Zanger van weemoed, verlangen en geluk

Anton van Wilderode

Patrick Lateur publiceerde over dichter Anton van Wilderode in Trajecta, tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden (1999)4, de bijdrage Anton van Wilderode (1918-1998). De zanger van weemoed, verlangen en geluk. Je kan de integrale tekst hier lezen.

Anton van Wilderode (1918-1998)
De zanger van weemoed, verlangen en geluk

“Het overlijden van Van Wilderode is geen klap voor de katholieke poëzie in Vlaanderen, maar het einde ervan”. Die uitspraak van Hugo Brems in De Standaard van 16 juni 1998 deed daags na het overlijden van de dichter hier en daar wat stof opwaaien, maar was correct. Wat ooit met Guido Gezelle begon, werd met Van Wilderode wellicht definitief afgesloten. Meer nog, zijn heengaan op de drempel van een nieuwe eeuw en een nieuw millennium onderstreepte alleen maar wat al een paar decennia duidelijk was: het einde van de dominante aanwe­zigheid van een christelijke cultuur die ook politiek en maatschappelijk bepalend was voor het Vlaanderen van de twintigste eeuw. Eigen­lijk overleefde Anton van Wilderode de cultuurperiode die hem heeft gevormd en waaraan hij zijn stem heeft geleend als priester-dichter, minnaar van de Oudheid en volksverbonden Vlaming.

  1. LEVEN EN WERK

Anton van Wilderode, pseudoniem voor Cyriel Coupé, werd geboren op 28 juni 1918 te Moerbeke-Waas in een uithoek van het Waasland tegen de Nederlandse grens. Het ouderlijke erf met de moerbeiboom, het rustige en traditionele dorpsleven en het rurale Waasland vormen de wortelgrond waaraan hij in veel gedichten zal refereren. Na zijn humaniora, deels in Oostakker met zijn tweelingbroer Filemon en in het kleinseminarie van Sint-Niklaas, begint hij in 1938 zijn pries­terstudies in het Filosoficum. Het verlies van zijn vader Edmond Coupé in 1939 zal zijn debuutbundel De moerbeitoppen ruischten uit 1943 sterk tekenen. Na vier jaar theologie aan het grootseminarie te Gent wordt hij priester gewijd in 1944 en volgt nadien de kandidatu­ren Letteren en Wijsbegeerte (klassieke filologie) aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar hij onder invloed van prof. W. Peremans zijn liefde voor Hellas opdoet. In 1946 wordt hij benoemd tot Ieraar in het college van Sint-Niklaas waar hij tot aan zijn pensioen in 1982 onder andere Latijn en Nederlands zou onderwijzen.

Het Sint-Jozefkleinseminarie en, vanaf 1976, het huis dat Van Wil­derode liet bouwen in de tuin van het ouderlijke erf, vormden de thuisbasis voor een waaier van activiteiten die Van Wilderode ont­plooide. In 1955 begint zijn medewerking aan de Vlaamse Televisie met een reeks scenario’s voor religieuze programma’s en vanaf 1959 werkt hij mee aan de poëzieprogramma’s voor de schoolradio. In 1950 schrijft hij voor het eerst de teksten voor de IJzerbedevaart waarvoor hij met een paar onderbrekingen zal tekenen tot in 1987. Intussen is hij een veelgevraagdcauseur voor culturele verenigingen in heel Vlaanderen, spreekt hij hulderedevoeringen en homilieën uit bij her­denkingen en begrafenissen van prominente Vlamingen en schrijft hij inleidingen op en verzen bij het plastisch werk van bevriende kun­stenaars. In het culturele leven van het katholieke Vlaanderen van het derde kwart van onze eeuw groeit Van Wilderode uit tot het symbool ervan en tot een instituut op zich.

Zijn poëtisch oeuvre is inmiddels in golven gegroeid. Na zijn debuutbundel en een tweetal kleine plaquettes publiceerde hij in 1952 Het land der mensen, waarin vooral reis- en gelegenheidsgedichten verwerkt zijn. Reizen, gelegenheden en opdrachten zullen zijn dich­terschap blijven voeden, zoals blijkt uit zijn Verzamelde gedichten uit 1974, waarin Maria Moeder, Ik adem mijn eigen aarde, Aan de weg timmeren en Onverwachts onderweg voor het eerst worden gebundeld nadat de meeste gedichten al vroeger waren ontstaan. In die periode werkt de dichter ook aan zijn Vergiliusvertaling: Aeneis I-6 (1962), Bucolica (1971), Aeneis 7-12 (1973) en de Georgica (1975). Die Vergilius­vertaling heeft Van Wilderode definitief zijn poëtische vormtaal gege­ven die hij in grootse bundels als Dorp zonder ouders (1979), De over­oever (1981) en De Vlinderboom (1985) zal aanwenden en waarmee zijn dichterschap een hoogtepunt bereikt.

Zijn dichterlijk metier resulteert in de tachtiger jaren in drie lijvige bundels bij foto’s van Jan Decreton over Vlaanderen (het land, het dorp en de stad) en in een vertaling van een selectie uit Horatius’ oeu­vre, waaruit in 1995 de volledige vertaling van de Oden zal voortvloei­en. In zijn levensavond blijft Van Wilderode ongemeen productief. De negentiger jaren brengen naast de poëtische en geestelijke biogra­fie van Paulus (Apostel na de Twaalf, 1992) onder andere nog de fel op­gemerkte kwatrijnenbundel Poedersneeuw (1991) en Het oudste geluk (1995). Een onbekende en speelse Van Wilderode komt tot uiting in twee bundels bij misericorden, Barmhartig hout (1996) en Hout op snee (1997).

Toen Anton van Wilderode op 15 juni 1998 in Sint-Niklaas over­leed, liet hij, naast de reeds vermelde titels, een immens oeuvre na dat bestaat uit dichtbundels en vertalingen, bloemlezingen en essays, toe­spraken en journalistiek werk, inleidingen en recensies, brieven en dagboeken. Het eerste deel van zijn Volledig dichtwerk dat zopas ver­scheen,[1] omvat 1650 gedichten uit de 24 bundels van De moerbeitop­pen ruischten (1943) tot De dag sneeuw dicht (1998), met de restanten uit een aantal andere titels. Het tweede deel, dat de verspreide en nagelaten gedichten zal bevatten, zal vermoedelijk niet veel kleiner zijn.

  1. POËTICA

“Vijf jaar bijna woedt de oorlog in en rond ons; millioenen menschen staan aangezicht aan aangezicht met den dood in deze opperste een­zaamheid waarin de herinnering aan het verleden het éénige licht is dat het donker doorstroomt – en wij schrijven overbodige woorden op overbodige (én fictieve) ‘onderwerpen’!”[2] Zo schreef de jonge Van Wilderode in 1945 zijn dichterlijke visie uit. Hij had op dat ogenblik zijn debuutbundel gepubliceerd en her en der enkele losse gedichten. In de vaak verhitte discussies rond de vraag in welke richting de Vlaamse poëzie moest evolueren na de ontreddering van de oorlog en de repressie,[3] nam Van Wilderode met andere katholieke dichters uit die tijd het standpunt in van de verbondenheid tussen poëzie en leven. De (katholieke) literatuur moest vanuit de geloofsinspiratie de lezer een bestaansverheldering geven in klassieke verzen. De experi­mentele en modernistische poëzie van de jaren vijftig heeft Van Wil­derode dus aan zich laten voorbijgaan. Vanuit zijn klassieke vorming én zijn kerkelijke en maatschappelijke betrokkenheid heeft hij geko­zen voor een toegankelijke poëzie die elke autonomie van de tekst en elk estheticisme afzweert. Nog in 1976 verklaart hij in een gesprek met loos Florquin: “Ik heb zo vaak met gedichten concrete dingen mogen ervaren die, buiten alle literatuur om, wijzen op de menselijke functie van de poëzie, ervaringen die wijzen op de behoefte van de mensen aan dingen die troosten in de echte zin, aan antwoorden op vragen die belangrijk zijn. Dat is heel wat meer dan een spel van mooie klanken.”[4] Die poëticale keuze heeft hij consequent en met een groot vakmanschap toegepast, zowel in de bundels waarin hij een eigen thematiek ontwikkelde als in zijn gebruikspoëzie die hij voor religieuze vieringen en voor volksnationale gelegenheden schreef. Die toegankelijkheid en herkenbaarheid hebben hem in Vlaanderen bij­zonder populair gemaakt en daardoor blijft hij een van de meest gele­zen dichters uit de tweede helft van die eeuw. Maar door de literaire kritiek, die lange tijd bepaald werd door de ideologische verzuiling, werd hij niet altijd gevolgd. Die kloof met de (post)modernistische dichters en critici heeft ook een bredere receptie in Nederland verhin­derd.[5]

Zijn eerste poëtische ervaring heeft Van Wilderode uitgeschreven in de inleiding tot zijn Verzamelde gedichten uit 1974. Door het raam ziet hij in zijn kinderjaren de twee kerselaars in de tuin, terwijl een wind hun bloesem doet sneeuwen. “De twee geschudde, beroofde tuilen deinen naar mij toe, ik zit in de wieg van hun kruinen net als in de kersentijd. Koud heb ik het, het sneeuwt door de twijgen. Ik kan niet zeggen wat ik gevoel, wat ik zie. Rond mij is gewoon de zaterdag­middag van altijd. Daar gebeurt niets, alles gebeurt in mij. Woorden zijn bloesems die onbereikbaar wegzweven. Ik ben eenzaam, met twee kerselaars op de rand van het heelal.”[6] Daar reveleerde zich voor het eerst die behoefte aan verinnerlijking en eenzaamheid die de dichter in staat stellen achter de dingen te kijken. Die dichterlijke roeping zal hij later in zijn gedichten blijven evoceren: in Kersenboom uit De over­oever (VD 420), Twee boomgaarden uit De Vlinderboom (VD 724), Boomgaard uit Het oudste geluk (VD 1394) en in Geluk 1 uit Poeder­sneeuw:

De appelboombloesems, oudroze en wit,
de teerste de liefste waaronder ik zit,
een knaap weer als ooit met zijn eerste gedicht.
Geen ander geluk was zo duurzaam als dit.[7] (VD 1012)

Die keuze voor eenzaamheid vormt in Van Wilderodes poëzie een spanningsveld met de gemeenzaamheid waartoe hij zich geroepen weet. Het is niet toevallig dat de dichter tijdens zijn vele reizen en in de gedichten die daaruit voortvloeiden, die noodzakelijke terugkeer naar de gemeenschap ervaart en oproept. In Selinunte (VD 102) en Avonden in La Mancha 5 (VD 112) uit Het land der mensen, in Op het marmer van Delos (VD 612) en De verloren zoon (VD 648) uit Een tent van tamarinde en in Paestum 4 Terug (VD 460) is hij telkens de man die weer de weg moet gaan van de plicht, weg van de droom en terug naar de werkelijkheid onder de mensen. Die spanning verwoordt hij zelfs uitdrukkelijk in Via Egnatia 2 uit Apostel na de Twaalf wanneer hij in het spoor van Paulus naar Tessalonica gaat:

halfweegs vertoevend tussen toen en thans
blijf ik een man die niets meer wil verliezen
door tussen droom en werklijkheid te kiezen,
maar wat voorbij is overdekt met glans. (VD 1183)

  1. WEEMOED OM HET VERLIES

Van Wilderodes poëzie beweegt zich rond drie thema’s: de weemoed om het verlies, het verlangen naar vervulling, het geluk om mensen en dingen die hem zijn gegeven. Het thema van de weemoed is aan­wezig vanaf de eerste bundels, met De overoever wordt de verwachting van een andere wereld nadrukkelijker, vanaf Poedersneeuw cirkelt de dichter vooral rond het geluk dat hij ervaren mocht en mag in de wereld die hem omringt. Maar die poëtische trits is uiteraard besten­dig in heel het oeuvre aanwezig.

“Heel mijn poëzie is een poëzie van verlies …: verlies van de jeugd met haar geborgenheid en geluk, verlies van mijn ouders, verlies van een vriendelijke, vreedzame wereld, verlies ook van vrienden…”[8] Van Wilderode heeft in zijn verzen het verloren paradijs tot leven willen roepen om het nog eenmaal vast te houden. Het geboortehuis, de familie, het dorp, het Waasland, Vlaanderen, de mediterrane wereld: in concentrische cirkels deint zijn wortelgrond uit in de ruimte, maar ook in de tijd (de kinderjaren en de vergane glorie van de antieke beschaving). Reeds vanaf De moerbeitoppen ruischten wordt zijn poëzie gekenmerkt door een sterk elegische toon. In die bundel verwerkt de dichter het verlies van zijn vader:

Vader, wij hebben u begraven en de grond erkend
zacht om te slapen, zacht om te vergeten:
zand dat vervloeit en water, ongeweten,
herinnering en droefheid voormaals onbekend. (VD 60)

De vaderfiguur zal prominent aanwezig blijven in zijn oeuvre, onder­meer in De zoon (VD 829), Dag vader (VD 871) en de vaderkwatrijnen in Poedersneeuw (VD 1055). Zijn moeder, die haar man met een kwart­eeuw overleefde, evoceert hij onder meer in Onverwachts onderweg in de cyclus De dag van eden (VD 360 sq.) en Moeder van ver al, een cyclus uit Dorp zonder ouders (VD 371 sq.). Beide cycli sluiten nauw bij elkaar aan door de herinnering die in concrete beelden de moeder­figuur weer dichtbij brengen:

Je staat achter het raam zonder gezicht.
De notelaar met geverniste blaren
glanst van een zuiver en onwerelds licht
dat huiveringen legt over je haren. (VD 363)

Op de paradijselijke kinderjaren, lang vóór het verlies van de vader, komt Van Wilderode regelmatig terug. Het biedt hem de gelegenheid in dromen de werkelijkheid even te vergeten en het tijdloos geluk van weleer door de herinnering te doen herleven. De zeven gedichten over Moerbeke in Ik adem mijn eigen aarde behoren dan ook omwille van die persoonlijke toets tot de mooiste Waaslandgedichten:

Niemand meer zijn dan het kind
dat ik was tussen dennen vol wind
en veertjes van blauwe fazanten.

Dat geen andere zorgen nog had
dan een zomer van zestig dagen. (VD 217)

Ook zijn talrijke reizen naar het Zuiden maakten de dichter bewust van de vergankelijkheid van de dingen. Maar zelfs zonder in Grieken­land te zijn geweest, had hij reeds in Najaar van Hellas (geschreven in 1945) de crisis van de Westerse beschaving vergeleken met de onder­gang van de Helleense cultuur waar koele wetenschap het won van religieuze bezieling. De vergane glorie van de antieke beschaving wordt in Selinunte nog versterkt door de onrust van krioelende dieren in de tempelruïne:

De krekels zingen sidderend in het lover
dat uit de bogen puilt gelijk een wolk
van woekerend groen en een snelkrielend volk
van zwarte mieren zwermt de stenen over. (VD 102)

  1. KIJKEN NAAR DE OVEROEVER

Terugkijkend naar vele vormen van verloren paradijs, kijkt Van Wil­derode sinds De overoever steeds meer uit naar een ander paradijs. In Buitengaats, een van zijn laatste bundels (1996), vat de dichter in Vér­wacht goed samen wat zijn poëzie daarvoor vermag:

Er is een liever land dat ik niet ken
waar ik verwacht en uitgenodigd ben
maar niet, zolang ik leven mag, kan komen
tenzij somtijds met poëzie en pen. (VD 1572)

Poëzie als mogelijkheid om de toekomst in te halen. Van Wilderodes gelovige visie heeft hem eigenlijk vanaf het begin uitzicht gegeven op een nieuw leven. Reeds in zijn debuutbundel zegt hij in de Egidius-­cyclus, die refereert aan de dood van zijn broertje Leo dat hij nooit gekend heeft:

Ik zie uw blanke slaap onaards en onbewogen
en ween niet meer omdat ik álles weet:
God zal mij vangen uit dit sterflijk kleed
als ik genoeg van heimwee ben doorvlogen. (VD 29)

Dat verlangen naar de overoever heeft hij vooral in de gelijknamige bundel uitgezongen. Het is een verdichte Italiëreis langs vele grote plaatsen waarin verschillende culturen hun sporen nalieten, die de dichter confronteren met dood en hiernamaals: Griekse tempels, Etruskische graven, Romeinse ruïnes, Byzantijnse mozaïeken, mid­deleeuwse fresco’s… In Ravenna ziet hij in de mozaïeken zachte hemelplekken van azuur terwijl de ziel zwerft langs de zolderingen (VD 433) en in de Villa Giulia te Rome kijkt hij naar de sarcofaag met het Etruskische echtpaar:

Tezamen ingescheept en onder zeil
om op een verdere oever te belanden
voor eeuwen slaap en onverliesbaar heil. (VD 440)

Wie zo denkt, heeft de betrekkelijkheid van de dingen leren inzien, heeft verlies leren aanvaarden en is gelouterd. In De Vlinderboom, die Dirk van Bastelaere tot het interessantste boek van Van Wilderodes oeuvre rekent,[9] geeft de dichter een beeld van de laatste maanden van Keizer Karel in het klooster van Yuste. De man die gebiologeerd was door de macht, vraagt zich af:

Hoe moet ik met mijn méégewassen trots
mezelf verminderen en zelfs vergeten?
Ik wil in tegenspraak met mijn verleden
tijd maken voor de lange tijd van God. (VD 744)

Dat in Apostel na de Twaalf Paulus onverschrokken de dood ingaat, is aannemelijk in het licht van zijn optreden en zijn geschriften. Van Wilderode Iaat ons zijn marteldood evenwel beleven door de ogen van de lictor die hem onthoofde en die ’s nachts nog van hem droomt: Ik zal nooit van zijn halswonde genezen nooit van de man die ik heb omgebracht (VD 1289). De beul die de kracht van het geloof nog niet kende, vindt geen verklaring voor Paulus’ heroïsche houding. Die heldhaftigheid was ook de dichter niet gegeven. Dertig jaar vroeger sloot hij Het land der mensen af met het bekende Gebed waarin hij God vraagt hem het uur van zijn dood niet te laten weten: Gij weet het, God, maar zwijg, om mijnentwil (VD 141). Ook de laatste vraag van Keizer Karel is er een naar het wanneer, terwijl de bundel sluit met het vers En dan de dood, denk ik, en dan de dood (VD 754). Met de dichter kan hij alleen maar hopen en zich toevertrouwen aan de ultie­me wortelgrond.

  1. DE DICHTER VAN HET GELUK

Tussen de weemoed om het verlies en het kijken naar de overoever ligt voor Van Wilderode een wereld van geluk. Dat geluk heeft uiteraard reeds te maken met het herscheppen in verzen van het verloren para­dijs (Geluk is alles wat men niet vergeet, VD 1467) en met de zachte zekerheid van de vervulling in een ander paradijs (Ben onder de hoede van Eén die weet hoe het verder zal worden met mij, VD 1570). Maar tussenin liggen de momenten van intens geluk om wat hem is gege­ven. De ouder wordende dichter is zich daar sterk van bewust: Niets anders raakt mij meer dan kleine dingen (VD 1458) en AI groter aan­dacht gaat naar het geringe (VD 1726). Dat geluksgevoel heeft Van Wilderode eigenlijk altijd overvallen, zelfs in gedichten die doordron­gen zijn van weemoed en verlangen.

Dat ligt vooral in de manier waarop de dichter de dingen oproept. Wie goed leest, voelt hoe Van Wilderodes verzen vol geuren, kleuren en geluiden steken. Die sterke zintuiglijkheid is er vanaf het begin (Avond, VD 197) en blijft doorwerken tot in zijn later werk, zoals in Geluk 4:

De merel is een glanzend-zwarte vorst
die mij met huppelsprongen naderen dorst,
de kraaltjes in zijn ogen van rood koper.
Ik zie het bonzen van zijn veren borst. (VD 1012)

Herman de Coninck, die zijn bewondering uitschreef voor de kwa­trijnen van Poedersneeuw, noemt dit merelgedicht “een gedicht van louter visuele zintuiglijkheid… Dichter bij een vogel kun je niet komen, denk ik. De mooiste kwatrijnen van Van Wilderode zijn alle­maal van zo’n weldadig sensitivisme.”[10] Het voelbare genoegen waar­mee de dichter de dingen oproept, is ook sterk aanwezig in de twee bundels die de speelse sculpturen van de misericorden becommenta­riëren of beschrijven, zoals de aanhef van Droes:

Gedragen op vier vinnen drijft
de meermeid met haar lellig lijf
natglanzend door de lauwe zee.
Een kabbeling van donkerblonde
spuuglokken die haar hoofdje ronden
vlot in de waterdeining mee. (VD 1474)

Maar meer nog dan uit de formele elementen die een geluksgevoel verraden, blijkt Van Wilderodes geluk inhoudelijk uit de verzen waar­in hij zijn verhouding met verwanten en artistieke vrienden uitschrijft. Talrijk zijn de gedichten die hij hun opdroeg. Het diepste geluk vond Van Wilderode uiteindelijk in de nabijheid van God:

De luister van uw huis heb ik bemind
van toen mijn levensloop begon, een kind
dat onder uw gewelven als een hemel
de helm gevoelde van de zomerwind.

  1. SACERDOS

Op gevaar af Van Wilderode op te splitsen in een aantal losstaande aspecten, benaderen wij hieronder de dichter nog vanuit een paar ele­menten die hijzelf ongetwijfeld beschouwde als delen van een geheel. De priester Van Wilderode schreef naar aanleiding van de twintigste verjaardag van zijn wijding het gedicht Sacerdos (VD 326) dat klinkt als een gebed en eindigt met

Eer ik verzink in de nacht
weet ik niet anders meer dan:
maak mij de knecht van uw kracht
en vraag mij zoveel ik kan.

Van Wilderode beleefde zijn priesterschap als een gezagsgetrouwe man die bovendien met argwaan de vernieuwingen binnen de Kerk bekeek. In het gesprek met Florquin bekende hij daaromtrent: “Ik ben geen lofzinger van wat voorbij is, maar ik vind het spijtig dat een gevoelen van veiligheid en sommige aloude waarheden werden weg­genomen. Er wordt ons voorgeschreven dat we met de kanker moeten leven. En met de angst. En met de inflatie. En met wat al niet. Ik zou willen leren leven met wat geluk.”[11] Net als in poëticaal opzicht stelde Van Wilderode zich in kerkelijke kwesties (en ook in onderwijskun­dige aangelegenheden) conservatief op. Voor hem was de vreugde van een onvoorwaardelijk geloof van existentieel belang. Hij beleefde die vreugde in het liturgisch voorgaan zoals hij dat beschrijft in Catacom­be 2 uit De overoever:

Oeroude woorden ter gedachtenis
verstaan en bijna stamelend gesproken,
Brood tot een duurzaam voedsel rondgebroken
onder het letterteken van de Vis. (V D 456)

Zonder ultramontaan te zijn, had hij een bewondering voor het Pe­trusambt, zoals blijkt uit Vader der Una Sancta, geschreven in het Heilig Jaar 1950 (VD 128) en de gedichten die hij schreef naar aanlei­ding van het overlijden van Pius XII (In Pii memoriam, VD 327) en van Paulus VI (De overoever Rome, V D 449-450). Voor het pausbe­zoek in 1985 schreef hij in opdracht de teksten voor de pausdag in Waregem op 12 mei en voor de ontmoeting met Johannes-Paulus II in Gent op 17 mei.[12]

Die laatste teksten zijn voorbeelden van gebruikspoëzie waarin Van Wilderode als priester-dichter zich dienstbaar maakt voor een gemeenschap van gelovigen. Ook grotere scenario’s voor opvoeringen als Passio Domini. Een meditatieve kruisweg (1962) en Alfa-Omega. Een spel van woorden, beelden en bewegingen (1977) illustreren de gemeenschapspoëzie van de dichter.[13] Uit de tekstbrochure Maria Moeder voor het Mariaspel te Halle (1967) en Scherpenheuvel (1972) werd in 1974 de gelijknamige bundel gedistilleerd (v D 163-188). Het tweede deel van het Verzameld dichtwerk zal duidelijk maken hoeveel gedichten hij ook in opdracht heeft geschreven bij geboorten, com­munies, huwelijken, wijdingen en overlijdens.

Naast de bundel Maria Moeder heeft Van Wilderode een religieuze thematiek ontwikkeld in gedichten bij polychrome beelden (Die Beelden Sijn der Leken Boeken) en bij een icoon (De Rozenkransikoon) en vooral in de lijvige bundel Apostel na de Twaalf In ruim tweehonderd gedichten trekt hij in het spoor van Paulus en schrijft hij een geestelijke biografie in verzen, waarin ook Paulus’ brieven verwerkt worden. Van Wilderode identificeert zich in deze bundel met de zoe­kende Paulus, zoals in Paulus 4:

Een zwerver ben ik voor de Heer geworden,
een die geen huis heeft en geen vaderland,
met losse wortels gaande op los zand,
een voor de tocht van stad tot stad gegorde… (VD 1166)

Eigenlijk ademt de poëzie van Van Wilderode op elke bladzijde sacra­liteit, vanuit het perspectief dat zijn geloof hem geeft, maar ook van­uit de vragen en de twijfels die de condition humaine bij hem oproept. Het slotgedicht uit Dorp zonder ouders is daarvan wellicht een van de meest aangrijpende voorbeelden:

Tijden terug toen alles nog van voren
af aan beginnen moest, de weg naar boven
van leerzaam leven loutering geloven
en aan een hoge meester toebehoren
die weelde dikwijls dikwijls wee zou wezen.
Ik sta nog aan de rugwand van de krater
gevuld met lava of met levend water.
Verlaat mij niet nu met geweld gerezen
de arend nacht door geen bevel beteugeld
hangt in de valscherm van zijn harde vleugels. (VD 398)

  1. LERAAR

Als priester was Van Wilderode zijn leven lang verbonden aan het col­lege van Sint-Niklaas waar hij vele generaties studenten heeft geïntro­duceerd in de antieke en hedendaagse letteren en waar hij tegelijk de impulsen heeft gevonden voor zijn grote vertaalarbeid. Het mooiste getuigenis over zijn leraarschap vinden wij wellicht bij Torn Lanoye, die in zijn Kartonnen dozen voor zijn leraar letterkunde niets dan lof heeft:

Hij belichaamde het verlangen de wereld zodanig in woor­den te vangen dat zij zichzelf overtrof. Incarnatie en begin van alle schrijven. Hij las gedichten voor van Lucebert, Lodeizen Snoek. Andreus en Claus. Je huiverde. Andere leraren verwensten het laatste lesuur van de week, vrijdag­middag van tien over drie tot vier. Uitgerekend dat laatste uur besteedde hij aan het voorlezen van proza, iedere week weer. We werden bezworen. Het weekend kon wachten. Je zakte onderuit en luisterde en brandde als een blad.

Het was mede dit bijzonder leraarschap dat hem in 1975 een eredocto­raat aan de KU-Leuven heeft opgeleverd. Uit die onderwijspraktijk groeide in 1968 ook het tweedelige handboek De dubbelfluit, een gecommentarieerde bloemlezing uit de Nederlandse literatuur. Het handboek hield dertig jaar stand en wordt vandaag nog gebruikt door leerkrachten die houden van uitdagingen. Dat zijn onderwijs in de literatuur aanstekelijk én vruchtbaar was, bewijst het feit dat onder zijn oud-leerlingen belangrijke namen uit onze hedendaagse lite­ratuur voorkomen: José de Poortere, Paul Snoek, Torn Lanoye, Dirk van Bastelaere en Erik Spinoy. Allen huldigen zij een totaal andere poëtica dan Van Wilderode, maar hun gedrevenheid vonden zij bij een bezielende oud-leraar.

  1. VERTALER

Zijn omgang met de antieke dichters uit de poësisklas heeft hem ongetwijfeld ook gedreven tot zijn indrukwekkend vertaalwerk. Voor het eerst sinds Vondel werd de volledige Vergilius vertaald waarvoor ook Nederland hem erg waardeerde en waarvoor hij in Vlaanderen de Koopalprijs voor vertaling ontving in 1975. Nadien volgden nog alle oden van Horatius en een selectie uit diens andere werken. En in de nalatenschap is een belangrijke aanzet van een Sapphovertaling bewaard.

Benno Barnard heeft hem ooit vereerd met het epiteton de Vlaam­se Vergilius, maar hij had het daarbij vooral over de zangerigheid van Van Wilderodes poëzie.[14] Naar mijn gevoel is er meer aan de hand.[15] Van Wilderode had een grote affiniteit met Vergilius. Er is het gemeenschappelijk landschap (de oevers van de Mincio en het Waas­land), de psychische ingesteldheid (rust en introspectie), hun kijk op mensen en dingen (weemoed om een verloren wereld en dromen van een nieuwe wereld), hun betrokkenheid op de gemeenschap (een nieuw Rome en een nieuw Vlaanderen), hun pacifisme (Pax Romana en het Nooit meer oorlog), hun visie op het dichterschap, want zoals Vergilius zich geroepen wist de Romeinse droom te vertolken, zo heeft Van Wilderode als een poeta vates, als een ziener, zijn religieuze en volksnationale gedachten poëtisch gestalte gegeven. Dat is de grond van het eerste Vergiliuskwatrijn in Poedersneeuw:

Vergilius heeft voor een kwart mijn leven
vruchtbaar gevuld met wat hij heeft geschreven
en wat ik moedig zonder overmoed
gehoorzaam in mijn taal heb weergegeven. (VD 1022)

De vertaler wist zijn leven vruchtbaar gevuld met de lectuur van Ver­gilius’ verzen. Hij heeft er, naast de drang om hem te vertalen, ook een geestesverwant gevonden die hem door het vertaalwerk niet alleen zijn eigen definitieve versvorm deed ontdekken, maar ook een bevestiging gaf van zijn maatschappelijke functie als dichter. Een ver­taald fragment uit de Georgica, Vergilius’ boerenboek, mag dat even illustreren. Vergilius noch Van Wilderode zijn stadsmensen geweest en zij hebben beiden de weldaden van het leven op het land in hun verzen opgeroepen. Wat Van Wilderode vertaald heeft, kon hij even­goed zelf geschreven hebben:

Maar wél bij hen: een onbezorgde vrede,
een levenswijze die niet weet van liegen
en rijk is aan diverse mogelijkheden.
Men kan er nog geloei van koeien horen
en heerlijk slapen onder loof van bomen.
Er zijn nog weiden in de bergen, wouden
waarin het wild zijn legers heeft gevonden.
Er is een jeugd, gewend aan zware arbeid,
gewoon zich met maar weinig te behelpen.
Er is nog eerbied voor de goden, eerbied
en welgezindheid jegens de bejaarden.[16]

Het leefmilieu bepaalt de mens en daarin kiezen Vergilius en Van Wilderode resoluut voor het directe contact met de natuur. In dit opzicht zijn beide dichters diep verwant en geëngageerd.

  1. VLAMING

Een engagement dat Van Wilderode als dichter nauw aan het hart lag, was zijn Vlaams-nationalisme. In de lijn van Gezelle, Verriest en Verschaeve combineerde hij zijn priesterschap met een overtuigde Vlaamsgezindheid. Die heeft hij nooit onder stoelen of banken gesto­ken, ook niet onder kerkbanken, want in 1984 ging hij met prelaat Koenraad Stappers in Rome bij paus Johannes-Paulus II pleiten voor amnestie. Na een bijgelegd conflict met het IJzerbedevaartcomité werd hij in 1998, bijna letterlijk in extremis, uitgeroepen tot erebeheerder van het comité waarmee ook officieel de waardering werd uit­gedrukt voor zijn meer dan morele steun en voor zijn inspirerende teksten in Diksmuide. Een keuze uit die teksten heeft hij in 1974 op­genomen in zijn Verzamelde gedichten, wat erop wijst dat hij ook die gebruikspoëzie als een substantieel onderdeel van zijn gedichten be­schouwde. Daarin valt vooral zijn pacifisme op. Vanuit de gebroken­heid die de slagvelden van de IJzer bij hem opriepen, weerklinkt in zijn verzen steeds weer de roep tot vrede, zoals in De wereld die wij willen:

De wereld die wij willen is een vrede
die zonder wrevel over het verleden
het doek haalt van vergeven en vergeten.

De wereld die wij willen is de wereld
ons tot verzadiging ten deel gegeven,
tot overmaat en lieflijkheid van leven. (VD 320)

Zijn liefde voor zijn land heeft hij ook uitgeschreven in tal van liede­ren, met voorop het door Ignace de Sutter gecomponeerde Lied van mijn land. Dat deed hij ook in gedachtenisgedichten die werden ver­zameld in de bundel In al begonnen vrede en vooral ook in vele gedich­ten in de drie fotoboeken over land, dorp en stad, waarvan Daar is maar één land dat mijn land kan zijn als een Vlaamse tegenhanger van Vergilius’ Georgica mag gelden. Het gedicht Voor u en mij vormt daar een van de hoogtepunten. Bij de foto van de oude boer Borremans, met wie Van Wilderode diep meevoelt, lezen we:

Verklonken zijn het krijgsgeschreeuw, de kreten,
de ongebaren van de barbarij
gedelgd en ongebeurd, voor u en mij
de dageraad voor een bewind van vrede.

De lieve aarde heeft genoeg geleden,
staat ons met overvloed van oogsten bij
zolang het licht nog schijnt voor u en mij
de lijfsgenade voor een dag van heden. (VD 548)

* * *

Over de dubbelnaam priester-dichter heeft Van Wilderode in een toe­spraak in de Abdij van Male ooit smalend gezegd: “Voor sommigen bij voorbaat al een garantie van kwaliteit, voor anderen een onover­klimbare hinderpaal voor waardering. Ik weet dat mijn vriend Wil­lem Barnard in Nederland hetzelfde is overkomen: dominee-dichter. Eigenaardig genoeg spreekt men nooit over notaris-dichter, dokter­-dichter, ambtenaardichter, die veel talrijker zijn.”[17] Eigenlijk schiet die dubbelnaam in het geval van Van Wilderode zelfs nog tekort, net zoals bij Gezelle. Zij waren beiden ook Ieraar, vertaler, journalist, essayist, Vlaming en wellicht nog meer. Kwantitatief, kwalitatief en thematisch komt Van Wilderode de eerste grote priester-dichter heel nabij. Met zijn werk sluit hij ook de cirkel die bij Gezelle begon. Dat werk is reeds gecanoniseerd, niet alleen door de Driejaarlijkse staats­prijs voor Poëzie voor de bundel Dorp zonder ouders in 1980 en de Driejaarlijkse Staatsprijs ter bekroning van een schrijverscarrière in 1987, maar vooral door zijn talloze lezers die zes edities van zijn verza­melde gedichten mogelijk maakten. De studie van het oeuvre van de zanger uit het Waasland is nog maar in een beginstadium[18] en het is nog even wachten op de uitgave van zijn verspreide en nagelaten gedichten. Van die doorgedreven studie, maar vooral van zijn lezers zal het afhangen of Van Wilderode ooit zal kennen wat zijn grote voorganger te beurt viel.

Summary

Anton van Wilderode (1918-1998), whose Verzameld Dichtwerk -I recently appeared with Lannoo, is one of the most important Flemish poets of the second half of the twentieth century. As the last of a number of influential priest-poets he occupied a prominent position within Flemish cultural life in general and the Flemish Movement in particular. He was also widely known as a teacher and especially as the translator of, among others, Virgil and Horace. In formal terms his poetry is characterized by a skillful­ly handled classical technique, and his verses are rich in melody. In terms of contents his poetry revolves around three themes: the nostalgia for the loss of what was dear to him, the desire for fulfillment in a different paradise, the happiness caused by small, ordinary things and the people that surround him, Among his sources of inspiration were his blissful childhood years, the ties with his family and friends, the village where he lived and the area of the Waasland, Flanders, his travels (for instance to the Mediterranean in search of traces of Greek and Roman civilization and of the apostle Paul and Charlemagne) and his religious vision. In addition to a myriad of other prizes, Van Wilderode was twice the recipient of the Driejaarlijkse Staatsprijs, for the collection Dorp zonder ouders (1980) and for his entire career as a writer (1987). He was not only highly respected, he was also a tremendously popu­lar poet. His cultural, social and religious commit­ment, in addition to the great accessibility of his poetry and the usefulness of his occasional work have resulted in different editions of his collected poems. In terms of themes, quality and quantity, Van Wilderode’s poetry approaches Guido Gezelle’s work, and thus the circle starting with the first great priest-poet is closed with this singer from the Waasland.

bron: Anton van Wilderode (1918-1998). De zanger van weemoed, verlangen en geluk. Uit: Trajecta. Tijdschrift voor de geschiedenis van het katholiek leven in de Nederlanden, 8(1999)4, pp. 407-421. (Themanummer Het apostolaat van de poëzie. Priester-dichters in Nederland en Vlaanderen, onder redactie van Lieve Gevers en Jan Roes.)

[1] A. van Wilderode, Volledig dichtwerk. Gebun­delde gedichten. Tielt, 1999.

[2] A. van Wilderode, De poëzie in dezen tijd. In: Verzet om de Waarheid, 1(1945)5, p. 11-12.

[3] Een overzicht van de discussie vindt men in: H. Brems, Analyse van een malaise. Het jongerenpro­bleem in de Vlaamse poëzie 1945-1950. Leuven, 1988.

[4] J. Florquin, Ten huize van… Leuven, 1978, 14e reeks, p. 58.

[5] Over de positie van de ‘katholieke’ literatuur in Vlaanderen, cf. D. de Geest, In Gods naam / in godsnaam. In: Maatstaf, 4I(1993)8-10, pp. 5-16.

[6] A. van Wilderode, Verzamelde gedichten. Brugge, 1974, p. 6.

[7] De cijfers verwijzen naar de pagina’s in het Volledig dichtwerk.

[8] J. Florquin, Ten huize, p. 29.

[9] D. van Batselaere, Mijn taal was heerschap­pij. Notities over het machtsmotief in De vlin­derboom. In: Kunsttijdschrift Vlaanderen, 47(mei 1998), pp. 32-36.

[10] H. de Coninck, De flaptekstlezer. Amsterdam, 1992, p. 90.

[11] J. Florquin, Ten huize, p. 56.

[12] In: Anton van Wilde­rode. Reizend naar het Licht. Tielt, 1999 bundel­de Piet Thomas o.m. Het Onze Vader 1-7, een ver­taling van het Te Deum en het gedicht De Kerk.

[13] Beide spelen werden door Rudolf van de Perre gebundeld in: Anton Van Wilderode. Dienstbaar het Woord. Tielt, 1985, pp. 343­-382.

[14] B. Barnard, De Vlaamse Vergilius. In: Nieuw Wereldtijdschrift, 1(1984)4, pp. 78-83.

[15] P. Lateur, De Vlaam­se Vergilius. In: VIaande­ren, 37(1988), pp. 255-262.

[16] Vergilius, Georgica, II, pp. 467-473.

[17] Dankwoord hij de laatste viering n.a.v. zijn 75e verjaardag in Male op 30/10/1993 (Archief Van Wilderode).

[18] Uitstekende inleidin­gen op het oeuvre vindt men in R. van de Perre, Anton van Wilderode. Een monografie. Leuven, 1988 en ook in zijn essay Het land van de wortelstok. Over de poëzie van Anton van Wilderode, Leiden, 1991. Het speciale Van Wilderodenummer van het tijdschrift Vlaanderen, 47(mei 1998), bevat een analyse van een aantal ge­dichten.