Laudatio voor Hubert van Herreweghen

Hubert van Herreweghen en Patrick Lateur in 2004

Dichter Hubert van Herreweghen kreeg op 5 december 1997 in de bibliotheek van de Universitaire Stichting in Brussel de Letterkundige Prijs Emile Bernheim uitgereikt. Patrick Lateur sprak er een laudatio uit. Lees hieronder de volledige tekst daarvan.

Hubert van Herreweghen: wat heeft een tovenaar te tonen?

Woorden met een beeldenaar
zoek ik, dikte en dunte,
gaaf profiel en punten,
niet de uitmuntende zomaar,
          wel, op een haar
          na, het karaat,
gemeten met een evenaar,
waar men, sinds Tigris en Eufraat,
eerlijk mee aan moet munten

Met dit gedicht Woorden, dat wij lezen in de cyclus Spiegelschrift van de bundel Karakol uit 1995, getuigt Hubert van Herreweghen van zijn ambachtelijk bezig zijn met het woord. Hij is een poiètès, letterlijk vertaald uit het Grieks ‘een maker’, een maker van een poëtisch universum waaraan hij als vakman reeds meer dan een halve eeuw bouwt. Zijn instrument, zijn alaam zou hij zeggen, is het woord, waarmee hij een nieuwe werkelijkheid probeert te creëren. Woorden met een beeldenaar moeten het zijn, woorden die zijn ervaringen en gedachten, zijn omgang met de werkelijkheid rondom hem beeldig verbeelden. De eisen die de dichter zich hierbij stelt zijn hoog, zeer hoog. Hij beseft dat de ultieme verwoording niet voor hem en eigenlijk voor niemand is weggelegd. Dus niet zomaar de uitmuntende woorden. Maar wel de zuivere expressie zo dicht mogelijk benaderd. Op een haar na, het karaat. Wat de poiètès aflevert, moet en zal precies zijn, zelfs precieus in de goede betekenis van het woord, gemeten met de naald van de balans. Die ijkschaal bestaat van oudsher, bestaat vanaf het prille begin van menselijke cultuur, sinds Tigris en Eufraat, toen mensen voor het eerst zich bedienden van de taal en liederen en gezangen bedachten waarmee zij de werkelijkheid verwoordden en overstegen. Het besef dat het gevecht met de taal vanaf het allereerste begin een opdracht was voor mensen, voor dichters, heft de onmogelijkheid ervan niet op en doet evenmin iets af van de eisen die het métier aan de dichter stelt. Maar de gedachte dat de poëtische uitdaging van alle tijden is, maakt de taak draaglijker en geeft zelfs rust.

Het is ooit anders geweest bij Hubert van Herreweghen. Het oudste poëticale gedicht is te vinden in zijn derde bundel Liedjes van de liefde en van de dood uit 1949 waarvoor hij reeds bekroond was met de Prijs van de Provincie Brabant. Het prolooggedicht heet eenvoudigweg Gedicht, waar gezegd wordt van de woorden dat zij dansen de rei van het gedicht. Maar dan kantelt het vers, want

Plots hoort gij in de rei daarbinnen
de dichter die te schreien ligt.
Gij hoort hem onder het bewegen
der woorden, waar ‘t verdriet in vaart
omdat geen zin zo zoel als regen
kan ruisen op het loof in maart  (VG 29)

De jonge dichter was zich al vroeg bewust van de menselijke makelij die poëzie heet en van haar onvermogen om de werkelijkheid volmaakt te verwoorden. Maar dat besef woog toen zwaar: temidden van dansende en lichtende woorden ligt de dichter te wenen. Dat beeld past perfect bij de thematiek en de tonaliteit in de debuutjaren van VanHerreweghen die beheerst worden door een onmacht tegenover erfzonde en schuld, door het spanningsveld tussen natuur en geest, tellurische verbondenheid en verlangen naar metafysische evasie, een meervoudige thematiek die hem nooit zal loslaten en die hij zal verwoorden in tegenstellingen van laag en hoog, zwaar en licht, gevangen en bevrijd, duisternis en klaarte, tijdelijkheid en tijdeloosheid.

Maar met de jaren en met de bundels, die bijna alle de blote titel of ondertitel Gedichten dragen (de dichter werkt toch aan gedichten, zoals een timmerman het hout bewerkt), met de jaren wordt de toon serener, milder en speelser. Reeds in Gedichten III, in 1962 bekroond met de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie, vinden wij daarvan de eerste sporen. Het poëticale Nulla dies sine linea verraadt reeds het plezier dat de dichter vindt in het spel van woorden, ritme en rijm in een haast Gezelliaanstaalregister. Ik citeer graag de beginverzen van dit pretentieloos gedicht.

Vind ik een vers alhier, aldaar,
ik buk mij lijk een bedelaar,
steek goedgemutst het peukje op zak,
is ‘t lichte of zwaardere tabak. (VG 156)

Hoewel Van Herreweghen al in Gedichten V – Brak­ een beetje experimenteert met een nieuwe typografie, is het vooral de bundel Aardewerk – Gedichten VI die wordt beschouwd als een definitieve doorbraak van de andere Van Herreweghen. Eigenlijk blijft hij trouw aan zijn thematiek, maar de vertrouwde motieven als daar o.m. zijn het kind, het landschap, de moeder, de vergankelijkheid, de religie, het ambacht, worden gedragen door een steeds wisselend spel met de taal, een weerbarstige syntaxis, sec geformuleerde en soms afgebroken verzen, een rijk taalregister dat soms een beroep doet op volkse en archaïsche wendingen en, formeel het meest opvallende, een precieuze en bijzonder expressieve typografie. Achter een en ander schuilt de milde glimlach en de ironie van de vroeger getormenteerde dichter die nu veel weet te relativeren. De bundels FazantKort dagKorf en Trog en de laatste bundel Karakol bevestigen in een climax deze nieuwe Van Herreweghen die traditie en moderniteit harmoniseert. In deze bundels blijft hij eigenlijk zijn vaak geciteerde bepaling van moderne poëzie gestand: gestyleerde wanorde, een spel van tonen en tegentonen, moderne onrust in klassieke maat. 

Hubert van Herreweghen komt in deze bundels vol taalspel verrassender uit de hoek dan veel van zijn jongere collega’s die vandaag de literaire canon vormen. Ik vrees zelfs een beetje dat poëzielezend Vlaanderen zijn nieuw werk nog te weinig kent en dat men de dichter, die alle podia mijdt en afkerig is van elk literair samenhokken, nog te veel associeert met wat men vroeger de neo-classici of dichters van de traditie heeft genoemd. Dat zijn dodelijke clichés die letterlijk literatuurgeschiedenis geworden zijn. Ad Zuiderent heeft het werk van Jos de Haes daarvan bevrijd. Benno Barnard en Herman de Coninck hebben Van Wilderodes poëzie geherwaardeerd. Paul Claes heeft het werk van Christine D’haen een nieuwe interpretatie gegeven. Met Hubert van Herreweghen is dat wellicht  nog te weinig gebeurd. Ik kijk even in de richting van Willy Spillebeen die bijna 25 jaar geleden al een monografie schreef, maar als hij het werk aan een jongere wil overlaten, dan heeft StefaanEvenepoel toch al een paar stevige aanzetten geschreven voor zo’n werk. Het is, om het met de dichter te zeggen, kort dag.

Karakol heeft de jury van de Bernheim Prijs bekoord. Als ik eigenzinnig door de bundel wandel, blijf ik haken aan het beklemmende Rondeel waar levensdrift en doodsbesef weer opduiken, aan het enigmatische titelgedicht waar de magie van het woord hoogtij viert, aan de miniatuur van het vers Bestorven echt, aan het bedrieglijk anecdotische Een takje munt dat het gedicht Zurkel uit Gedichten V oproept, ik blijf haken aan… zoveel. Maar Karakol, dat verscheen binnen de vier jaren die deze bekroning voorafgaan, fungeert tegelijk als kapstok voor de waardering voor de vernieuwing van het oeuvre van Hubert van Herreweghen. Was de Staatsprijs van 1962 een bekroning voor wat wij zijn eerder klassieke periode kunnen noemen, dan mag deze Prijs Emile Bernheim een bevestiging zijn van wat de dichter sinds Aardewerkheeft gebracht en de Prijs voegt zijn naam toe aan die van Jan Van Nijlen, Albert Westerlinck, Maurice Gilliams, Karel Jonckheere, Jef de Belder, André Demedts, HubertLampo, Ivo Michiels en Paul Dewispelaere.

Hubert van Herreweghen, wij weten dat u op dit eigenste ogenblik veel liever zou wandelen, kijken naar de halve takken hard gelakt, dromen van dampend paard en dampende aarde, de vlucht van de woerden zien en denken aan het werk van de dichter, dienaar van de mussen zijn.  Wij weten ook dat u niet schrijft om geprezen, maar om gelezen te worden. Toch moest u dit even ondergaan. Straks kunt u weer aan de slag zoals Toverij uit Kort dag het in vraag en antwoord verwoordde:

Wat heeft een toveraar te tonen
en het dichtertje met hem mee?
Er is een ander land: de zee,
een andere verwondering: het gewone. (25)