria was eigenaar van de gronden in de omgeving waar altijd een afspanning moet hebben gestaan in de enige straat van het huidige gehuchtje. Bij reizigers en handelaars was deze plek gekend. Michel de Montaigne at hier ooit. Tussen twee verblijven in Rome door was hij langs een grote omweg door Umbrië en de Marche weer eens op weg naar Lucca om te kuren in Bagni. In zijn Journal de voyage en Italie noteert hij op 1 mei 1581: “… nous passames … la rivière d’Arno, sur un fort grand et beau pont de pierre, au deça duquel nous logeames à PONTE BORIANO, petite maisonette, dix-huit milles. Mauvès logis, come sont les trois proecedants, et la pluspart de ceste route. Ce seroit grand folie de mener par ici des bons chevaus, car il n’y a pouint de fouin. De filosoof, die pijnlijk nauwkeurig zijn lichamelijke conditie en kwaaltjes observeerde en dus ook alles wat daar goed of slecht voor was, zou tien mijlen verder in Levanella herademen: “L’hostellerie …  est fameuse; aussi la tient-on la meilleure de Thoscane et a-t-on raison.” Over het landschap rond de brug schrijft Montaigne niets. Hij kan nochtans niet ongevoelig zijn geweest voor de groene boorden van de Arno, die met de watervloed na het voorjaar hier breed uitdeint en in haar laatste bocht ook nog het water uit de Val di Chiana opvangt. Vandaag is de Cassia Vetus met de Ponte Buriano een lokale verbindingsweg. Ooit verbond de brug Noord en Zuid en bracht zij de vazen van Publius Cornelius ver buiten Italië. Van dat internationaal verkeer is er in de buurt nog iets voelbaar. De eerste afslag op de Setteponti leidt naar een arendsnest hoog boven de Arno, maar de naam klinkt vriendelijker: Rondine, zwaluw. Het verlaten gehucht werd gerestaureerd en heet sinds 1997 Citadel van de vrede, een ontmoetingscentrum voor studenten uit het Mediterrane gebied, die over alle politieke en religieuze tegenstellingen heen zoeken naar eenheid in verscheidenheid. Zo bindt de oude Arnobrug nieuwe gebieden aan elkaar. Maar voor reizigers blijft zij vooral buiten beeld. Of misschien toch niet.

Da Vinci

Mona LisaWant wie in het Louvre over de schouders van monna Lisa Gherardini kijkt, ziet grillige, puntige rotsen en rechts een rivier met een brug. De landschappen op de achtergrond van Da Vinci’s meesterwerken als La GiocondaLa Vergine delle RocceLa Madonna dei fusi en Sant’Anna – ze dateren alle uit het begin van het Cinquecento – zijn artistieke verwerkingen van wat het oog van de wetenschapper Leonardo nauwkeurig heeft opgeslagen . Van 1502 tot 1506 verbleef hij geregeld in de Valdarno als waterbouwkundig ingenieur, tekende een kaart van Arezzo en de Val di Chiana en observeerde op de Setteponti voorbij het Etruskische Loro Ciufenna de fabelachtige balze, steile wanden als pinakels, die de erosie in de zand- en kleigrond duizenden jaren lang heeft gevormd en blijft vormen. Da Vinci zag in de vallei van de Arno tot aan Arezzo in de oudste tijden een immens meer, dat zich later terugtrok. “Deze vallei kreeg in haar bedding al de aarde, aangevoerd door het water dat daardoor troebel was. Die aarde kan men nog zeer hoog zien reiken aan de voet van de Pratomagno, waar de rivieren haar niet hebben meegesleurd. En in die aarde ziet men de diepe insnijdingen van rivieren die van de grote hoogte van de Pratomagno kwamen en daar passeerden.” (Codex Hammer f.9r) Zowat tachtig jaar later was ook Montaigne na zijn middagmaal in Buriano onder de indruk van die balze: “Après disner, nous suivismes une longue plaine toute fendue de horribles crevasses que les eaus y font d’une estrange façon, et croi qu’il y faict bien led en hiver.” Wat vreemd bleef voor Montaigne, wist Da Vinci wel te verklaren en hij zag het fenomeen als een bewijs van de eeuwige beweging en verandering in de natuur. De wetenschapper transponeerde die indrukken in zijn kunst, in kosmische landschappen waar water, lucht en bergen in elkaar overgaan, als een naturanaturans, die voortdurend in beweging is en nieuwe dingen creëert. Menselijke ingrepen zijn er nauwelijks. Op de Monna Lisa kronkelt links een weg, rechts is er een brug, die links van de Maria terugkeert op de Madonna dei fusi. Tweemaal dezelfde brug: de Ponte Buriano, die Leonardo in die jaren af en toe overstak en die hij, zo toont recent computeronderzoek aan, ooit vanuit Quarata heeft geschetst. De bocht van de Arno, de brug, boven de brug links de monding van de Chiana, de hoogten, het niveau van de Arretijnse campagna: alles lijkt haast reëel, maar herschapen in de kunst van de wetenschappelijke Leonardo. Niemand kan beweren de Ponte Buriano nooit gezien te hebben.

Als ik de Ponte Buriano oversteek, volg ik de Via Cassia richting Arezzo. Daar wachten Guido Monaco, Petrarca, Vasari en Pietro Aretino, lichten de figuren van Piero della Francesca op na de restauratie van zijn frescocylcus in de San Francesco, ligt in de bibliotheek het elfde- eeuwse manuscript van Egeria’s pelgrimstocht die zij in de vierde eeuw naar het Heilige Land ondernam en kijken artefacten van Etrusken en Romeinen me aan in de vitrines van het archeologisch museum dat de naam draagt van Maecenas. Maar dat is een ander verhaal met een andere genius loci, waar reizigers meer vertrouwd mee zijn.

Verschenen in:

  • Kreatief, 37(2003)1, pp. 57-63
  • Il Caffè, 3(2003)2, pp. 5-9