Boekpresentatie De geschiedenis van een steenbok

Willy Spillebeen

Voor de Parnassusreeks van Uitgeverij P stelde Patrick Lateur De geschiedenis van een steenbok samen, een selectie uit de poëzie van auteur Willy Spillebeen. Hij stelde die voor op 15 november 2002 in het Ontmoetingscentrum van Menen.

‘De steenbok is een eenzaam, trots en mensenschuw dier. Om te overleven in het hoogland moet hij organiseren. Tegenslagen zijn voor hem spoorslagen, vergezichten moet hij bereizen. Hij lijkt gevoelskoud, wantrouwig en onzeker, maar hij verbergt zijn ontroeringen en zijn sociale betrokkenheid. Hij kent de duizeling van de afgrond: de aandrang tot de sprong en de val. En ook de aantrekking tot de hemel, tot het ongenaakbare, het onbereikbare. Hij kent vooral de eigen zwaarte: hij hangt aan de aarde vast. Icarus, maar zonder vleugels, Sisyphus, maar met de steen onder zijn voeten. Het is zijn kracht: hij staat op de grond en verplaatst zijn grenzen omdat hij ze kent. Het is ook zijn zwakheid: hij raakt niet van de grond los. Onmacht verlamt hem, depressies liggen op de loer.’

Wat Willy Spillebeen in Zelfportret en documentatie (Houtekiet, 1990) uitschreef, vond acht jaar voordien al zijn poëtische pendant in een lang episch gedicht, De geschiedenis van een steenbok, sluitstuk van de bundel Voorbij de populieren en hoogtepunt in Spillebeens poëzie. De allegorie roept het levensverhaal op van een steenbok, het sterrenbeeld van de dichter, die zich in een jeugdige en groeiende revolte loswerkt van zijn afkomst en zich aangetrokken weet door ‘het vuur dat brandde / onvindbaar achter rotsen’.  Dit vuur, beeld van het verlangen naar bevrijding van alles wat hem knelde, wordt ‘de drijfveer van zijn leven’. Maar ondanks zijn vitalisme komt de steenbok niet los van de aarde, omdat de ruwe realiteit en de verantwoordelijkheid voor zijn roedel hem in zijn dromen ontnuchteren. Oud geworden maakt hij de balans op en kijkt in zichzelf. Vanop een rotspunt ziet hij beneden de wolven die op hem afstormen, symbool van alles waartegen hij een leven lang in opstand was gekomen. Door zijn ultieme sprong doet hij zijn achtervolgers te pletter vallen en zelf, ‘één ogenblik / een vogel in zijn opvlucht’, werpt hij zich eindelijk bevrijd en vrij in de kolkende stortbeek. Dit aangrijpend gedicht uit 1982 is één grote synthese van alles wat de dichter in de twee decennia ervoor en erna schreef en neemt ook chronologisch een centrale plaats in. Alle thema’s en beelden concentreren zich hier in een grootse allegorie. De lezer van het oeuvre herkent het thema van de onafwendbare cyclus van geboorte, liefde en dood, het verlangen naar het paradijs van de kinderjaren én de droom van een andere orde als antidota voor een ontluisterde werkelijkheid, vitalisme en vrijheidsdrang als verzet tegen de beklemmende ideologieën, de eenzaamheid en de ontgoochelingen van de autonome denker en dichter die elk systeemdenken verwerpt, de vrouw en de natuur als lichtpunten in zijn gevecht met de absurditeit van een bestaan getekend door verval en dood. Ook de beelden zijn herkenbaar: de onweerstaanbare drang naar evasie, de ultieme vlucht van de ‘vogel zonder vleugels’ die tegelijk een val is, het water van de stortbeek als symbool van leven en van dood, het poëticale beeld van het dier/de dichter als een ‘wereld van woorden’, de taal als verweer tegen wat de dichter opstandig maakt, en uiteindelijk de creatie van een eigen en nieuwe mythe van de steenbok door een dichter die zelf geregeld een beroep doet op de antieke mythologie.

Doorheen de allegorie van de steenbok spelen verleden, heden en toekomst op elkaar in. Het is een constante in het oeuvre van Willy Spillebeen. Binnen het beperkte veld van een gedicht vallen die dimensies bijzonder op. Het spel van woorden als toen en nu, beelden uit het verleden die ongemerkt of plots overgaan in actuele ervaringen, of het heden dat onherroepelijk de dood in zich draagt als enig perspectief. De omgang met de tijd is niet alleen het ordeningsprincipe binnen afzonderlijke gedichten, ook in de structuur van zijn bundels vanaf Ontwerp van een landschap spelen de tijdsdimensies een cruciale rol. Net zoals in zijn romans en verhalen probeert Spillebeen de scherven van zijn gebroken ik samen te rapen om een nieuw ik samen te stellen. De drieledige structuur van alle bundels vanaf 1977 is een poging om vat te krijgen op een verbrokkelde realiteit binnen en buiten hem, om de chaos te temmen door ordening. In de drie cycli van Ontwerp van een landschap worden kinderjaren en volwassenheid, verleden en heden, geëvoceerd. Hetzelfde gebeurt in de cycli Voortijd en Tijd in Voorbij de populieren, waar het derde deel met De geschiedenis van de steenbok zijn levensverhaal samenvat met het toekomstbeeld van de dood. Dubbelspoor roept in twee grote bewegingen de kindertijd en het hic et nunc van de dichter op, en als wissel tussen beide fungeert een poëtologische cyclus. De drie cycli in Land van vergeten tenslotte roepen achtereenvolgens de vertrouwde beelden op van sprong, vlucht en val. Deze maat van drie, die Spillebeen bewust hanteert om zijn bundels te structureren, maar ook en vooral om daar een nieuwe en geordende werkelijkheid mee te creëren, is een belangrijk formeel gegeven in zijn poëtisch oeuvre. In deze bloemlezing blijft dit aspect evenwel onvermijdelijk buiten beeld.

Maar waar en hoe begon deze levenslange queeste van de dichter? In de bijdrage Mijn jaren des onderscheids in Kreatief  22 (1988) 1, p. 30-32 heeft Spillebeen het over de genese van zijn dichterschap en over wat (zijn) poëzie voor hem betekende: “Voor mij betekenen die ‘woelige jaren‘ ‘60 echt de zogenaamde ‘jaren des onderscheids‘. Ze vallen samen met mijn volwassenwording, juister: met mijn bewustwording – die inderdaad vrij laat kwam. ( … ) Zodoende kon ik ook het dreigende spook van de depressies ‘remmen’. De jaren ’50 waren voor mij hoofdzakelijk jaren geweest van lethargie, van wereldvreemdheid, zelfs van volslagen ontreddering, waarin ik me overeind heb gehouden – het kan vreemd klinken – met de poëzie.” En verder nog: “In die periode maakte ik eigenlijk een balans op. Wat neerkwam op: mij over zowat alles vragen stellen. Dit resulteerde in o.a. geloofsverlies, eindpunt van een lange evolutie, (…) uiteindelijk resulteert dit in mijn volstrekt scepticisme en ‘ongeloof’ waar het de structuren en ideologieën betreft die aan de mensheid ten grondslag lagen en nog liggen.  In  Steen des aanstoots uit 1970 verduidelijkt Spillebeen-Tantasis (een naam waarin Tantalus en Sisyphus doorklinken) de relatie tussen zijn schrijverschap en zijn somber pessimisme: “… aldoor dat gevoel, die enige innerlijke zekerheid: ik ben een schrijver doem en genade verdrietige vreugde wanhoop en onmacht, ook ieder boek ieder gedicht is een steen – en alles zou zoveel eenvoudiger zijn alles zou onnodig zijn als de dood daar niet was. Schrijven wanhopig verweer tegen de dood. De dood absurd als het leven dat absurd wordt door de dood.” De worsteling met het afscheid van de kaders die hem geen geborgenheid meer kunnen geven en het inzicht in de absurditeit van het leven zetten ook de toon van de bundels waarin die crisis wordt verwoord, zijn debuutbundel en de twee bundels die daarop volgen in de jaren ’60.

Levensangst en schuldgevoel, relicten uit de jeugdjaren, maken van De spiraal (1959) een bundel vol doodsbesef. Spillebeens literair debuut is een poging om met woorden de gaten te dichten van verlies en verdriet. De titel verwijst naar de dood als een maalstroom die alle leven met zich meesleurt. Drie van de vier strofen van Najaar eindigen op de doodsgedachte, maar niet zonder een gevoel van bevrijding uit de drukkende denkschema’s van de grote verhalen die ten einde lopen: ‘Geen dode dogma’s wegen, geen geboden / splijten het denken met langzaam gebaar.’ Toch huivert de dichter in het poëticaal gedicht De woorden om toe te geven aan de vogelvrije woorden die ´s nachts komen aankloppen. Het oude plichtsgevoel werkt nog verscheurend na.

Naar dieper water (1962) zet met de titel ook de thematiek van de eerste bundel verder. Opnieuw de dood en het woord, maar ook de vrouw en de aarde. ‘Aarde mijn vrouw … jouw schoot wordt mijn bloeiende dood’: begin- en eindvers van Aarde vatten alles samen. Voor de dichter, die in een agrarisch milieu opgroeide, is de aarde zijn vaste grond. Het landschap van zijn kinderjaren, ‘de hoeve in de liesplooi van de heuvel’ (Terugkeer), zal hem nooit loslaten. In eenklank met deze ‘goede aarde’ bezingt hij ook de vrouw. Daarbij transcendeert de dichter als gevolg van een verkrampte moraal vooralsnog de lichamelijke beleving en evoceert hij haar in tellurische termen, een mythisering die kenmerkend is voor zijn hele oeuvre. Aan haar vruchtbaarheid koppelt hij tegelijk de onherroepelijke dood. Ontstaan roept verval op. In Jacht wordt dat doodsbesef ook geprojecteerd in de natuur waar hertenjongen zich neervlijen ‘in een vreemde vrees / waarvan ook ik niet genees.’ Genezing vindt de dichter toch deels in het schrijven. Hij tast de mogelijkheden af van de taal, die mensen en dingen kan benoemen (Een woord). Schrijven wordt voor de wanhopige een ‘kort, hevig feest’ dankzij de ‘schrijfdrift die geselend geneest’ (Daimoon).

De pessimistische toon neemt nog toe in Groei-Pijn (1966), waarvan de titel alleen al wijst op onmacht en verlies waar het leven door getekend wordt. De mens die gegroeid is binnen een historische context, ervaart existentiële angst, eenzaamheid en steeds weer de dood. In steeds wisselende beelden komen de fantomen op de dichter af: ‘Vandaag de ziekte. Morgen de dood’ (De dagen) of ‘Cijfer van éénzaamheid / gevallen uit het Getal (De oude mens) of ‘… een lichaam groot van vermoeien’ (Gladiolen). Een evasie daaruit lijkt mogelijk door ook hier terug te grijpen naar herinneringen uit het land en de tijd van zijn jeugd. Maar weer dringt zich het inzicht op van de grote onontkoombare en eendere kringloop van het leven. De dichter is tegelijk zoon en vader. Het huis, het gevoelige Elegie en Schutting illustreren de ontnuchterende osmose van heden en verleden. Ontsnappen aan de werkelijkheid door het dualisme dat hem vroeger was opgelegd lukt evenmin. De drang naar hoger, naar een puur spiritueel niveau wordt omgebogen, ‘omdat mijn ritme lichamelijk is’ (Visie) en bovendien: ‘Het lichaam is waarheid / van water en aarde’ (De oude mens). De meest concrete uitweg wordt hem door de poëzie aangereikt of eigenlijk opgedrongen. De armzalige kalligraaf staat verbaasd over de tekens waarmee hij de werkelijkheid bezweert (De hand die schrijft) en ‘hij gelooft in het gedicht’ (De oude mens).

In 1973 worden de drie voorgaande titels gebundeld en de dichter, die net de veertig voorbij is, voegt er de lijvige bundel Torso aan toe. De verzamelbundel krijgt een betekenisvolle ondertitel mee: Een teken van leven. Gedichten als tekens van leven van een dichter die stilaan het complexe bestaan weet te aanvaarden en het verder verkent binnen de vertrouwde thematiek. Tekens van leven ook voor de dichter zelf, die in de lange ‘en nog niet uitgestreden’ strijd zijn lichtpunten in Warande nog eens op een rijtje zet: het kind en het bos, de vrouw, de gedichten, de eigen kinderen. Maar in fel contrast met de bloeiende brem is er het besef van verlies. Leven is langzaam afscheid nemen, terwijl de dichter nog steeds niet weet ‘wie ik ben of was’. Hij voelt zich als een koorddanser, die in het gelijknamige gedicht ‘gespannen tussen niet en niet … ruggelings naar het duister gaat.’ Deze beelden van absurditeit en van terugblikken duiken geregeld in zijn poëzie op. Tegelijk getuigt hij in een reeks vrouwgedichten van zijn niet aflatend vitalisme en rekent hij nog eens af met de sperwers van een metafysische god om daartegenover zijn geloof in de aarde te bevestigen: ‘Terwille van de aarde zal ik bestaan / op aarde in de aarde geloven / een woord worden van vlammend vlees / een zaad worden sperwer werd sperma’ (Een huis). Voor het eerst duikt ook het beeld op van de latere steenbok die rechtop kijkt in de tijd (Een dier), beeld van de gedecideerde dichter. Toch blijft ook in Torso de overtuiging doorwegen dat alles onderhevig is aan erosie. Het titelgedicht, waarin het beeld van de schaatser uit Naar dieper water wordt hernomen, benadrukt de impasse, het dood-punt waar elk zoeken op uitmondt. Wat overblijft, is alleen een kapot beeld. De oude wereld van geboden en dogma’s is aangevreten en voorbij. En ook de dichter zelf ligt er gebroken bij. In de absurde maalstroom van leven en dood kan hij geduldig wachtend met ‘wat wrakhout / vol woorden gestouwd’ proberen te overleven. Het poëticale Mogelijk is daarom een mooi teken van leven. Voor Spillebeen is poëzie een ‘geduldige harde daad / van een die weigert / dat hij ondergaat.’

Groei-Pijn en Torso bleef Willy Spillebeen zich als een spiraal bewegen in een haast uitzichtloos pessimisme. De titel van Ontwerp van een landschap (1977) klinkt positiever dan alle vorige titels en bovendien projectmatig. De dichter wil niet blijven vaststeken in het inzicht van verlies en verval, maar hoopt op een leefbare toekomst. Ook de bewust doorgevoerde drieledige structuur in alle bundels vanaf 1977 wijst op een vernieuwd omgaan met de tijd (cfrsupra). De bundel verloopt in drie bewegingen: met de gedichten rond de dierenriem zet zich een duidelijke mythisering door (Odysseus); met de seizoenen (Voorjaar) en de kerkelijke getijden (Lauden) verankert de dichter zijn verzen meer in de reële tijd. De toon in deze laatste gedichten contrasteert sterk met die van de vorige bundels. De liefde wordt litanisch en jubelend bezongen en beleefd. Het mensbeeld blijft gelden, want de mens is ‘onderweg tussen nergens en niets’ (Lauden), maar de band met de liefste maakt hem ‘wijs en wetend’ (Voorjaar). Ook Het enige, een van de ongepubliceerde gedichten uit deze bloemlezing, staat in eenzelfde toonaard. Het heden brengt dus vreugde en eenzelfde vreugdegevoel spreekt uit Tweelingen in de reeks dierenriemgedichten waarin de dichter zich naar het verleden wendt. De intense beleving van de liefde betekent niet dat alle twijfels en onmacht verdwenen zijn. In zijn perceptie van de werkelijkheid blijft de volwassene zich meer dan ooit bewust van de kloof die hem scheidt van het vanzelfsprekende van zijn kinderjaren: ‘Nadien kwam list en compromis / Odysseus Niemand wanhoop vragen / al het toevallige. / Het kind werd man en moe…’ (Ram). Het Ithaca van zijn jeugd is ver en verloren en ‘Het kind is dood. De nieuwe / mens nog niet geboren’ (Boogschutter). Aan die nieuwe mens moet de dichter werken, hij moet een nieuw landschap ontwerpen, dat hij nu al ‘credosperamo‘ noemt vanuit zijn geloof en hoop dat liefde sterker is dan de dood. De dichter-kalligraaf, die vroeger met mooie woorden en beelden probeerde te overleven, wordt nu de cartograaf die zijn eigen land zal tekenen. Steenbok, waarmee Spillebeen vooruitloopt op het epische gedicht uit de volgende bundel, is een programmatisch vers, dat bevestiging krijgt in Voorjaar en Lauden.

Het mythologisch register wordt in Voorbij de populieren (1982) helemaal opengetrokken. Door diverse verwijzingen naar de Homerische epen, het Aeneasgedicht en de creatie van een eigen mythe (De geschiedenis van een steenbok) plaatst de dichter zijn ervaringswereld in een ruimer perspectief, dat relativerend en geruststellend werkt. De toon wordt nog serener, de kwelling van weleer lijkt helemaal weg. Het perspectief is wel niet gewijzigd, want de mensheid is op reis ‘naar ergens een nergens’ (Poëzie), zoals hij het later nog verwoordt in Gedicht, dat deze verzamelbundel afsluit: ‘Wij levenslang op pad / naar alles tussen niets en nergens.’ Maar zoals de blaren komen en gaan, zo doet ook de mens er goed aan zich in te schakelen in de vegetatieve cyclus. En dan kan hij zeggen: ‘Zinvol het leven. Zinvol de dood’ (Homerisch). Zo verzoent de dichter zich ook met de dood in de natuur. Bij veulens en lammeren denkt hij met een hulpeloos geluksgevoel: ‘Er mag mórgen gestorven worden’ (Morgen), waarmee hij de cirkel sluit van wat hij schreef in Waterman uit zijn vorige bundel: ‘Er moet geboren worden, hier.’ Paarden en populieren, die herinneren aan het landschap van zijn jeugd, bevolken in deze bundel tal van verzen. Populieren fungeren bij Spillebeen als symbool van leven én van dood, paarden zijn als spiegelbeelden van de mens. Zij treurden zelfs ooit om het verlies van een vriend, die door hun tranen – dankzij Homeros’ poëzie – onsterfelijk werd. ‘Eens hebben wenende paarden / het leven een zin gegeven’ (Paarden). Niettemin blijft er ook in deze bundel een duidelijke ondertoon van onvrede en onrust. De gedachte aan zijn voortijd, zijn kindertijd, bevrijdt de dichter niet van het heden. De zelfanalyse gaat verder. Zoals in de roman Aeneas of De levensreis van een man, gepubliceerd in hetzelfde jaar, ontleedt de dichter objectief en afstandelijk de weg van zelfbevochten vrijheid die hij heeft afgelegd: ‘jij blijft een hij / naar wie een ik / verwonderd kijkt’ (Aeneas). Met De geschiedenis van een steenbok sluit Spillebeen op grootse wijze de zoektocht van deze bundel af.

Samen met zijn vriend en beeldend kunstenaar André Deroo publiceerde de dichter in 1983 Dubbelspoor naar aanleiding van hun vijftigste verjaardag. Tekeningen en gedichten vormen een dubbel spoor, maar de titel vindt ook een verklaring in de hoger aangegeven structuur van de dichtbundel als zelfstandig geheel. Tien verzen kregen nadien nog een plaats in Land van vergeten. Van de hier opgenomen gedichten verwijzen er twee naar de kindertijd en twee naar het heden. Weemoed om wat niet meer is, meevoelen met de tragiek in de natuur en symbiose van mens en dier zijn (weer) de thema’s.

Twaalf jaar na Dubbelspoor verschijnt Spillebeens tot dusver laatste bundel, die zijn titel ontleent aan psalm 88,13: ‘Ervaart men uw wondermacht daar in dat duister? Uw rechtvaardigheid in dat land van vergeten?’ De ontlening fungeert als motto boven een gedicht over de jeugdjaren en vormt ook het slotvers van de bundel. Land van vergeten bevat dus zowel herinneringsgedichten als existentiële verzen die het bestaan willen duiden en dus sluit ook deze bundel volledig aan bij al het vorige werk. Sprong, vlucht en val zijn de bewegingen die de levensdrift of het dreigende verlies ervan in de drie perioden van het leven thematiseren. Opvallend is ook hier weer het verruimde perspectief via de antieke mythologie, bijbelse reminiscenties of reisimpressies. Opvallend ook het hernemen van beelden als ‘de zuigkracht van die spiraal’ (Pegasos) en ‘de liesplooi van de heuvel’ (Kastanjebosje), ‘de jongen werd een man’ (Afgrond). Het allegorische en sterke gedicht Vlucht en val doet dan weer denken aan de allegorie van de steenbok en sluit ook ditmaal de bundel met een apotheose af. Ook het herlezen van eigen werk, de roman Steen des aanstoots, verbindt deze bundel met alles wat voorafging. In Lazarus geeft dat aanleiding tot een synthetiserende terugblik op zijn hele zoektocht met als resultaat: “niet verrezen wel genezen”. De zelfprojectie in het omgekeerde Lazarusverhaal bewijst dat de dichter zich helemaal bevrijd weet van de grote verhalen van weleer, maar toch rekent hij daar verder mee af, o.m. in het verhalende gedicht Egypte. Lichtere toetsen zijn dan weer te vinden in gedichten als Fietser en Carillon. Deze synthesebundel is het voorlopige sluitstuk van Spillebeens poëtische zoektocht.

Vanuit formeel standpunt vertonen de gedichten van Spillebeen een grote variatie. Vanaf zijn eerste bundels wisselen strofische gedichten af met doorlopende verzen, lyrische verzen met meer verhalende gedichten. Komen taal en beeldspraak in de vroegste bundels soms emfatisch over, dan is het gebruik ervan later meer beheerst. In de sterk gestructureerde bundels zijn ook de gedichten zelf niet zelden gecomponeerd op basis van een contrasterende tweedeling of een kringcompositie. Geritmeerde verzen met een expressieve plaatsing van woorden, een eigenzinnige interpunctie en hier en daar een onopvallend eind- of binnenrijm resulteren vaak in een sterke muzikaliteit. Strofen vallen soms samen met een volzin, die oordeelkundig opgedeeld werd in ritmische eenheden. Deze lange bewegingen versnellen soms het ritme en werken in een paar gevallen meeslepend en bezwerend. In andere verzen overheerst dan weer een staccato. Bijzonder kenmerkend voor de Spillebeens poëtica is de afwisseling tussen metaforiek en abstractie, waarin de dichter zijn eigen beelden toelicht, een registerverandering die eigen is aan gedachtenlyriek. Een gelijkaardige oversprong stelt men vast tussen het anecdotische of verhalende gedeelte van een gedicht en de vlucht die de gedachten nemen. Is de thematiek van Spillebeen doorheen alle bundels gelijklopend, zijn formele variatie werkt verrassend en getuigt van een ambachtelijk dichter die doorheen de verscheidenheid telkens weer ordent en structureert.

Willy Spillebeen publiceerde tot dusver acht dichtbundels verspreid over bijna vier decennia waarin ook tientallen romans, verhalen en jeugdromans, essays en kritieken, vertalingen en bloemlezingen het licht zagen. De thematische verhouding tussen deze uiteenlopende literaire genres verdient nader onderzoek. Er is meer aan de hand in dit indrukwekkend literair oeuvre dan de paar verwijzingen naar romans als Steen des aanstoots en Aeneas of De levensreis van een man,die hier werden aangegeven. Bovendien moet ook Spillebeens belangstelling voor het werk van NijhoffLeopold en Gerhardt ongetwijfeld sporen hebben nagelaten in zijn eigen dichtwerk. Dat consistente en homogene poëtisch oeuvre, waarin de vertrouwde thema’s voortdurend interfereren in een steeds wisselende vormtaal, is een indrukwekkend voorbeeld van belijdenislyriek door een dichter die op een authentieke wijze zoekt naar het wezen van de menselijke existentie. Die authenticiteit, wars van elke pose, maakt zijn poëzie zo overtuigend en herkenbaar voor wie mee wil stappen met de dichter. Spillebeen onderschreef of citeerde in dit opzicht geregeld drie uitspraken van Albert CamusMaurice Gilliams en Victor Hugo: ‘L’homme vit et meurt et n’estpas heureux.’ – ‘Doorheen en in alles blijf ik-zelf onderwerp van wat ik schrijf ‘ – ‘Quand je dis ‘je‘, je parle de vous tousmalheureux!” Het zijn drie onmisbare leessleutels voor wie in zijn werk wil thuiskomen.