Sapfo van Lesbos

Sapfo

Patrick Lateur gaf een lezing over de Griekse dichteres Sapfo tijdens de feestzitting 10 jaar Vlaamse Olympiade Latijn en Grieks in de Stadsschouwburg van Mechelen op 19 maart 2003. Lees de volledige tekst ervan hieronder.

Sapfo van Lesbos

Dichteressen moeten wij koesteren. Want ook vandaag vormen zij ondanks alles nog steeds een minderheid. De bloemlezing Het is vandaag de datum, die ik onlangs in opdracht van het Poëziecentrum samenstelde, bevat een brede selectie van poëzie uit de laatste twee decennia in Noord en Zuid. Van de tweehonderd opgenomen dichters is er één vijfde vrouwelijk en de grote namen zijn vlug vermeld: Christine D’haen, Myriam Van hee en Lut De Block bij ons, over de Moerdijk o.m. Anneke Brassinga, Anna Enquist, Eva Gerlach. Maar kent u ook zo weinig dichteressen van vóór 1900? Elizabeth Browning en Emily Dickinson in de 19de eeuw, met Vittoria Colonna, Louise Labé en Anna Bijns belanden we al in de 16de eeuw, Hadewych en Hildegard vonBingen zijn middeleeuwers. Uit de Grieks-Romeinse Oudheid zijn er wel negenentwintig namen van dichteressen gekend. Maar de Toscaanse Sulpicia liet ons zegge en schrijve zes Latijnse gedichtjes na en van de vele honderden min of meer bewaarde versregels van Sapfo is slechts een kleine helft nog enigszins leesbaar. Dat er in het geruïneerde landschap van de oud-Grieksepoëzie nog een paar kleine Sapfiche muurresten rechtstaan, is overigens op zich al een klein wonder. In de Oudheid was haar poëzie niet onomstreden, maar zij werd door Plato de tiende Muze genoemd en dus werd zij gelezen. Eeuwen later hebben boekverbrandingen dat bijna onmogelijk gemaakt. Het ergste wat een auteur kan overkomen is niet te worden gelezen. Dames en heren, dichteressen moeten wij koesteren en Sapfo moeten wij levendig houden.

Om haar te kunnen lezen, zijn de weinige biografische gegevens in wezen irrelevant. De poëzie staat voor de dichteres. Als lezers moeten we ons soms het recht toe-eigenen haar verzen te lezen op een directe manier en zonder filologische en historische voorkennis. We moeten ons af en toe bewust op het standpunt plaatsen van de occasionele, niet klassiek geschoolde lezer, die bij de keel wordt gegrepen door een fragment als: zoals de zoete appel / bloost aan het eind van een tak / hoog in de hoogste twijgen / vergeten door de plukkers / neen, niet vergeten / maar niet te bereiken…  Het is zoals met het bijbelse Hooglied, het meest erotische gedicht uit de Joodse literatuur, waarvan de mooie vertaling van Pius Drijvers onlangs werd heruitgegeven. Annotaties en interpretaties dreigden mijn eerste lectuur alleen maar te hinderen. En precies die eerste lectuur is bepalend voor het herkenbare van een stem uit een ver verleden. In hoeverre het dichterlijke ik samenvalt met de biografische ik van Sapfo of in hoeverre haar verzen bepaald werden door literaire conventies of andere contextuele gegevens, zijn vragen die bij een eerste contact niet aan de orde zijn. Er schuilt iets naïefs en toch ook iets wezenlijks in een nagelaten kwatrijn van Anton van Wilderode uit 1997, dat ik vorig jaar opnam in de postume uitgave van zijn partiële Sapfovertaling: Als ik aan Sappho denk, hoor ik de wind / zie ik de blonde appelbomen blozen / ruik ik de balsem van de pure rozen / ben ik als zij was, nog een kind. Als wij aan Sapfo denken, moeten we op de eerste plaats denken aan schoonheid, aan een ongebroken eenheid met alles wat haar omgaf, aan liefdesverzen die herkenbaar en onsterfelijk zijn.

1.

Toen Maximus van Tyr in de tweede eeuw na Christus een vergelijking maakte tussen de liefdeskunst van Socrates en die van Sapfo schreef hij iets merkwaardigs. Ik citeer: “zij waren aangetrokken door alles wat mooi was.”  Ik denk dat wij Sapfo’s poëzie kunnen omschrijven als één grote ode aan de schoonheid in al haar verschijningsvormen: de verfijnde omgang met mensen, muziek en dans, en dus ook de poëzie zelf, de fysieke schoonheid van het vrouwenlichaam, de rituelen binnen de cultus van Afrodite. Haar leven was vermoedelijk één en al beleving van wat mooi is en van wat een mens kan liefhebben. Als lyrische stem op het einde van de 7de eeuw, waarop de hele epische traditie hoe dan ook nog zwaar blijft wegen, spreekt zij in haar verzen reeds uit wat ruim twee eeuwen later de sofisten zullen zeggen. Zij conformeert zich niet meer met de geijkte waarden die de traditie haar aanbood, maar spreekt uit en voor zichzelf. Sapfo bepaalt zelf wat voor haar schoonheid betekent namelijk datgene waar men van houdt: Er zijn er die de ruiterij, / het voetvolk of de vloot het mooiste/ vinden op de donkere aarde; / ik, wat men bemint. Hier spreekt iemand die resoluut kiest voor een nieuwe waardenschaal die ook voor anderen kan gelden. Want zij schrijft niét “wat ik bemin“, maar “wat men bemint.” Schoonheid is wat bij mij, wat bij iemand liefde opwekt. Het schoonheidsideaal, toegepast op de jonge vrouw die bij Sapfo liefde oproept, omchrijft de dichteres met tal van beelden: lieflijke gang – glanzend gezicht – mooie stem – lieve lach – slanke vingers – honingzoete ogen – lichte voeten. En omgekeerd kan zij even heftig uitvallen tegen een meisje dat haar wellicht voor een concurrente verliet: hoé kan dié boerin je verblínden? / die vrouw in boerenlompen / die niet eens weet / hoe een jurk over de enkels / te draperen?  

2.

Als schoonheid dat is waar men van houdt, als schoonheid samenvalt met liefde, dan kan dat alleen maar worden beleefd binnen de cultus van Afrodite en in een kader waar de natuur naar onze normen op haar mooist is, maar naar de normen van Sapfo alleen maar is wat ze is: mooi. Kom uit Kreta naar dit heiligdom / waar een bekoorlijk bos van appelbomen / op u wacht met altaren die walmen / van wierook // waar koel water langs de appeltwijgen / ruist en rozenstruiken hun schaduw / werpen en uit ritselende bladeren / de rust stroomt // waar een weide vol grazende paarden / met lentebleoemen bloeit en winden / zoel waaien… Sapfo’s aandacht voor de natuur is geen romantische houding van iemand die ervan vervreemd is. Godin, natuur en mens worden bij haar nog als een onverbrekelijke eenheid aangevoeld. Hetzelfde geldt voor de liefde zelf. Rozengeur en maneschijn is vreemd aan Sapfo’s visie op liefde. Liefde is voor haar een alles overweldigende oerkracht in de natuur die bij haar in eerste instantie pijn oproept: Weer siddert in mij / de Liefde die het lichaam sloopt / dat bitterzoet en / onweerstaanbaar sluipdier… In de Ode aan Afrodite drukt de dichteres zich uit in termen van kwelling, kommer, overweldiging, verlossing, drukkend verdriet, waanzin. En in het beroemde Fainetai moi…, dat ogenschijnlijk als een bruiloftslied begint, verdwijnt de man al snel uit beeld en heeft Sapfo enkel oog voor wat het meisje in haar teweegbrengt: … mijn tong is gebroken / een licht vuur loopt door / mijn huid, ik zie niets meer / mijn oren suizen // zweet stroomt van mij af / een beven bevangt me … Zo’n lied zing je niet op een bruiloftsfeest. Zo’n lied kan enkel klinken uit de mond van iemand die kapot is van verlangen. De beelden lijken vandaag déjà lu, want Catullus, Ronsard, Racine, Byron en vele anderen schreven haar na. Maar ooit klonken deze verzen op Lesbos ongelofelijk nieuw, vernieuwend.

Sapfo’s verzen hebben niets van hun fascinatie verloren. En ook niets van hun herkenbaarheid. In de Ode aan Afrodite komt de listenvlechtster op vraag van de dichteres nog maar eens bij haar. En de dichteres herinnert zich: En u, zalige, gleed / een glimlach over het goddelijk gelaat / toen  u vroeg wat mij nu weer bedroefde / en wat ik nu weer riep …  Uit dat nu weer spreekt  een zelfkennis die haar, terwijl zij daaraan denkt en daarover dicht, rustig maakt in het besef dat het onophoudelijke verlangen het ritme van haar leven bepaalt. Die hunkering heeft zij uitgezongen in heftige bewoordingen, verrassende beelden en met een doorvoelde zintuigelijkheid vol kleuren, geuren en geluiden. Zij heeft zich daarmee onsterfelijk gemaakt. Sapfo is nooit uit de collectieve herinnering verdwenen, ondanks de pogingen van moraalridders om haar werk te verdonkeremanen. Zij, de eerste dichteres, blijft daarmee ook het oudste referentiepunt voor alle liefdeslyriek die na haar kwam. Tot op de dag van vandaag. In 2001 publiceerde de Zuid-Afrikaanse romanschrijfster Riana Scheepers haar eerste dichtbundel Met die taal van karmosyn. En we lezen daarin: ‘die liefde / verras my / opnuut weer / met haar pyn’. Sapfisch klinkt dat. Vorig jaar verklaarde Scheepers in een interview met de Poëziekrant: “Sapfo’s poëzie werd verboden, veracht en bespot, en zelfs verbrand. Toch is ze eeuwen later herontdekt. Dat verhaal raakt me diep.”

*  *  *

Beste vrienden, dichteressen moeten we koesteren en Sapfo moeten we levendig houden. Haar liederen klonken ooit te midden van dans en muziek. We kunnen haar levendig houden door haar te vertalen, zoals Paul Claes het deed op een voorlopig niet te evenaren manier, of door Sapfo weer te gaan zingen. Met u verheug ik me erop haar woord zo dadelijk weer te horen met muziek en zang van Leen Persijn, anders dan toen, maar toch met de ziel die het ooit op Lesbos kreeg.