Poëzie en religie

Ida Gerhardt

Patrick Lateur publiceerde in Openbaar, tijdschrift voor leesbevordering de bijdrage Poëzie en religie: het grote verhaal voorbij?. Je kan die hieronder lezen.

Poëzie en religie: het grote verhaal voorbij?

De titel van deze bijdrage is voor interpretatie vatbaar. Voor alle duidelijkheid: religie staat hier voor christendom. En een mogelijke vraag is dan — want er staat een vraagteken: is wat ooit begon bij Ambrosius en Prudentius, de eerste christelijke dichters van het Westen, is er na bijna tweeduizend jaar nog een plaats voor wat wij met enige reserve christelijke poëzie noemen? Is het grote verhaal daarvan voorbij? Een ander accent in de verklaring van de titel zou postmodernistisch kunnen zijn, ook al is dit duur woord zichzelf aan het overleven. Voor de moderniteit hebben de grote verhalen, waaronder ook dat van het christendom, afgedaan. Dan zou de vraag luiden: is er voorbij het debacle van dat grote christelijke kader nog toekomst voor een christelijk geïnspireerde poëzie? Waar haalt een dichter het lef om tegen de tijd in te schrijven?

Mijn verhaal bestaat niet uit een overzicht van recente christelijke poëzie. Ik zou liever de veranderde context willen schetsen, ten tweede zoeken naar wat bepalend kan zijn voor christelijke poëzie vandaag en tenslotte een paar wegen aanwijzen waarlangs christelijk geïnspireerde poëzie kansen heeft. Een en ander wil ik illustreren met verzen en op die manier ligt hier toch een staalkaart voor van religieuze poëzie in Vlaanderen. Mijn verhaal zal noodgedwongen onvolledig blijven, zowel in de keuze van gedichten en dichters als in mijn drieledige verkenning van het thema.

Mijn ouverture is een gedicht van een grote Nederlandse dame die mede het gezicht heeft bepaald van de poëzie in de 20ste eeuw. In de laatste bundel van Ida Gerhardt, De adelaarsvarens uit 1988, staat het gedicht Het Beloofde Land. De titel kan een bijbelse leessleutel zijn voor een gedicht dat voor het overige een neutraal en anekdotisch tafereel oproept van het loslaten van een hele tros balonnen op de Dam in Amsterdam. De beschrijving van wat stilaan als een ritueel wordt aangevoeld, eindigt met een verrassende metafoor in een pointe waar plots een totaal andere dimensie oplicht.

Het Beloofde Land

Een koopman met een tros balonnen
riep op de Dam: ‘wie maakt me los?’
Een man werd door zijn roep gewonnen
en kwam en kocht de hele tros.

En mensen, elk met zijn gedachten,
zonder te weten wat hen trok,
vormden een kring rondom en wachtten
of de tros los kwam van de stok.

En die hem kocht en vrij mocht geven
trad zwijgend midden in de kring.
Het werd zeer stil. Hij wachtte even
en trok de koorden van de ring.

En dansend was hij al ontstegen,
die van ons ieder medenam
wensen een leven lang verzwegen,
en zweefde boven Amsterdam.

Hoog, hoog boven de Westertoren
zagen wij hem in de avond gaan;
tot wij hem uit het oog verloren,
de druiventros van Kanaän.

Ik vind dit een bijzonder geslaagd religieus gedicht omdat Gerhardt een haast banaal gebeuren omdicht tot een ervaring waaruit de hoop spreekt op een uiteindelijke vervulling van alle menselijke verlangens. Het is de vraag of de bijbelse metafoor van de druiventros van Kanaän vandaag nog kan worden begrepen, terwijl wij ons verzamelen rond de vleespotten van Egypte. Nu denk ik wel dat er méér aan de hand is dan een puur materialisme dat de zin voor spirituele waarden verstikt. De genoegens van de materiële welvaart laten wij ons allen welgevallen. Dat is een gegevenheid en ik haal zelfs opgelucht adem bij de gedachte dat wij niet met zijn allen geroepen zijn tot een franciscaanse ascese. Er is dus meer aan de hand, zei ik. Het postmodernistische denken erkent dat er bij de mens een metafysisch verlangen leeft, maar stelt dat die behoefte niet te bevredigen is. Alle grote verhalen daaromtrent, dus ook het christelijke verhaal, verliezen elk fundament. Dat vertaalt zich sinds geruime tijd o.m. in een pragmatisch atheïsme waarop elke poging tot zingeving zich te pletter rijdt. Die pragmatische levenshouding wordt nog versterkt door de nieuwe ideologie van wetenschap en technocratie die zweren bij zakelijkheid en feitelijkheid, ondanks de zware kritiek vanuit de humane wetenschappen, de theologie en ook vanuit de postmoderne filosofie die zich tegen elke ideologie verzet. Moeten wij dan de cultuurpessimisten gelijk geven? Ik denk het niet, vooral vanuit de wetenschap dat Socrates en Plato reeds met het probleem worstelden.

Christelijk geïnspireerde kunst en literatuur krijgen het binnen dit klimaat ongetwijfeld moeilijk. Daar zijn nog andere redenen voor aan te wijzen. Europa is niet langer het centrum van de wereld. Door het doorbreken van het eurocentrisme komen de bijbelse, Grieks-Romeinse en christelijke wortels van onze cultuur in een nieuwe verhouding te staan. Vooral bij jongeren is die cultuurbreuk diepgaand. De meesten kunnen eigenlijk het intellectuele spel niet begrijpen dat postmodernen citaatsgewijze spelen met bijbel en antieke teksten.

Op literair vlak heeft het internationaliseren van de literatuur, o.m. door een enorme vertaalactiviteit, dat cultuurrelativisme versterkt. Maar diezelfde vertaalstroom doet ons uit alle werelddelen verzen overwaaien die universeel en herkenbaar zijn. Kunnen wij dan treuren om het doorbreken van onze vertrouwde kaders? Haast willekeurig gekozen uit De mooiste van de hele wereld, twintigste-eeuwse wereldpoëzie gebloemleesd door Koen Stassijns en Ivo Van Strijtem, dit vers van de Chinese dichter Feng Zhi:

In ‘t holst van de nacht diep in de bergen
luister ik naar het geruis van de regen.
Het bergdorp tien mijl hiervandaan
de marktplaats twintig mijl ver

bestaan ze nog?
De bergen en rivieren van tien jaar geleden
de dromen en illusies van twintig jaar geleden
zijn ondergedompeld in de regen.

Aan alle kanten zo nauw
alsof ik weer terug ben in de moederschoot;
o God, ik smeek U diep in de nacht

als een mens uit de oertijd:
geef aan mijn enge hart
een wijd heelal.

In Vlaanderen werd en wordt de secularisatie van de maatschappij bijzonder sterk aangevoeld. Het lijkt er op dat de ideeën van de Verlichting en de Franse Revolutie nu pas hun uitwerking kennen. Decennialang waren kerk en geloof dominant aanwezig op alle domeinen van onze samenleving. Samen met de reactie van andersdenkenden leidde dat tot een onzalige verzuiling die het cultureel landschap verkavelde. Dit tijdperk wordt vandaag afgesloten. Ook op literair vlak waren die decennia confronterend. Gelovigen mogen niet vergeten dat zij lang met de index of met leeskwoteringen hebben gezwaaid. En van de weeromstuit werden hun creaties verzwegen in wat toen de vrijzinnige literaire kritiek heette. Vandaag is er een en ander veranderd. Een paar jaar geleden heeft Benno Barnard en in zijn spoor Herman De Coninck in o.a. Het NieuwWereldTijdschrift en in De Morgen het werk van Anton van Wilderode met andere ogen bekeken en besproken. Toch blijft de christelijke component in zijn werk voor sommige critici problematisch.

Er zijn wellicht weinig dichters bij wie de religieuze component zo wezenlijk en toch zonder veel expliciete verwoording met zijn hele oeuvre verweven is. Een van de schitterendste voorbeelden daarvan is het slotgedicht van Dorp zonder ouders dat aantoont hoe de toen 60-jarige dichter niet leefde van louter zekerheden:

Tijden terug toen alles nog van voren
af aan beginnen moest, de weg naar boven
van leerzaam leven loutering geloven
en aan een hoge meester toebehoren
die weelde dikwijls dikwijls wee zou wezen.
ik sta nog aan de rugwand van de krater
gevuld met lava of met levend water.

Verlaat mij niet nu met geweld gerezen
de arend nacht door geen bevel beteugeld
hangt in de valscherm van zijn harde vleugels.

Poëzie van uitzonderlijk gehalte waarin klanken, beelden, vreemde syntaxis op een voor een klassieke dichter verrassend moderne wijze de gedachtengang dragen. Een maatschappij waarin een Godsverduistering heeft plaatsgevonden, kan moeilijk oog hebben voor het inhoudelijke aspect. Bekend is de uitspraak van BennoBarnard dat zijn vader, de dichter Guillaume van der Graft, veel meer gelauwerd zou zijn zonder dat verdomde ambt van dominee. Van der Graft is zich daarvan bewust en vol begrip schrijft hij in zijn Verzameld vertoog (1989) in een bijdrage uit 1987: “We zullen hebben te aanvaarden dat we onverstaanbaar zijn.” (blz.331). Ook in Nederland is de marginaliteit van christelijke auteurs dus een feit. Sinds 1982 vonden de meesten elkaar in het tijdschrift Woordwerk van Hans Werkman en na wat redactionele discussies vanaf eind 1991 in een tweede blad, Bloknoot, onder redactie van Dirk Zwart. Inmiddels hebben beide redacties elkaar teruggevonden en werken zij sinds 1998 weer samen aan Liter. Christelijk literair tijdschrift.

Als er vandaag nog een grote weerstand bestaat om christelijk geïnspireerde poëzie onbevangen te bespreken, heeft dat ook te maken met artistieke criteria. Het grote bezwaar tegen religieuze poëzie blijft voor sommigen de autonomie van de kunst. De boodschap van de literatuur is dan uitsluitend dat zij literatuur is. Het is een oude strijdvraag, maar ik kan me onmogelijk verzoenen met de idee dat een auteur vrijblijvend schrijft. En voor een auteur die zich gelovig weet, is dat geloof zo essentieel en existentieel dat het meeklinkt in wat hij doet en schrijft. In de poëzie van Willie Verhegghe kan ik onmogelijk abstractie maken van zijn sociale gedrevenheid en Verhegghe weet van mij wat mij bezielt als ik schrijf. Als in het themanummer over God, dat Dietsche Warande en Belfort twee jaar geleden publiceerde, uitsluitend auteurs aan het woord kwamen die men moeilijk kan verdenken van enige gelovige visie en dus blijkbaar God, zelfs al was het bij wijze van spel, in hun teksten ter sprake kunnen brengen, dan moet dat ook probleemloos kunnen voor auteurs voor wie die God van existentieel belang is. Maar de Nederlandse boekenweek die in 1996 ook onder de vleugels van God stond, heeft aangetoond hoe gevoelig dat thema ook in het Noorden ligt.  “We zullen hebben te aanvaarden dat we onverstaanbaar zijn” zei Van der Graft dus. Met velen van diverse overtuigingen blijf ik geloven dat literatoren elkaar kunnen begrijpen en waarderen, want ook in het huis van de poëzie zijn er veel kamers.

Een twee reeks beschouwingen cirkelen rond het begrip christelijke literatuur zonder daarvan een duidelijke definitie te willen en te kunnen geven. In de literatuurgeschiedenis sprak men vroeger nogal eens van wereldlijke en geestelijke poëzie, maar die woorden zijn zo doortrokken van platonisch dualisme dat ze niet meer zo bruikbaar zijn. Religieuze poëzie dus, of christelijke? Het begrip religieus heeft alles te maken met ervaring, zoals Herman Mertens het in tal van publicaties heeft verwoord. Geen enkel ding is op zich religieus, maar kan wel als religieus worden ervaren. Het gaat dan om een menselijke ervaring binnen de werkelijkheid van elke dag, een ervaring die zo ingrijpend is dat de mens uitzicht krijgt op een andere werkelijkheid achter die alledaagse realiteit. Zo ervaar ik het werk van Claude van de Berge als religieus. Als lezer heb ik die vrijheid en kan ik op de tekst, zoals die daar als een objectief gegeven voor mij ligt, reageren vanuit mijn aanvoelen. Overigens thematiseert het hele oeuvre van Van de Berge, dat door de literaire kritiek vaak onderschat wordt, de drang naar een overstijgen van de werkelijkheid. Het oneindig kleine en het oneindig grote vallen in zijn kijken en zijn schrijven samen en zo wordt er iets voelbaar van het kosmische mysterie. De hymnische en repetitieve vorm van zijn verzen ondersteunt dat. Uit de in 1996 verschenen bundel IJsland, een gedicht:

Het is het ogenblik dat de dag zich onderdompelt
in de ogen.

O huivering.

Het is het ogenblik dat de spiegel zich opent
en geen beeld weerkaatst.

O huivering.

Het is het wonderlijke ogenblik dat de zwaan
rechtopstaand slaapt.

O huivering.

Het is het ogenblik dat een bloem openbloeit in
de gebroken woorden en wij roepen van oever tot
oever.

O huivering.

Het is het ogenblik dat het licht binnensijpelt in
de stem en wij zeggen: ik kom, ik kom.

O huivering.

Er is de lezer die een tekst als religieus kan ervaren, al dan niet gesteund door de bedoelingen van een auteur. Maar er is ook de wereld die door een gedicht wordt opgeroepen en als religieus kan worden geduid of zelfs christelijk, als er bijbelse motieven in het spel zijn. In zijn creatieve fantasie kijkt de dichter met andere ogen naar een brok werkelijkheid rond zich en geeft die een nieuwe dimensie mee door een beeld ontleend aan de bijbel. Hubert van Herreweghen geeft in de bundel Karakol uit 1995 het gedicht Regenboog een bijbelse dimensie mee door een verwijzing naar het Oud Verbond waar de regenboog teken werd van de band tussen Jahweh en de mensen:

Regenboog

Ja! Ja! Patrijzen!
                     Opgestoven
voor mij, geen jager in het rond,
strijken twee koppels met een boog,
een lage, neer in ’t bietenveld,
terwijl het heilicht zonder donder,
overal glimlach, laag en hoog,
met spiegelspel een droom vertelt.

Volstrekte stilte staat hersteld,
zo diep, dat men zou gaan geloven
dat er een eind komt aan geweld,
voor pluim en haar godsvrede geldt,
een heil, als in het Oud Verbond,
gezegend met een geur van grond
en met een regenboog erboven.

Geen jager, geen donder, geen geweld, alleen maar glimlach, droom, godsvrede, heil en een band tussen lucht en grond, hemel en aarde, waarvan de dichter de enige getuige is. Een wonder gedicht dat preludeert op de volmaakte harmonie. Dit vers breekt de werkelijkheid open en geeft haar een dimensie méér. Dit vers is religieus en bijbels.

Er is de lezer die een tekst ervaart, er is de wereld die door een vers wordt opgeroepen. Er is ook de auteur, de maker van het kunstwerk. Ik weet dat de Romantiek allang voorbij is, maar om christelijke literatuur te traceren, kan men niet om de persoon van de poiètès, de maker heen. Christelijke poëzie is geschreven door een auteur met een christelijke levensbeschouwing. Die dichter zal ook ander werk creëren waarin die visie niet expliciet verwoord wordt, maar geloof is voor een mens zo ingrijpend dat het in het oeuvre wel altijd op een of andere manier zal doorwerken. In Gebinte van een naam uit 1994 zoekt Rudolf van de Perre naar het wezen van de artistieke bestemming aan de hand van leven en werk van de polyfonist Johannes Ockeghem. De dichter van de Perre en de componist Ockeghem zijn opsplitsingen van eenzelfde creatieve drang die de spanning tussen tijd en eeuwigheid probeert op te heffen. De gelovige levensvisie van Van de Perre is bepalend voor de interpretatie van volgend gedicht:

Muziek alom heeft mijn bestaan gevuld
weerklonk in kerken hoven en paleizen
maakte menige plaats tot paradijs en
heeft de boom der kennis gestaag bevrijd

van onderscheid. Ook het gesproken woord
laat in ritme en klank de echo’s varen
van een wereldvreemde harmonie. Maar de
stem verplicht tot taal, volgt het naakte spoor

van tekens stoelend op vergankelijkheid.
Muziek ontstijgt de stof der instrumenten:
vedel en harp of fluit zij listig mengen
een flits van eeuwigheid pal in de tijd.

Lezer, geëvoceerde wereld en auteur bepalen of we kunnen spreken van religieuze of christelijke poëzie. Uiteindelijk is er ook het geheel van de tekst zelf. De jongste decennia is de benadering van een literair werk dikwijls formalistisch of structuralistisch. De inhoud werd daarbij even vaak genegeeerd. Voor het soort poëzie dat ons hier bezighoudt, is zoiets problematisch. Er bestaat natuurlijk geen christelijk vrij vers of christelijk metrum of christelijke parlandostijl. Even essentieel als de artistieke vormgeving is voor christelijke poëzie de inhoud die op een of andere manier spreekt over de verhouding van de dichter tot de grond van zijn bestaan. Een christelijk geïnspireerde poëtica conformeert zich niet aan het gelaat van de dingen maar strekt zich uit naar de voltooiing ervan vanuit de hoop die ons werd toegezegd. Uitgesproken christelijke poëzie thematiseert een overtuiging. Guido Gezelle deed dat op een onnavolgbare manier die vandaag opnieuw de aandacht trekt, zij het wellicht vooral om zijn formele kwaliteiten. Een recent voorbeeld van dit aspect van christelijke poëzie zijn de Paas– en Pinksterbrieven waarmee Jan Veulemans zijn bundel Ogen krijgen uit 1995 besluit. Het derde Paasgedicht:

Het boek voltooid.
Wat komt is wennen en getuigen
voor blijdschap vatbaar.
Het leed van overal en ooit
ook thans niet om te buigen
maar voedzaam en voorlopig
en heilig ons gegeven
voor naderhand.

Het boek van dorst en kruis geschreven
en open naar de overkant
van altijd leven.

In een derde en korte benadering wil ik nog even wijzen op een paar voorwaarden en kansen van christelijk geïnspireerde poëzie.

Die poëzie moet voldoen aan de eisen die de literatuur stelt. Toen het IPB in 1995 zijn 25ste verjaardag vierde, schreef het een Prijs Religieuze Poëzie uit. Als jurylid had ik het genoegen meer dan 800 vellen poëzie te lezen. En dikwijls sloeg dat genoegen om tot ongenoegen bij de vaststelling dat ondanks alle religieuze bevlogenheid en goed bedoelde zchrijfsels de poëzie zelf ver te zoeken was. Die ervaring heeft me twee dingen geleerd. Primo: de literaire wereld ligt niet wakker van de uitdaging die religieuze poëzie stelt, want slechts een heel kleine minderheid uit de niet geringe Vlaamse dichterbent nam aan de wedstrijd deel. Secundo: binnenkerkelijk is er werk aan de winkel om geloof en spiritualiteit ook in artistieke uitdrukkingsvormen ter sprake te brengen en om ook jongeren daartoe te stimuleren. Toch heeft die wedstrijd een kleine maar mooie bloemlezing voortgebracht die Rudolf van de Perre inleidde en publiceerde onder de titel Niet te stelpen licht. De prijs ging toen naar Mark Naessens, die in een moderne en relativerende schriftuur binnen het scheppingsverhaal aandacht vraagt voor wat de mens, in de vrijheid die hij kreeg, met die schepping heeft gedaan en nog kan doen. Genesis I werd later opgenomen in de bundel Met twee messen (1996).

Eerst vond hij de tijd uit die nooit had bestaan,
nam dan iets van het niets tussen de vingers,
blies. Uit zijn adem ontglipte de chaos.
Hij schrok. Een onmacht die eeuwig zou duren.

Want de tijd die hij schiep was al verstreken.
Uit de chaos koos hij hemel en aarde
als decor voor wat hij nog aanrichten wou.
Hij lachte. Een grijns die nog niet is geweken.

Want hij wist al wat hierna moest gebeuren:
dat zijn schepping zichzelf zou verslinden,
langzaam van de zesde dag af. Toch blies hij
de mens op die aarde en zei: je bent vrij.

Het is de niet geringe verdienste geweest van het Interdiocesaan Pastoraal Beraad het belang van zo’n initiatief in te zien. Wij kunnen alleen hopen dat dergelijke stimulansen ook door de kerkverantwoordelijken worden genomen. Ik denk o.m. aan een vorm van religieuze poëzie waarover ik het nog niet heb gehad, nl. een functionele poëzie die binnen en buiten de liturgie bruikbaar is. Exemplarisch daarvoor is het Klein Getijdenboek. Psalmen en andere liederen (1997) van Piet Thomas. Het boek bevat vertalingen en bewerkingen, op rijm of in vrije ritmiek van bijna honderd psalmen, en verder een reeks nieuwe kerkliederen en vertalingen van hymnen, alle van de hand van Thomas. Hopelijk komt het werk in handen van veel componisten die deze teksten een tweede adem geven. Uit het tweede deel een klein voorbeeld:

Simeon zingt

Laat nu je dienaar gaan
in vrede naar je woord,
want ik mocht gadeslaan
hoe jij je volk aanhoort.

De mensgeworden Zoon
heeft oog en hart verlicht.
Wat heilig is en schoon
glanst in zijn aangezicht.

Jij spreekt de mensen aan.
Ik heb je stem gehoord.
Laat nu je dienaar gaan
in vrede naar je woord.

Naast de dienstbaarheid van deze functionele poëzie moet een christelijk geïnspireerde dichter in zijn eigen verzen de autonomie bewaren. Christelijke poëzie kan geen dienstmeid van de theologie worden. Anno 2001 mag religieuze poëzie geloof en wereld kritisch benaderen, teruggrijpen naar de bronnen, weerklinken in een theologische meerstemmigheid, dialogeren met de cultuur van vandaag. In dat opzicht is de poëzie van Aleidis Dierick betekenisvol. Zij stelt zich kritisch op en komt o.m. op voor de plaats van de vrouw. In een gedicht dat verscheen in Geloof zonder kunst? Kunst zonder Kerk? (een themanummer van Vlaanderen jg. 46, maart-april1997, nr. 265, blz. 85), schetst Dierick het beeld van een maaltijd, een agapè, waar rond de tafel twaalf mannen filosoferen en discussiëren en graag opgemerkt worden zoals het ironiserend citaat van Berkeley aangeeft. De voorganger is een vrouw, die alleen spreekt in stille gebaren en gedachten en verwijst naar de ongecompliceerde taal van de parabels.

O, Christus

Met twaalf om de dis.
Zij bidt in stilte om licht,
dan reikt ze hen brood,
honing, wijn, vis.
Over de tafel
verschuift hun woord:
Nietzsche, zegt hij, Foucault,
Wittgenstein, Bentham, Plato.

Hegel, zegt hij,
Tacitus, Tauler,
Finkelkraut, Steiner, Socrates.
Kant.
And last but not least
Berkeley, eightieth century Ireland:
‘To be is to be perceived.’

Mild deelt zij de punten
van de roomwitte taart.
De theerozen geuren
in de blauwe vaas.
O, Christus, denkt zij,
Gij die alles verklaart
in de kleine parabel
van het mosterdzaad!

* * * 

Het grote verhaal kan voor sommigen dan al voorbij zijn. In elk geval is er nog een veelheid van kleine verhalen, o.m. van dichters die zich blijven geraakt weten door de catastrofe van Golgota én door het licht van Pasen. Met de openheid die behoort tot het wezen van het evangelie én van de poëzie moeten zij in de taal de werkelijkheid blijven openbreken. Dan wordt wellicht ook  ‘de druiventros van Kanaän’ ooit weer herkenbaar.

Verschenen in: Openbaar, 31(2001)5, pp. 255-260. De tekst is een licht gewijzigde versie van een lezing op de Basiel de Craene-poëziedag in 1997 in Merendree.