Romeins dagboek

Pelgrims(w)oorden

Patrick Lateur stelde voor Kunsttijdschrift Vlaanderen het themanummer  Pelgrims(w)oorden samen. Daarin verscheen zijn tekst Romeins dagboek. Je kan die hieronder integraal lezen.

Romeins dagboek

Rome is een raamverhaal waarin eeuwen cultuur telkens weer hun eigen vertelling hebben ingepast. Dit Diarium Romanum is een fragmentair verhaal van zeven dagen tussen zeven heuvels in de paasdagen van 1998, een selectieve en eigenzinnige wandeling door het Roma christiana.

Ik heb zopas mijn laatstejaars uitgewuifd. Zij trekken weer noordwaarts met veel Romeinse stenen en mozaïeken, brokken Michelangelo en Bernini in hun hoofd. Ik sta alleen in de Via dei Mille, vermoeid na zeven dagen wandelen tussen en over de zeven heuvels. Er wachten me zeven andere dagen, zonder Forum en Pantheon, zonder musea en basilieken. Een paar afspraken, en voor de rest: een eenzame voetreis door Rome, waar ik op vertrouwde plekken wil verwijlen, ongewone toerist en gelegenheidspelgrim, want Pasen is nabij. Een zelfgekozen alleen-zijn in het immense Circus Maximus dat Rome heet, maar dat voor mij sinds jaar en dag iets huiselijks heeft. Thuis alleen zijn valt niet zwaar.

vrijdag 10 april

Santa Prassede — Zenokapel
Santa Prassede — Zenokapel

In de late namiddag loopt de Santa Prassede stilaan vol voor de viering van Goede Vrijdag. Mijn ogen dwalen langs het absismozaïek waarop Paulus en Petrus minzaam hun armen leggen om de schouders van Praxedis en haar zus Pudentiana. Niet ver vandaan, op de andere flank van de Esquilinus, heeft Pudentiana haar eigen kerk met een mooier mozaïek, want uit de vijfde eeuw en nog door en door Romeins in de levendige portretten en het schitterende koloriet. Vierhonderd jaar later heeft de onwereldse stijl van de Byzantijnen hier in de Prassede zijn sporen nagelaten. Onwezenlijk staren de hiëratische zussen me vanuit een andere wereld aan. Zij zouden rusten in de crypte onder het altaar, maar jaren geleden heeft een archeoloog me daar met gedempte stem verzekerd dat in de sarcofagen alleen maar beenderen van dieren werden gevonden. Ik ontwaak uit mijn droomwereld als de kleine Benedictijnse communauteit het koor betreedt voor de kruisverering. De lezing uit Exodus, waarin verhaald wordt van het bereiden van het joodse paaslam, doet me weer opkijken naar het mozaïek. Twaalf schapen lopen er in volmaakte symmetrie naar het Lam. En ik besef hoe het grote verhaal, hier en elders, steeds heeft gewerkt in woord én beeld. En hoe wij deze eeuwenoude ruimte alleen maar kunnen aanvoelen in dit liturgisch uur. Of weer niet. Want tijdens het lijdensverhaal krijg ik een schok: “Pilatus gelastte toen Jezus te geselen.” Rechts van me weet ik de kapel waarin een brok zuil wordt bewaard en vereerd. Ik zie vanop mijn plaats de kostbare kolom uit jaspis, die Giovanni Colonna tijdens de kruistochten uit het Heilig Land meebracht. Nomen est omen, moet de kardinaal hebben gedacht en hij voelde zich geroepen de goegemeente voor te houden dat Christus aan dit stuk zuil werd gegeseld. Het Pange, lingua, gloriosi verzoent me dan weer met het gebeuren. Deze kruishymne, die Venantius Fortunatus in Poitiers heeft gedicht, is ruim twee eeuwen ouder dan de ruimte die haar klanken nu vullen. En ik bedenk dat zij hier vanaf de negende eeuw elk jaar opnieuw op deze vrijdag moet hebben weerklonken. Na de viering wenkt de paradijselijke mozaïektuin van de San Zenokapel. Vanop een klein boogveld kijkt ook hier het mystieke Lam op me neer. In de beslotenheid van deze juwelenkist doet mijn gebrokenheid minder pijn. Heel even wordt de wereld weer heel.

’s Avonds is er een uitvoering van Rossini’s Stabat Mater in de kerk van de Ara Coeli. Onderweg naar de Capitolijnse heuvel zie ik massa’s mensen zich in de deemstering haasten naar het Colosseum voor de Kruisweg van de paus. Lang geleden maakte ik die mee in het vreemde decor van het amfitheater waar in het boogwerk honderden waskaarsen brandden. Het deed me toen denken aan de verlichting van de koepel van de Sint-Pietersbasiliek waarvan Goethe in zijn ItalienischeReise nog nagenoot. Op de trap van de Ara Coeli verneem ik dat de uitvoering in de Sant’ Anselmo doorgaat. Romeinen improviseren graag. Een onvoorziene wandeling dus naar de Aventijn. Voorbij de Bocca della Verità neem ik de verlaten weg die naar het Parco Savello klimt, tussen hoge, begroeide muren en over kasseien waar grassen woekeren. Rome is op veel plaatsen een landelijke stad gebleven, maar is wellicht nergens zo ruraal als hier op deze steile landweg. Boven in het park hangen sinaasappelen te gloeien tegen een paarsdonkere hemel en pijnbomen maken de lucht alleen maar dreigender. Maar door de senelieten vensters van de Santa Sabina schijnt zacht licht en in de portiek klinkt koorgezang. Ik heb nog tijd, kijk bij de Maltezer poort nog maar eens door het sleutelgat naar de nu verlichte koepel van Sint-Pieter en loop dan langs de fantasieën waarmee Piranesi het plein van de Ridders van Malta omgaf. De hemel wordt al even benauwend als zijnCarceri en ik haast me naar mijn bestemming. Benedictijnen hebben stijl. Tuin en atrium kijken op Rome neer en de nieuwe kerk op deze aloude heuvel respecteert de basilicale traditie. De uitvoering van het Stabat Mater kan me niet ontroeren. Misschien had Rossini te veel opera in zich om zich te wagen aan de middeleeuwse tekst van Jacopone da Todi. De blazers ontnemen het gedicht in elk geval alle intimiteit. De wandeling was me meer waard. Intussen breekt het geweld van wolken boven de Aventijn uit. Het bliksemt door Rome’s beroemdste sleutelgat.

zaterdag 11 april

Tussen de saaie ministeriële mastodonten hangt er boven de barokke Via XX Settembre een blauwe streep morgenlucht.  Op de hoek van de Quattro Fontane waaiert hij uit naar de obelisken op de Esquilinus, de Quirinalis en richting Pincio. In de verte achter me ligt Michelangelo’s Porta Pia. De vier fonteinen op het kruispunt vormen samen de sluitsteen van deze heerlijke waaier, waarin de heuvels van Rome voor de wandelaar voelbaar meespelen. Vier barokke kerken zette de zeventiende eeuw in deze straat neer. Op de gevel van de Santa Susanna en de Santa Maria della Vittoria, de oudste twee,  speelt de zon met nissen en zuilen een spel van licht en schaduw. De voorgevels van de jongste twee, de San Carlino en de Sant’ Andrea al Quirinale met hun gebogen lijnen, zullen tot in de late namiddag enkel schaduw kennen. Alleen op dit punt blijven hun rivaliserende architecten het voor altijd eens.  Het heeft jaren geduurd eer ik me thuis kon voelen in de barok, die uitgerekend in deze stad ontstond. De contrareformatorische stijl vol kerkelijke machtsontplooiing en triomfalisme zal in wezen mijn drempel blijven. Want de vier façaden blijven etaleren, hebben een te groot volume voor wat zij verbergen, zijn inderdaad wat zij zijn: façade. Maar Borromini overtuigt met zijn kleine kruisgang van de Carlino, en Bernini met het evenwicht in de Sant’ Andrea tussen bouw- en beeldhouwkunst. Zijn putti hangen, leunen, werken overal, maar onopvallend. De Cornari wilden wel opvallen. In hun kapel in de Vittoria voerde Bernini in deze straat de barok tot een hoogtepunt. Letterlijk theater, waarin de deftige familie vanuit twee loges de extase bijwoont van Theresia van Avila. De engel, die haar hart verwondt met een pijl, heeft de mooiste marmeren glimlach die ik ken, Theresia de meest smachtende mond. In de autobiografie van de mystica lees ik: “De smart van deze wonde was zo hevig, dat zij mij die verzuchtingen deed slaken, maar zo uitbundig was ook de zoetheid die deze uiterste smart in mij teweegbracht, dat ik er het einde niet van kon verlangen en nergens geluk kon vinden buiten God.” De engel en Theresia zijn adembenemend mooi. Maar in een barokkerk zal ik nooit de handen kunnen vouwen zoals de Cornari.

Bernini — Extase van de heilige Theresia — Santa Maria della Vittoria
Bernini — Extase van de heilige Theresia — Santa Maria della Vittoria

Ik ontmoet Bernini opnieuw op de Vaticanus. Wie ooit op een zeldzaam ogenblik eenzaam het Sint-Pietersplein opwandelde, beseft dat dit kerkplein niet op mensenmaat werd gemaakt, maar op maat van de massa. Hier keuvelt men niet gezellig na, hier staat men schouder aan schouder om in een decor van grandeur de pontifex maximus toe te juichen. Het triomfalisme dat in de barok een gezicht kreeg, blijft duren. Ik voel me veiliger binnen het gebogen bos van zuilen dat Bernini op de rand plantte. Ik weet me er even klein als tussen de monolieten in de voorhal van het Pantheon, maar de fragmentariserende doorkijk op het plein geeft me het gevoel de weidsheid ervan te beheersen. Voorbij de colonnade word ik weer overgeleverd aan de ruimte, terwijl de lichte klim op de Mons Vaticanus Maderno’s gevel dreigend dichterbij brengt. Op de laatste trede, hoog boven het plein, lijkt de immense vlakte overwonnen. Even later verplettert de Sint-Pietersbasiliek de vermoeide pelgrim. De mondaine ruimte van deze hall of events, waarin renaissance en barok zich uitvierden in een feest van geest en zinnen, wordt soms sacraal. Zoals deze avond, deze paasnacht, wanneer de hele basiliek in duister ligt gehuld, duizenden gelovigen het licht van de paaskaars doorgeven en na het derde Lumen Christi plots alle lichten aangaan en de diaken het Exsultet aanheft. Vorige week liep ik hier nog in een museum en stond ik voor de zoveelste maal voor Michelangelo’s Pietà en voor Canova’s erotische engelen. Toen was wandelen van beeld naar beeld het enige verweer tegen verlammende afmetingen en barok geweld. Vanavond is de basiliek op haar best en verheft zij hart en geest.

zondag 12 april

Het lijkt of de eerste bladzijde van Der Erwählte van Thomas Mann werkelijkheid wordt. Over de heuvels van Rome galmt een koor van klokken. Naar goede gewoonte lees ik op deze hoogdag het boekje van Frits Van der Meer, Paasmorgen, waarin hij Christus’ verschijning bij een Vlaamse Van der Weyden en op een Byzantijnse Anastasis tot leven brengt. Een hemelse komedie, een heerlijk visioen van de Nijmeegse geleerde. Sinds ik het kleinood voor het eerst las, is mijn voorstelling van de verrijzenis grondig door elkaar geschud, en toch geef ik me nog elk jaar even begeesterd over aan de lectuur ervan. Nostalgie wellicht, maar vooral dat niet te verdringen menselijk verlangen naar verbeelding en uitbeelding.

Ik wil de indruk van de paasnacht niet verliezen door de gelederen op het Sint-Pietersplein te vervoegen. Ik aarzel even tussen de San Gregorio Magno op de Coelius, waar de paasmis door Palestrina’s Missa Papae Marcelli wordt opgeluisterd, en de kleine gerestaureerde San Giuliano dei Fiamminghi, waar pelgrimerende Vlamingen sinds de middeleeuwen gastvrij worden onthaald. Een uur later zit ik met een handvol mensen in de Via Sudario onder het gewelf waarop ik de namen lees van Vlaamse steden. Rector Vanermen gaat in de sobere viering voor en biedt nadien een paasdrink aan in de zaal van de Stichting Sint-Juliaan-der-Vlamingen.  Ik blijf het moeilijk hebben met de historische kronkel waardoor deze plek sinds de vorige eeuw officiëel Koninklijke Belgische Kerk en Stichting Sint-Juliaan-der-Vlamingenheet. Als ik weer in de Sudario sta, zie ik hoog in de voorgevel de bronzen kopie van de gastvrije heilige, waarbij ik me het verhaal van Gustave Flaubert herinner. En links van hem een wapenschild dat me deels vertrouwd voorkomt. De balken in zilver en azuur met de kronkel van een golden river komen uit mijn Leiedorp en sieren hier het wapen van Jan Schotte, de eerste kardinaal-diaken van Sint-Juliaan. Hij deed de Leie in de Tiber vloeien.

In de buurt van de Navona stap ik de Sant’ Agostino binnen. Wat mij het meest bekoort in deze kerk is niet zozeer Rafaëls Jesaja of Sansovino’s Madonna del Parto, maar wel de vuilste voeten die ik in Rome ooit zag. Pelgrimsvoeten. De herrieschopper Caravaggio gaf ze aan een landman, met zijn vrouw geknield voor het kind op de arm van Maria, een Romeinse matrone die nonchalant tegen de deurstijl leunt. Terwijl Rubens in Rome op hetzelfde ogenblik weelde en rijkdom schildert, brengt Caravaggio vol realisme en tot ieders consternatie de kleine man in beeld. De deurdrempel is hoog, maar niet te hoog voor twee pelgrims van het platteland op wie het mollig kindje neerkijkt. Op de twee doffe gezichten, vooral op het verweerde gelaat van de vrouw, vermoed ik een glans van herkenning. Dit kind is een mensenkind. Het wil opspringen en Maria heeft alle moeite om het in haar armen te houden. In het clair-obscur herleidde de ruwe schilder alles tot de essentie van goddelijke en menselijke ontmoeting. En de vuile voeten, het einde van een diagonaal die begint in het licht van het kind, zijn voor mij het begin van een tocht uit het duister naar het licht.

Caravaggio — Madonna van de pelgrims — Sant' Agostino
Caravaggio — Madonna van de pelgrims — Sant’ Agostino

De Libreria S. Agostino tegenover de kerk is natuurlijk gesloten, maar ik kan het niet nalaten door de glazen deur te gluren en me weer in het labyrint van metershoog opgestapelde boeken te wanen. Aan de andere kant van de Navona ligt de Santa Maria dell’ Anima bij het aloude Duitse hospitium. Het doet vreemd aan toelating te moeten vragen om een kerk te betreden, maar de portier laat steeds iedereen zonder problemen de binnenplaats oversteken. In de Anima liggen nogal wat Vlamingen begraven en er is ook werk te zien van o.m. de Mechelaar Michiel Coxcie en Jan Miel uit Beveren-Waas. Maar vandaag kom ik vooral voor het graf van Adrianus VI. Van alle pausen die ergens in Rome languit op hun tombe gebeeldhouwd liggen, moet zijn tiara ongetwijfeld het zwaarst hebben gewogen. De man uit Utrecht, de barbaar uit het Noorden die alleen maar gerstenat dronk en geen wijn, en die niets wilde weten van schone kunsten, was de tegenpool van zijn voorganger Leo X. Met het nepotisme, de aflatenhandel en de luxueuze hofhouding van die Medici-paus wilde Adrianus breken, maar zijn pontificaat van amper één jaar liet dat niet toe. Op het reliëf dat zijn gebeente verbergt, zie ik hem Rome binnenrijden door de Porta San Paolo. Wat moet er op die plaats in het hoofd van deze ascetische intellectueel en raadgever van Keizer Karel zijn omgegaan? Zijn eerste grafschrift uit de oude Sint-Pieter geeft het antwoord: “Adrianus VI, die niets ongelukkigers in het leven beschouwde dan te moeten regeren.” De tragiek van zijn laatste levensjaar is de tol die il Papa fiammingo moest betalen voor zijn evangelische bewogenheid. Zelfs tot in de dood wordt hij gekweld door Rome’s rijkdom, die hem dit praalgraf opdrong.

maandag 13 april

Waar de steile klim van de Via dei Santi Quattro Coronati naar de Coelius begint, steekt de absis van de abdijkerk als een middeleeuwse burcht hoog boven me uit. Ik liet het Colosseum achter me en voel dat ik tussen eiken en blauwe regen een andere wereld nader. Hier wordt Rome binnen de oude muren weer heel plattelands. Voorbij de massieve klokkentoren hangt er op de groezelige binnenhoven een dorpse lucht. De twee binnenplaatsen maakten in de negende eeuw deel uit van de kerk, die drie eeuwen later werd gehalveerd. De apsis bleef behouden en is duidelijk te groot voor de huidige kerk. Maar zij schittert in het paaslicht en laat het donkere schip daar enigszins in delen. Waar de cosmatenvloer overgaat in oude grafstenen zoek ik me een plaats en zie in de schemering van het schip een dubbele arcade: veelal corinthische zuilen beneden, op de bovengalerij een paar antieke ionische zuiltjes. In deze besloten ruimte zet de boerse lucht zich verder, maar krijgt iets mysterieus. En als fijne stemmen in de apsis het koorgebed aanheffen, wordt het contrast tussen licht en donker alleen maar groter. De tweestemmige halleluja’s van de nonnen vullen de burchtkerk en bij het Victimae paschali, dat ik nergens in Rome zo mooi hoorde zingen, weet ik dat op deze heuvel de hemel de aarde raakt. Later, in dekloosterhof, weet ik het zeker: hier dringt niets door van wat het leven onleefbaar maakt. Boven, in de grote open galerij schuift tussen oleanders een non voorbij. Beneden, binnen de ranke colonnetten van het pand ligt in een halve zon enkel vredigheid tussen buxus, papyrus, stokrozen, palmbomen en nog veel meer dat ik niet benoemen kan. Geluid is er alleen van een eeuwenoude fontein, twee schalen waarvan de onderste door vier leeuwenmuilen waterstralen in de vijver druppelt. De vissen weten zich telkens weer verrast. Tuin betekent in het Grieks paradeisos. Hier ligt het paradijs.

Santi Quattro Coronati — kloosterhof
Santi Quattro Coronati — kloosterhof

Een ander paradijs tref ik aan op de apsiskalot van de San Clemente in het dal tussen Coelius en Oppius. Tegen een gouden achtergrond staat centraal het blauwe kruis, geworteld in uitwaaierende en kringelende acanthus, waaronder de paradijsstromen water geven aan twee herten. “In Eden ontspringt de rivier die water geeft aan de tuin; zij splitst zich in vier armen,” herinner ik me uit Genesis, en uit psalm 42: “Zoals een hert verlangt naar stromend water…” Het kruis is hier, naar vroegchristelijke traditie, de levensboom geplant op de paradijsheuvel. Maar wat vooral intrigeert zijn de figuurtjes in en rond de ranken van de acanthus. Want het zijn niet alleen de vier opvallende kerkvaders die delen in het nieuwe leven, heel de natuur spreekt van een paradijselijke weelde. Tot hoog in het mozaïek zie ik allerhande vogels en vruchten en mensen in hun dagelijkse bezigheden, zoals slaven, herders, boeren, wijngaardeniers, monniken en familieleden van de landheer. Een wemeling van leven, gevat in de ranken van levende acanthus rond de levensboom. In het spel van glas, kleur en licht lees ik dit mozaïek, wellicht een middeleeuwse copie van wat ooit in de kerk uit de vierde eeuw te zien was. Want in San Clemente daalt men af in de tijd. Onder de bovenkerk werd de antieke kerk vrijgemaakt van puin en van daaruit gaat het verder, dieper naar het huis van Clemens, vermoedelijk de derde opvolger van Petrus, die in deze wijk op het einde van de eerste eeuw zijn huis als huiskerk ter beschikking stelde. Op dat niveau, bijna twintig meter onder de bovengrond, ligt er ook een Mithrastempel. Hier kwamen in kleine kernen de volgelingen van de Perzische mysteriegod bijeen. Zowel het vroegchristelijke huis als het mithraeum zeggen me hoe groot de nood ook toen was om in kleine gemeenschappen het leven totaal te herdenken binnen een officiële cultuur waar geen appèl meer van uitging. Onder die kamers stroomt nog steeds een bron uit Nero’s tijd die deze buurt van water voorzag. Helder, levend water, waarover ik me al een kwarteeuw telkens weer verwonder en dat me in deze wakke, muffe ruimten in gedachten terugbrengt naar de paradijsstromen op het mozaïek hoog in de bovenkerk.

Het lang aangekondigde gratis concert van José Carreras in de Thermen van Diocletianus heeft een spannend preludium: duizend stoelen voor duizenden gegadigden. Voor de deur van de Santa Maria degli Angeli gaan nette signori en deftige signore uit de bol en op de vuist. Ik kijk geamuseerd toe. Ook la bella figura isfaçade. Ik hoor Carreras niet, de wijn op de Esedra smaakt slecht.

dinsdag 14 april

Op de Piazza della Repubblica kocht ik me deze morgen het weekblad Oggi. In een “esclusiva mondiale” brengt het een uitgebreide en onthullende bijdrage over een tweede Capella Paolina in het Vatciaan, die paus Johannes-Paulus II door een mozaïst laat bekleden met de mariale thema’s uit zijn eerste encycliek RedemptorisMater. De schitterende foto’s van het al ver gevorderde kunstwerk (zowat honderd miljoen mozaïeksteentjes zullen wanden en gewelf van de kapel vullen) tonen hoe de Russisch-orthodoxe artiest Aleksandr Kornoukhov werkt in de grote Byzantijnse traditie. Ik vraag me alleen af of dit de adequate manier is om anno 2000 christelijke kunst te brengen. Uren van bewondering bracht ik al door bij de mozaïeken in Ravenna, Rome, Thessalonica en elders. Maar die werken dialogeren met de tijd waarin zij ontstonden. Ik vrees dat ik voor dit lang geheimgehouden mecenaat heel wat minder enthousiasme kan opbrengen dan voor het Museum voor Moderne Kunst dat Paulus VI in 1973 binnen de Vatikaanse collecties oprichtte.

Cimitero Acattolico
Cimitero acattolico. Links het graf van Keats, rechts dat van Severn, op de achtergrond de piramide van Cestius.

Tussen de Testaccioheuvel en de Porta San Paolo ligt tegen de Aureliaanse Muur een van de mooiste begraafplaatsen ter wereld. Hier werden aanvankelijk uitsluitend niet-katholieke vreemdelingen begraven, ´s nachts nog wel, om geen aanstoot te geven aan het kerkelijke Rome. Op dit cimitero acattolico, vandaag meestal het protestantse kerkhof genoemd, rust o.m. Shelley’s hart, het Cor cordium, zijn zoontje William en ook de zoon van Goethe. Kerkhoftoerisme is vandaag geen morbide aangelegenheid meer. En als ik de cipressen van Shelley’s graf wissel voor de hoge pijnbomen in het oudste gedeelte van het kerkhof en naar het graf van Keats ga, voel ik me ook een literaire pelgrim. Keats stierf in een kamer aan de voet van de Spaanse Trap en zijn vriend Severn, die naast hem begraven ligt, koos voor hem deze plaats uit, in de schaduw van Cestius’ piramide, tussen loof- en pijnbomen. Zijn graf vermeldt zijn naam niet, alleen een “jonge Engelse dichter” die op zijn grafsteen wilde geschreven zien: “Hier ligt iemand wiens naam geschreven was in water.” Oscar Wilde ergerde zich aan de eenvoud van Keats’ onverzorgde graf in een stad waar pausen en heiligen veelal in goed onderhouden praalgraven rusten. “Maar onze tranen houden jouw gedachtenis in leven,” dichtte hij, “en zullen haar als koningskruid doen bloeien.” Maar ik denk dat Adrianus VI, die twee eeuwen vroeger de stad op deze plaats binnenkwam, zich zulk een graf zou hebben gewenst. Terecht. Ondanks de krioelende kattenkolonie, is dit een plek waar ik me kan verzoenen met de dood.

Gisteren vernam ik van een Oratoriaan in de Chiesa Nuova dat de Santi Nereo e Achilleo vandaag uitzonderlijk zou opengaan voor een huwelijk en vanaf zaterdag – maar dan hang ik boven de Alpen – definitief toegankelijk zou zijn. In al de jaren dat ik in Rome kom, heb ik dit kerkje bij de Thermen van Caracalla steeds gesloten geweten wegens restauratie. Het ligt onbekend tussen eiken, pijnen en cipressen en ik tref er de oude koster, die de rode loper aan het uitrollen is. Er hangt een vochtige lucht in deze bijna puur romaanse kerk, die ontsnapt is aan het barokke geweld. Ik sluit onmiddellijk de ogen voor de opdringerige en crue martelscènes in de zijbeuken, die me doen denken aan de gruwelijke fresco’s in de San Stefano Rotondo hoog op de Coelius achter me. Op de triomfboog van de apsis is de mozaïek uit achthonderd bewaard met de transfiguratie op de berg Thabor, een thema dat weinig of niet voorkomt in de oudchristelijke kunst. Het is een warme mozaïek waarin witten en groenen domineren. Misschien is de lichtende mozaïeksteen het uitgelezen middel om iets te suggereren van de verheerlijking op de berg. Maar hier treft me evenzeer het spel van marmers en ingelegde mozaïeken in het priesterkoor: bisschopszetel, vloer, altaar, baldakijn, ambonen en paaskandelaar vormen een homogeen geheel, ondanks de eeuwen die hen soms scheiden. In het gedempte licht dat uit hoge vensters valt, verliest zelfs marmer zijn kilte. Ik prijs het paar, dat hier straks mag huwen, zalig.

Cosmatenwerk in het koor van de Santi Nereo e Achilleo
Cosmatenwerk in het koor van de Santi Nereo e Achilleo.

Pasen blijft in Rome nazinderen. Vanavond ben ik in de Sant’ Ignazio, waar de Nova Scola Gregoriana uit Verona concerteert onder leiding van Alberto Turco. Over de hele kerkvloer ligt een immens vuurkruis van schalen met brandende kaarsen. Het ‘optreden’ groeit uit tot een sober ritueel, een uitvoering vol wijding, waarin van het Gloria laus et honor tot het Resurrexit ambrosiaanse en gregoriaanse gezangen alterneren. Hoogtepunt is het Exsultet. In lang vervlogen tijden werd onder het zingen langzaam het perkament van het Exsultet ontrold. Hier ontvouwt zich tegen een koorpijler geleidelijk aan een lang en smal linnen, beschilderd met de Verrezene, een moderne creatie van Pierangelo Prestini. In een symbiose van beeld, muziek en woord wordt de paasvreugde opgeroepen. Ik voel hoe hedendaagse kunst en antieke hymnen in dit liturgisch spel perfect samengaan.

woensdag 15 april

Tien uur later sta ik weer op de trap van Sant’ Ignazio. De kleine piazza is een operabühne van steen. Van achter golvende gevels betreden mensen de scène of verdwijnen achter de coulissen van barokke palazzi. De kerktrap fungeert er als fauteuil. In de kerk vallen zuilen uit het gewelf. Wat men van de fresco’s van Pozzo ook moge beweren, eenmaal de illusie doorbroken is, verdragen gewelf en nepkoepel geen tweede visie meer.

Maar vandaag wil ik naar Johannes Berchmans, wiens naam in de meeste Romeboeken niet eens voorkomt. In deze stad wordt alles relatief. Zijn praalgraf van marmer en lapis lazuli vormt nochtans een pendant met dat van die andere Jezuïetenheilige Luigi Gonzaga. Vanop het dak van de kerk heb ik een aardig zicht op de pannen van Rome en kijk neer op de binnenplaats van het vroegere Collegio Romano. Beneden moet Berchmans hebben gelopen, maar de klok is al lang stilgevallen. De vriendelijke en ijverige filosofiestudent beleefde de “Communia non communiter – de gewone dingen op een ongewone manier”, het systeem evenwelknakte hier zijn gezondheid. Een dakterras leidt naar de verblijven van rond 1600. In de lege recreatiezaal klinken mijn stappen hol. Verguld hout en rood fluweel geven in kapel en kamers de toon aan en alles steekt nog steeds onder veel stof, zoals het hier twintig jaar geleden ook al lag. In vitrines liggen studieschriften, brieven en kleren van Berchmans, en zijn kamerdeur steekt achter glas: “Deur die de heilige Johannes Berchmans opende en sloot” vermeldt het plaatje vroom. Ik moet hier weg. Hier hangt een onbehaaglijke Tridentijnse geur. De mensen van Diest moeten hier iets aan doen.

Op het Tibereiland, dat sinds de aankomst van Asclepius’ slang een lange medische traditie heeft, is er een merkwaardige put te vinden in de San Bartolomeo. Op de tweede trede van de trap naar het koor staat een verhoogde putrand waarin vier figuren zijn gegrift: Christus, twee heiligen en keizer Otto III, die op het einde van de tiende eeuw de kerk liet bouwen en uit Beneventum de relieken van die heiligen, Bartholomeus en Paulinus van Nola, hier liet bijzetten. Paulinus is me dierbaar, want vriend en correspondent van Sulpicius Severus, de auteur van de Vita Martini. De vreemde plaats van de put, midden in een trap, kan erop wijzen dat de kerk boven de Asclepiustempel werd gebouwd en dat de put de plaats is van de antieke Asclepiusbron. In het mediterrane gebied zetten vele kerken antieke gewoonten verder. Hier bleven de zieken zich laven aan een bron in de buurt van de relieken, want de putrand vertoont sporen van koorden. Tussen het bruisendTiberwater heeft die geneeskundige traditie zich verdergezet. In de middeleeuwen stond er op het eiland een hospitium voor pelgrims en vandaag is er nog altijd het ziekenhuis van de Fatebenefratelli, die hun naam alle eer aandoen.

Elke woensdagavond om halfnegen is er in deze Tiberkerk een gebedsdienst van de Sint-Egidiusgemeenschap, die dertig jaar geleden in de Sant’ Egidio, op een boogscheut van hier in Trastevere,  door Andrea Riccardi werd gesticht. De jonge beweging heeft een erg aantrekkelijke stijl, getekend door vreugde en vriendschap, en concretiseert haar geloof door een dialoog met de tijd en een hulpverlening zonder grenzen. Alles wortelt in een spiritualiteit die, zoals nu in de San Bartolomeo, wordt uitgezegd en uitgezongen in psalmen en gebeden. Toch vreemd hoe ook nu weer oud en nieuw kunnen samengaan. De San Bartolomeo is niet Rome’s mooiste, maar wat tweehonderd twintigers hier doen gebeuren, blijft deze week wellicht een van mijn sterkste indrukken.

donderdag 16 april

Een bezoek aan het graf van Petrus en de opgravingen onder de Sint-Pietersbasiliek gebeurt op afspraak. Ik heb nog even de tijd en voorbij de Zwitserse wacht onder de klokken van Rome wandel ik het kleine Campo Santo Teutonico op, een aandoenlijk kerkhofje met grote palmbomen, die lijken te wedijveren met Michelangelo’s koepel. Hier was er al in de achtste eeuw een hospitium voor vreemdelingen uit de Germaanse gebieden. Er staan verse bloemen en brandende kaarsen op het graf van ene Maria Kasteel-Baltussen, die hier tien jaar geleden werd begraven. In de portiek vind ik het graf van Herman Schaepman terug: ganzenveer van de literator, zijn spreuk Credo – Pugno (het geloof is een strijd) en de troostende verzuchting “Nil est morte beatius beata – Niets is zaliger dan een zalige dood.” Deze hortus conclusus, waarin waarschijnlijk uitsluitend ultramontanen rusten, is de tegenpool van de begraafplaats bij de Piramide van Cestius.

Voor de derde maal daal ik af in de ondergrond van de Sint-Pieter en wandel in een straat van de oude Romeinse necropool op de oorspronkelijke bodem van de Vaticaanse heuvel. Ik probeer het betonnen gewelf boven me weg te denken, verbeeld links van me de grote muur van het circus van Nero en zie onder een blauwe hemel tussen rijzige cipressen de grafmonumenten, die ik ook werkelijk kan betasten. Marmeren sarcofagen, mozaïeken, fresco’s en stucwerk evoceren de antieke godenwereld met een duidelijke voorkeur voor de levenslustige Bacchus. Maar vooraleer de antieke dodenstraat steiler begint te klimmen, verschijnen op de wanden van het mausoleum van de Julii de contouren van de Goede Herder, een visser, Jona en de walvis, zoals die ook in de catacomben voorkomen. En op het gewelf staat Christus als een Apollo in zijn zonnewagen. Het zijn voor mij de eerste duidelijke tekenen van de aanwezigheid van christenen op deze begraafplaats. Hogerop werd vanaf de tweede eeuw een open ruimte altijd ongemoeid gelaten. Op de rode muur, die er tegenaan was gebouwd, staan massa’s graffiti van pelgrims. Zij kwamen hier het graf vereren van de visserman, die in het circus de marteldood vond. Boven het graf van Petrus liet Constantijn een basiliek bouwen, waarvoor de Vaticaanse heuvel gedeeltelijk werd afgegraven en de necropool werd dichtgegooid. De vertikale lijn, die bouwmeesters en kunstenaars hebben gerespecteerd, is merkwaardig: Michelangelo’s koepel, Bernini’s baldakijn, drie pausenaltaren van de nieuwe en de oude basiliek, de rode muur. Als ik Rome’s mooiste dodenstad verlaat, zie ik op het plein de obelisk, de enige van de dertien Egyptische naalden die in de stad altijd bovengronds is blijven staan, eerst in Nero’s circus, dertien eeuwen later op dit plein. Ik zou hem willen vragen wat hij heeft gezien.

Sint-Pietersbasiliek
Straat van de Romeinse begraafplaats onder de Sint-Pietersbasiliek.

Ambrosius Gheeraerdts van Brussel 1657 – Michael Vangervoort alias Welghemaeckt – Laurens Vanderleen alias Gelt genouch” ontcijfer ik in de nissen van de Santa Constanza. Het zijn de namen van een paar ‘bentvueghels’, die na hun opname in de Romeinse gilde van schilders uit het Noorden hier de hele nacht door kwamen drinken in wat zij toen als het graf van Bacchus beschouwden. Zij zullen misleid zijn geweest door de felle mozaïeken van de druivenoogst. Tegen een witte achtergrond woekeren wingerdranken en cupido’s plukken druiven, die met ossenspannen naar de persen worden gebracht. Andere mozaïeken vormen kleurige tuinen waarin eenden, kwartels, duiven en pauwen, ananassen, citroenen, kersen, druiven en sinaasappelen tussen groen van lover hangen. Hier, in dit mausoleum van Constantijns dochter, gaan antieke siermotieven langzaam over in vroegchristelijke symbolen. De centraalbouw, met licht dat onder de tamboer door twaalf ramen valt en zich tussen twaalf dubbelzuilen in een kring op de vloer van de ronde beuk werpt, is een volmaakte ruimte. Bol, boog en cirkel nemen al mijn hoekigheid weg.

Santa Costanza
Santa Costanza

 

Ik ga ondergronds. De catacomben van Sant’ Agnese zijn beperkter dan die van Priscilla of Callixtus, waar ik liever kom. Maar ook hier ervaar ik dezelfde sensatie van het eerste begin: het oude verhaal werd in deze gangen beeld.

Vandaag liep ik door de dodenstad Rome. Morgen neem ik afscheid, voor de zoveelste maal, en wil ik nog even de stad vanuit de hoogten zien in haar wondere symbiose van oud en nieuw. Vanop de Pincio, waar Couperus graag stond; vanop het Janiculum bij de eik waar Tasso zat; vanop de Aventijn, waar niemand stoort.

verschenen in: Kunsttijdschrift Vlaanderen, 49(2000)1, nr. 279, themanummer Pelgrims(w)oorden, pp. 35-40.