Pindaros et alii

Pindaros et alii

Tijdens het tweedaags colloquium De klassieken vertaald: het proces van de Universiteit Gent op 30-31 oktober 2000 in Het Pand, gaf Patrick Lateur de lezing Pindaros et alii. Later verscheen de integrale tekst nog in Filter. Tijdschrift voor vertalers & vertaalwetenschap, 8(2001)3 (pp. 37-45). Je vindt die hieronder terug.

Pindaros et alii

Reflecteren over het particulier vertaalproces heeft niet alleen te maken met vertalen zelf. Aan het vertalen gaat een ontmoeting vooraf van tekst en vertaler. Mijn verhaal is dus tweeërlei: ontstaan en strategie, of bepa­lende anekdotiek en evoluerende techniek. Maar het is hoe dan ook een verhaal, en bovendien partieel.

Drie anekdoten 

Vertalen is voor mij een vrij recent gegeven. In het laatste decennium heb ik me daarbij eigenlijk weinig expliciet methodologische vragen gesteld. Bewuster in de aanloop naar het vertaalproces was de keuze van de tek­sten. Of beter: de teksten kozen mij. Meer dan omwille van lacunes in het vertaalveld vertaalde ik omdat me een paar dingen overvielen.

PindarosRome, Via Torino, Rome-reis van de laatste­jaars, eind jaren tachtig. Dicht bij de Opera loop ik even een Engelse boekhandel binnen en vind er tussen de koopjes voor een handvollires de Penguin-vertaling van Bowra. ’s Avonds en tijdens de uren in de bus lees ik Pindaros. De man laat me niet los. Wat een wereld van gedachten en beelden! Wie een auteur vertaalt, moet op een of andere manier door hem bij zijn nekvel gepakt zijn. Vertalen met het hoofd, groeienderwijze strategieën uitstippelen, correcties inbouwen, tijd nemen -dat is alle­maal belangrijk. Maar een man naar je hart (of, in het geval van de klas­sieken, een zeldzame vrouw), zo iemand vertaal je.

Pervigilium Veneris. Najaar 1993 valt de mooie bloemle­zing Op de snaren van Apollo van Patrick De Rynck op mijn werktafel. Ik had er een hymne van Ambrosius in vertaald en de ‘Praefatio’ van Pru­dentius. Bladerend in het boek bots ik op het Pervigilium Veneris in een vertaling van Jan Prins uit 1945. Ik dacht aan mijn Leuvense jaren toen we ’s avonds in een leeskring onder meer het Pervigilium doornamen. Het re­frein Crasamet qui numquam amavit… vulde later al het drukwerk van mijn huwelijksfeest. Maar de gebloernleesde, lichtjes gedateerde Jan Prins schudde het Pervigilium in mij weer wakker. En ik begon te vertalen.

AusoniusEen classicus komt wel eens in Trier. Op de tweejaarlijkse studiereis naar Trier had ik al vaak gedacht aan de MoseliaNa de vertaling van het Pervigilium en de Vita Martini van Sulpicius Seve­rus (een leerling van Ausonius) las ik de twee Loeb-deeltjes met Auso­nius’ werk. Ze bevestigden me dat Ausonius niet de grootste dichter van de vierde eeuw is, maar toch het een en ander te zeggen heeft. Pindaros hield me toen voltijds bezig, maar ik stuitte naast het Moezel-gedicht ook op Cupido cruciatus, een mooie intertextuele fantasie, die ik vertaald heb ter afwisseling met Pindaros. Maar De Moezel is blijven stromen en mondde recentelijk uit in een van de Amsterdamse grachten. Is het een functionele vertaling, omdat die nog nooit volledig in het Nederlands werd gebracht? Neen. Mijn kleine band met Trier en korte verblijven langs de Moezel in Neumagen en elders gaven de doorslag. Ik reis graag in het gezelschap van teksten. Mensen van vroeger hebben altijd wel iets te vertellen wat wij op dezelfde plaats niet of niet meer zien. Vandaar.

Dit was een lange aanloop om te zeggen wat ik als een be­langrijk facet beschouw in het vertaalproces en wat misschien minder er­kend wordt binnen de vertaalwetenschap: vertalen dringt zich op een of andere manier aan me op. Weliswaar gaat het daarbij bij voorkeur om nog nooit vertaalde teksten, maar vooralom teksten die me hebben aangegre­pen door de vlucht van gedachten en beelden (Pindaros), die iets met me­zelf te maken hebben (Pervigilium), die me op bepaalde plaatsen iets ver­duidelijkt hebben (Ausonius). De bron waaruit een vertaling ontspringt groeit uit tot een bedding, waarin de vertaling verder gevoed wordt door datzelfde bronwater. Het gaat ermee zoals met de filosofie, die volgens Plato en Aristoteles begint bij de verwondering. Heidegger verklaarde die archè op een dubbele manier: verwondering is niet alleen het begin, maar ook het voortdurend heersende principe van de filosofische activi­teit. Ik kan me best voorstellen dat een vertaler zich na een jaar ineens niet meer goed voelt bij een auteur. Het is hem geraden er dan zo snel mogelijk mee te stoppen. In diezelfde lijn zou ik denken dat een grote vertaalop­dracht me niet zou liggen. Voor alles wat ik wilde vertalen heb ik tot dus­ver een uitgever gevonden. Dat geeft een paradijselijk gevoel.

Twee versies van Pindaros

Uit 1656 dateert de beruchte uitspraak van Abraham Cowley: als iemand Pindaros woord voor woord zou vertalen, dan zou men denken dat de ene gek de andere heeft vertaald. Gelukkig voel ik mij tot nader order nog steeds gezond van geest. Toch heeft de ‘zanger van Hellas’ me voor een enorme uitdaging geplaatst, die soms fysiek ging doorwegen.

Pindaros: elke ode een ander versschema, waarbij in een ‘triade’ strofe en antistrofe dezelfde versvorm hebben en de epode een nieuw schema volgt, dat in alle epoden terugkeert. Van Pindaros zijn vijf­enveertig zegezangen bewaard gebleven in vrijwel allemaal verschillende versmaten. Voeg daarbij de gebalde zegging, zijn kunsttaal (waarin epische, Dori­sche en Aeolische dialectvor­men en dito klanken samen­gaan), de afwisseling van korte en vaak erg lange bewegingen, de rijke metaforiek, zijn klank­spel, woordspelingen, woord­volgorde en expressieve woord­plaatsing. Met dat alles voor ogen is Pindaros vertalen een ernstige vorm van hybris.

Mijn vertalen was een virtueel maar intens ge­sprek met Pindaros en andersta­lige vertalers. Misschien geven vertalers dat laatste niet graag toe, maar bij de eerste worp la­gen rond mijn brontekst steeds vier of vijf anderstalige versies. De zogenaamd moeilijke Pinda­ros dwingt de vertaler op tal van plaatsen tot contact met an­deren: hoe hebben Savignac, Privitera, Lehnus of Lattimore dit probleem opgelost? Neder­landstalige versies heb ik bij wijze van spreken in de kluis geborgen. Ik was er als de dood voor ook maar één versregel in het Neder­lands te lezen, uit schrik in het vaarwater te blijven van een ander. Zolang het gesprek gevoerd wordt met andere taalidiomen werkt dat bevruch­tend, maar het eigen idioom kan verlammend werken

Liever dan het vertaalproces theoretisch over te doen, il­lustreer ik het aan de hand van twee gepubliceerde versies van de Twaalfde Olympische Ode. Die vergelijking zegt hopelijk veel over de weg die ik ben gegaan.

De Olympische en de Nemeïsche Oden (samen zowat de helft van het corpus van Pindaros’ gedichten) heb ik in de eerste helft van de jaren negentig vertaald in een vast schema, vanuit het aan classici ei­gen streven iets van de vormvastheid van het origineel te bewaren. Strofe en antistrofe van elke ode kregen een viervoetig jambisch ritme mee, elke epode een drievoetig ritme. Die smalle versvorm werd eigenlijk bepaald door de typografie van de Griekse tekst in de Budé-editie van Puech.

De vertalingen van de Olympische Oden werden gepu­bliceerd in bladen en tijdschriften en ik kreeg er, voor zover me bekend, geen kritiek op. Dat was de reden waarom ik min of meer gerust verder werkte met het smalle vers. Eigen dichtwerk, een bloemlezing en het Per­vigilium schoven Pindaros een paar jaren opzij. Toen ik de draad weer op­nam vond ik het een en ander geforceerd qua zegging. De smalle verta­ling leidde volgens mij zowel in haar zinsbouwals in haar neiging tot expliciteren tot wendingen die voor mij toen als afstandelijk lezer niet meer voldeden. Ik begon opnieuw en liet me inspireren door de typogra­fie in de teksteditie van Snell-Maehler. Onmiddellijk voelde ik aan dat Pindaros binnen een vrije versvorm meer ademruimte kreeg.

De eerste versie bevat een aantal expliciterende wendin­gen en vooral een reeks lange bewegingen die de lectuur nogal complex maken (zie bijvoorbeeld het begin van de antistrofe en de twee lange zin­nen van de epode). In de tweede versie verloopt de epode nog steeds in twee lange zinnen, maar de ordening binnen het vrije vers maakt de ge­dachtegang logischer en inzichtelijker. Afgezien van een paar kleine in­grepen, gaf de tweede versie aanleiding tot onder meer wat klankspel (zo­als in vers 2) en expressieve woordplaatsing (zoals in vers 4). De eerste versie heeft, achteraf gezien, op een aantal plaatsen een gelukkiger for­mulering dan de definitieve versie (‘het stampend schip’ in de strofe; het slot van de antistrofe). Maar globaal heeft de vernieuwde aanpak tal van voordelen opgeleverd. De tekst is begrijpelijker, leesbaarder, in de meeste gevallen poëtischer, niet beklemd maar vrij ademend, met meer mogelijk­heden voor woordplaatsingen en effecten. Hij is ook eerlijker tegenover Pindaros, naar ik hoop, door dichter bij zijn verwoording te blijven.

Een refrein en zes voorgangers

Bij het Pervigilium Veneris beperk ik me tot een analyse van het bekende refrein en de verwerking van een paar formele elementen in vergelijking met een zestal voorgangers.

Cras amet qui numquam amavit. quique amavit cras amet! 
Morgen moet de liefde komen
bij wie nooit heeft liefgehad,
bij wie ooit heeft liefgehad
moet de liefde morgen komen.

De Latijnse woorden werden door eerdere vertalers onder meer als volgt weergegeven:

Morgen minn’ die nooit beminde, morgen minn’ die niet meer mint!
(Bilderdijk, 1791)

Morgen minne, die de liefde nimmer heeft gesmaakt!
Morgen minne, wien de !iefde reeds gelukkig heeft ge­maakt!
(Van Hall, 1793)

Morgen hebbe lief, die nimmer
en die wel heeft liefgehad.
(Prins, 1945)

Morgen mint wie nimmer minde,
wie ooit minde ook morgen mint.
(Van Suchtelen, 1946)

Morgen minne wie nog nimmer, minne wie ooit heeft be­mind!
(Van der Loeff, 1948)

Morgen mint, wie nooit gemind heeft, wie gemind heeft, morgen mint!
(Van Wolferen, 1970)

De versvorm van het hele gedicht is een zeldzame trochaeïsche versmaat (láng-kort), preciezer gezegd: eerst vier en dan drie en een halve trochaeën. Dit levert dus acht ictussen op, die door alle vertalers worden bewaard, be­halve Van Hall. Een ander formeel element in het refrein is het opvallende chiasme van cras amet en qui( que) amavit. Dit chiasme vinden we terug bij Van Suchtelen en Van Wolferen. Bilderdijk en Van Hall vertalen met een pa­rallellisme, Van der Loeff vertaalt elliptisch (cras en amavit telkens een­maal). De conjunctief ‘amet’ wordt als een zacht bevel (‘minne’, ‘hebbe lief’) vertaald ofwel als een echte oproep (tweemaal ‘mint’). Wat mij in die verta­lingen stoort, is de gelijklopende benadering door de gemakkelijke allitera­tie van ‘morgen minne’, het te hoofse karakter van ‘minnen’ en het automa­tisme waarmee ‘minnen’ naar ‘nimmer’ leidt. Het weefsel van klanken, gecombineerd met de drang om binnen het Latijnse schema te blijven, resul­teerde in stereotiepe vertalingen. Ooit moet dat wel hebben geklonken, maar vandaag kan dat minder vanwege de archaïsche kleur. Die is eens te meer opgepast omdat het Pervigilium toch een erg frisse indruk maakt, ze­ker in vergelijking met de hele laat-antieke productie.

Hier wilde ik uitdrukkelijk iets nieuws brengen. Na veel pogingen in de lijn van de voorgangers (een papiermand is de trouwste gezel van een vertaler), koos ik voor een opsplitsing van het vers, zoals Van Suchtelen en Prins. Resultaat: vier trochaeën (a) en drie trochaeën + een beklemtoonde lettergreep (b) en dit tweemaal, maar de tweede keer omgekeerd, zodat er een ritmisch chiasme ontstaat. Er is ook een inhou­delijk chiasme (abba) gedragen door antithese (nooit-ooit) en parallellis­me (b en a, even doorbroken door de variatie in a). De vertaling van amet(moet) kiest voor iets bezwerends en vormt een alliteratie met morgen.

Die analyse van mijn vertaling kan de indruk wekken dat alles netjes geconstrueerd werd. Niets is minder waar. Het was vallen en opstaan via veel kladwerk. Mij was het vooral te doen om het ritme, van­uit de onvrede met de bestaande vertalingen.

Twee maal de hexameter

Ten slotte nog een paar opmerkingen over de hexameter van Ausonius. Dit metrum blijft voor mij onnederlands, ondanks de schitterende Hom­eros-vertalingen van De Roy van Zuydewijn. Maar zo spreken, zo lezen en zo luisteren wij niet.

Cupido cruciatus en Moselia zijn twee totaal verschillende werkjes van eenzelfde auteur in hetzelfde Latijnse metrum. Cupido Cruci­atus heeft door zijn intertextueel spel met Vergilius en Ovidius een epi­sche kleur. De Moseliahet oudste stroomdicht, is een lyrische lofzang op de ri vier.

Cupido cruciatus heb ik met een knipoog naar Marietje d ‘Hane-Scheltema vertaald in zevenvoetige jamben (haar Ovidius was toen al verschenen, haar Vergilius was op komst). De relatief lange regels boden een praktisch voordeel: de Latijnse tekst kon in het boekje over­zichtelijk worden afgedrukt op de pagina’s ernaast.

De Moselia kreeg vijfvoetige jamben die iets sneller en lichter overkomen door de kortere versvorm en de oversprongen. Maar de sprong van wat er staat in de hexameter naar de nieuwe zegging in het jambische vers houdt altijd een omdichten in, soms zelfs een grammati­cale deconstructie. De metonymie Virides Baccho colles (‘heuvels groen door Bacchus’) wordt ‘wingerds vullen er de heuvels groen’. Je zou kun­nen zeggen: ‘heuvels die groen zijn door de wijn’, maar dan is de poëzie weg. En amoena fluenta subterlabentis tacito rumore Mosellae (‘ de bekoor­lijke stromen van de Moezel die met een stil gerucht er onder glijdt’) werd ‘beneden glijdt in stille murmeling / de liefelijke stroming van de Moezel’. Hoe het komt wat er nu staat, weet ik niet meer. Zo glijdt het soms uit de pen in de bedding van het ritme. ‘Murmeling’ (dat het klank­spel van rumore herneemt) kan voor een rivier wat te zacht lijken (meestal is het een beekje dat murmelt), maar je moet misschien aan de oever van de Moezel hebben gestaan om Ausonius’ tacito rumore te begrijpen.

Een zoete wurggreep 

Over de inhoudelijke aanpak heb ik weinig gezegd, maar algemeen zou ik mezelf een ‘maximaal’ vertaler noemen. Ik probeer te vertalen wat er staat, wat de auteur met die woorden heeft gezegd, ook al is hier en daar in een hexameter voelbaar dat een adjectief eerder als stoplap fungeert. Anderzijds is vertalen voor mij vaak een vormprobleem. Een poëzie-ver­taler bedenkt geen nieuwe inhoud, maar stelt zich vooral de vraag. inwelke bewoordingen van mijn idioom, in welke versvorm, in welk ritme breng ik Griekse en Latijnse poëzie in het Nederlands van vandaag?

Voor dat vormprobleem stelt elke auteur ons weer op een andere manier. Ausonius’ hexameter vraagt om verschillende oplossin­gen, een gegeven dat samenhangt met de inhoud van zijn onderscheiden gedichten. Het refrein van het Pervigilium Veneris stelde me voor een ra­dicale keuze als gevolg van het stereotiepe karakter van eerdere vertalin­gen. En Pindaros, ach Pindaros! Hij heeft mijn papiermand doen uitpui­len en soms bekruipt me de stille vrees dat er af en toe wel eens een betere worp verloren is gegaan. Maar Pindaros, o Pindaros! Hij heeft mij vooral de vreugde van het vertalen bezorgd, omdat hij met wat en hoe hij schreef me jarenlang in een zoete wurggreep heeft gehouden. De Ro­meinse Via Torino, waar alles begon -zelfs het geheel van mijn vertaalac­tiviteit, zo realiseer ik me achteraf -, de Via Torino vergeet ik nooit.

Voor Ergoteles van Himera
de winnaar in de lange-afstandloop

Ik smeek u, Redster Tyche, dochter
van Zeus Bevrijder, geef Himera,
de stad die alom heerst, bescherming.
Gij zijt het toch die snelle schepen
op zee geleidt, te land de stormen van oorlog en de raadsdebatten.
Vaak hooggespannen, dan weer lager
zijn de verwachtingen van mensen
die als een stampend schip de golven
van leugen en illusie klieven.

Omtrent de afloop van de dingen
ontving géén sterveling vanwege
de goden ooit een geloofwaardig
teken. Ons denken over toekomst
is blind en tal van zaken vallen
nu eenmaal anders uit dan mensen
verhopen. Vreugde krijgt een domper,
voor anderen die zware stormen
trotseerden, kan het lijden eensklaps
omslaan en zij zijn diep gelukkig.

Een haan vecht onopvallend
op het vertrouwde woonerf.
Je snelle voeten schonken
jou roem, zoon van Philanor.
Ook dié eer zou verwelkt zijn,
onopgemerkt, als opstand
van burgers jou niet wegnam
uit Cnossus’ vaderlijke
grond. Nu Olympisch lover
je hoofd siert en jij tweemaal
gelauwerd uit Corinthe
en Delphi kwam, beroemen
in de landouwen, jouw nieuw
verblijf, de warme bronnen
der Nimfen zich op jouw naam.

Voor Ergoteles van Himera. dolichos

Ik smeek u, dochter van Zeus Bevrijder,
Reddende Tyche, waak over de weidse macht van Himera.
U bent het toch die snelle schepen stuurt
op zee, te land leidt u de oorlogsstormen
en raadsdebatten. De verwachtingen van mensen
zijn vaak hooggespannen, dan weer laag,
ze deinen op en neer, doorklieven leugens en illusies.

Nooit kreeg één aardbewoner van godswege
een betrouwbaar teken van wat komen zal.
Blind is onze kennis van de toekomst.
Veel valt anders uit dan mensen voorzien,
vreugde krijgt een domper, anderen die zware
stormen trotseerden,
ruilen in weinig tijd hun ongeluk voor diep geluk.

Zoon van Filanor, zoals een haan
thuis op het vertrouwde woonerf vecht,
was ook de glorie van je snelle benen roemloos verwelkt
als burgeroorlog je niet had weggenomen uit je vaderstad
Knossos.
Ergoteles, nu je in Olympia de krans kreeg
en tweemaal werd gelauwerd in Pytho en op de Isthmos,
verheerlijk jij de warme bronnen van de Nimfen
in de landouwen waar je een nieuw tehuis vond.