IJsmummie

IJsmummie

Claude van de Berge stelde op 19 oktober 2002 de dichtbundel IJsmummie voor, een uitgave van Uitgeverij P, in het Cultureel Centrum van Assenede. Patrick Lateur gaf daar deze inleiding.

Een uur of twee uur geleden hebben we ons allen voorbereid om hier tijdig aanwezig te kunnen zijn. Maar er was nog wel een telefoon die rinkelde of een mail die binnenliep, de jongeren des huizes moesten zo nodig nog ergens gevoerd, de uitnodiging met het juiste adres was zoek en… enzovoort. Onderweg voor sommigen de obligate files of een te trage voetganger op het zebrapad. En eindelijk in Assenede toch nog even zoeken om de wagen zo dicht kwijt te raken om ons dan finaal toch een paar straten verder te verzoenen met een naar onze normen ver afgelegen parkeerplaats. We hebben ons allemaal gehaast, dames en heren, om een bundel te begroeten die ons uitnodigt geen haast te hebben.

* * *

1.
Het duur modewoord ‘onthaasting’ weiger ik te gebruiken, omdat het de ontkenning inhoudt van wat wij eigenlijk allemaal toch wél willen of moeten zijn. Zo’nneologisme is een schaamlapje voor ons oneigenlijk gedrag, waar we het zogezegd wel moeilijk mee hebben, maar waar we moeilijk van af willen. Claude van de Berge en Arlette Walgraef, dames en heren, nodigen ons met uitgepuurde woorden en ijzige beelden uit om met andere ogen naar een andere werkelijkheid te kijken. Een realiteit die bestaat ver van ons, duidelijk gelocaliseerd in het westen van Groenland, maar die zij alleen maar kunnen benaderen, omdat zij ook hier reeds met andere ogen kijken naar de werkelijkheid rondom hen. De filosoof Seneca, die als stoïcijn in het oude Rome schreef voor de hypergeciviliseerde Romeinen van Nero’s tijd, schreef in Brief 28,2– een brief over reizen: “Je moet de last van je geest afleggen: anders zal geen enkel landschap je rust geven.” Dichter en fotografe zijn geen gezapige en zappende toeristen die elk jaar weer twee andere en nieuwe exotische landen willen aflopen. Zij zijn gedreven en bedreven reizigers die vanuit hun relatief isolement in het grensland tussen Vlaanderen en Nederland in andere en eindeloze grenslanden het ultieme isolement zoeken en de ultieme verstilling ervaren. Wat wij in onze volgebouwde contreien met een andere gênante schaamlap ‘stiltegebied’ moeten noemen, wordt hun daar aangereikt in letterlijk oneindig meer dan de veelvouden van onze stiltegebiedjes. Zij gaan daar, beweerde ik zo-even, het ultieme isolement zoeken. Eigenlijk is het niet helemaal dat. Het is dat zelfs helemáál niet. Isolement (verwant met het Latijnse ‘insula’, ‘eiland’) betekent: het afgezonderd-zijn, het alleenstaan. En dan mogen dichter en fotografe op IJsland en Groenland wel een eilandgevoelen hebben en zich daar afgezonderd weten van onze hectische wereld, voor hen is het geen ultiem isolement. Hun gaat het veeleer om het omgekeerde daarvan. De ijswereld biedt hun de mogelijkheid één te worden met een wereld waarin alle grenzen vervallen, waarin leven en dood in elkaar overvloeien, waarin onderscheid tussen zijn en niet-zijn vervaagt. Een landschap, waarin het individu geen eenling meer is, maar opgaat in alles, opgaat in een overweldigende ervaring die heden en verleden, het hier en het daar relativeert, opgaat in een kosmische orde die de mens ver overstijgt. Dat blijven IJsland en Groenland voor Van de Berge en Walgraef. Zij brachten er om de twee jaar voor uitgeverij P telkens twee bundels van mee. IJsland en Asland in de tweede helft van jaren negentig, in 2000 Arctica en vanavond de nieuwe bundel IJsmummie.

2.
De vier bundels, dames en heren, liggen in het verlengde van alles wat Claude Van de Berge sinds De Ontmoetingen uit 1968 publiceerde aan romans en dichtbundels. Van de Berge werkt aan een opus, een opus magnum. Dat klinkt vandaag een beetje verdacht. Want een opus veronderstelt een continuüm en dus van de auteur een lange adem en van de lezer een geduldig meestappen met die auteur. Dat is niet zo’n spectaculair gebeuren als men wel eens in kunstkringen, ook in literaire, verwacht. Men verwacht vandaag veeleer evolutie te zien in een artistiek oeuvre. Uitdeinende waterkringen of dieper kringelende spiralen scoren niet goed. Want het kan toch niet, zo wordt wel eens gedacht, dat iemand al ruim drie decennia lang in een heel eigen schrijfstijl een geestelijke zoektocht uitschrijft. Wie per se van evolutie houdt, moet om te beginnen dan toch vaststellen dat Claude Van de Berge sinds de bundel Het silhouet uit 1993 uitsluitend het vers hanteert. Hierin lijkt hij de meeste en de beste dichtheid te hebben gevonden die hem in staat stelt zijn thematiek te verwoorden. Bovendien stelt men vanaf Arctica uit 2000 een versobering vast in de gedichten en die wordt in de nieuwe bundel verder doorgetrokken. De gedichten zijn, om het banaal te zeggen, korter geworden. De economie van het woord onderlijnt de onzegbaarheid van wat hij aanvoelt en ervaart, en zij respecteert het onzegbare. Blijft natuurlijk de onweerstaanbare drang naar spiritualiteit die uit de gedichten spreekt. Los van institutionele religies, los van de grote verhalen, blijft de dichter zijn eigen diepten verkennen binnen de moderniteit. Ik heb de indruk dat zo’n queeste binnen de literatuur nog niet de kansen krijgt die het in de beeldende kunst de jongste jaren wel heeft gekregen. Bij de opening van de MACs in Le Grand Hornu (het Musée des arts contemporains) en in de tentoonstelling Besloten wereld, open boeken in Brugge zag ik een paar weken geleden nieuwe videokunst van David Claerbout. Wat Claerboutmet beelden doet, bewerkt Van de Berge met woorden. De videokunstenaar doet ons met vertragende en verstillende beelden intenser kijken, dieper kijken. Er bestaat een grote verwantschap tussen de werken van Claude Van de Berge en die van David Claerbout. Verzen en videobeelden zijn elk op hun manier uitdrukkingen van een nood aan verstilling, zij vormen beide a.h.w. een lof der traagheid. Die verstillende, vertragende intensifiëring van het bestaan vindt de dichter in het sneeuw- en ijsland van het Hoge Noorden. De taal waar hij het landschap mee ontsluit, is niet de kille taal van de wetenschapper, niet de beschrijvende taal van de reisgids, maar de oudste taal die we hebben, die van de zanger: de taal die dingen benoemt, een naam geeft en op die manier scheppend en verhelderend werkt. Zo’n taal ontstaat niet uit veelsprakerigheid bij de vele indrukken die in dat land van wit en ijs op hem afkomen, maar uit een diep zwijgen waarin de dingen zelf gaan spreken tot de sprakeloze. Poëzie ontstaat uit het zwijgen in de diepte van de ziel die schouwt, die alleen maar kán schouwen én terugwijken voor de verpletterende werkelijkheid die verwijst naar de continuë eenheid van alles.

3.
Van de Berges poëzie, dames en heren, is de poëzie van de evasie uit een wereld van utiliteit en rentabiliteit, een ontsnappen uit de wereld van het hebben. In de ijsvlakten en op de ijsbergen moet niets, het enige moeten behoort tot de orde van het zijn. Het is betekenisvol dat de nieuwe bundel IJsmummie twee motto’s meekrijgt, een langer citaat van de beroemde Noorse ontdekkingsreiziger Fridjof Nansen die in 1888 door Groenland trok, en één regel van de mysticus Eckhart: “Waarheid verdraagt geen handelsgeest.” Waarheid behoort dus niet tot de orde van het hebben, maar heeft alles te maken met het zijn. In het witte Groenland – en ik citeer nu verder FridjofNansen – “zijn alle raadselen van het leven helder, en je begrijpt niet dat je je ooit met overbodigheden inliet.” De bundel vormt vanuit dit inzicht één grote suite in zich steeds herhalende bewegingen rond eenzelfde thema. En het thema wordt de dichter aangereikt door de magische fluisterstemmen die hij meent op te vangen uit het geluid van miljoenen smeltende ijskristallen die openspatten in een rotskloof van een ijsfjord. Hij herkent daarin de zang van de ijsmensen die in opengewaaide rotsgraven rusten. “Als alle leven in de schedel is uitgewist, blijft in hem / nog steeds de zang achter.” en “Schaduwen zonder stem roepen” luidt het in de eerste gedichten. Uit de ruïnes van het dorp van de ijsmensen hoort de dichter: “Er is een wijsheid in ons die wijder is / dan het wijdste heelal. / Het is het ijs van de ziel.” Door de hele bundel ontwikkelt zich een merkwaardig poëtologisch proces. Het bezielde landschap, de stemmen van de ijsmensen vormen als het ware een kosmisch koor waarin de ziel van de dichter zich aangesproken voelt en er zich zoekende en schrijvende mee verenigt in een groeiend bewustzijn van oneindigheid. “Gelijkenis is eenheid. / Gelijkenis is schepping. / Gelijkenis schept zichzelf. / Gelijkenis schept zichzelf in elkaar.” lezen we naar het einde toe van de bundel. Het ‘wij’ van de ijsmensen wordt het ‘wij’ waarmee de dichter zich uitdrukt, de scheiding is zelfs niet steeds te maken en mag zelfs niet worden gemaakt. Eén enkele maal breekt het ‘ik’ door, maar dat gebeurt pas op het moment dat de zang is verklonken en de dichter zijn bundel afsluit met een poëtica, zoals hij dat ook in de drie vorige deed. Een roepende poolzwaan nadert hem. De zwaan, die ook in andere bundels van Claude Van de Berge opduikt, is sinds de Oudheid het beeld van de dichter. “En ze wordt mijn stem” luidt het slotvers. Een beeld van vervloeien en versmelten. De dichter, één geworden met alles door de zang van de ijsmensen, verwoordt in een schitterend slotbeeld het ultieme in elkaar overgaan. Hij kan voortaan niet meer spreken uit zichzelf, want het individu is niet meer de eenling, maar via de zwaan spreekt hij vanuit het al, waartoe ook de poolzwaan behoort.

Ik heb het gevoelen dat ook deze bundel van Claude Van de Berge zich verzet tegen elke analytische benadering. Zo’n analyse vloekt zelfs met de fundamentele gedachte van oneindige eenheid die de bundel draagt. De enige houding die een lezer hier past is die van de Griekse sympatheia, de echte sympathie, d.w.z. proberen te delen in de pathos van de dichter. En de dichter helpt ons daarbij, hij voert ons mee, hij vervoert ons, o.m. door zijn repetitieve verzen met een uitdeinend parallellisme: “Langzaam vloeiend. / Langzaam vloeiend over de versteende zon.” Ook door beelden en verzen die in hun herhaling echoën over de gedichten heen. Heel merkwaardig in deze bundel is het repetitieve van kernwoorden die in hun samenstelling het semantisch veld verruimen. Ook in de vorige bundels zocht Van de Berge steeds naar nieuwe samenstellingen. Het is het waarmerk geworden van zijn creatieve omgang met de taal. Maar in IJsmummie tel ik zowat honderd (honderd!) verschillende samenstellingen die niet onmiddellijk in Van Dale te vinden zijn. Van gletsjerblind tot gletsjerwind lopen tien samenstellingen, van ijsadem tot ijszang tel ik vijfentwintig composita. En ook hier geldt, dat in de samenstelling meer resoneert dan de som van de delen. In die neologismen (dát zijn pas neologismen!) klinkt iets door van het onzegbare. Want deze woorden zijn geen uiting van een gratuït talig spel, hier is geen sprake van constructie of pose. Het is Van de Berges manier van denken, van schrijven, van zijn.

*  *  *

Dames en heren, ik heb weinig gezegd over de foto’s van Arlette Walgraef. U zult ze straks geprojecteerd zien. En u zult met mij de compositie en de wisselende kleuren bewonderen die de fotografe wist te vangen binnen landschappen, die op zich reeds vormen van landart zijn, maar dan in de meest natuurlijke vorm. De foto’s ademen de kleinheid uit van de mens, de grootsheid van het geheel en de tijdloze eenheid van alles. Zij ondersteunen op die manier visueel wat de dichter met het woord uitdrukt. Die beelden, die woorden moeten wij koesteren. Zij maken ons minder haastig. Zij zijn de gezangen van de stilte die wij zo nodig hebben. Zij helpen ons doorheen de schoonheid de essentie te zien. Het siert uitgever Peeraer dat hij daar stem blijft aan geven. Dichter, fotografe en uitgever moeten wij daarom ook dankbaar zijn en gelukwensen.