Lezing De speelman van Assisi

Franciscus — Giotto

Patrick Lateur gaf op 4 november 1995 een lezing over zijn dichtbundel De speelman van Assisi tijdens de jaarlijkse studiedag van het Franciscaans Studiecentrum in Utrecht. De volledige tekst van de lezing werd opgenomen in Franciscaans leven, 79(1996)3, p. 99-120. Een fragment daaruit kan je hier lezen.

[…]
Ontstaan van de bundel
De bundel De speelman van Assisi is o.m. ontstaan vanuit de reizen die me sinds ruim twintig jaren met mijn gymnasiumstudenten en de jongste jaren ook met mijn gezin telkens weer in Umbrië, Toscane en Latium brengen. Reizen in de weidse landschappen van Italië betekent tegelijk reizen in de tijd en geconfronteerd worden met plaatsen en figuren die ons vanuit een ver verleden appelleren. Reizen wordt dan ook steeds een zichzelf bevragen, de eigen contingentie doorbreken en een dialoog aangaan met de mens van alle tijden. Die dialoog gebeurt ook op ruimtelijke basis door de aantrekkingskracht die van sommige plaatsen uitgaat. Assisi en omgeving is er zo een. Ik heb meegemaakt hoe een dauwtrip naar de Carceri jongeren sterk aansprak of hoe de lectuur van het Zonnelied in de olijfgaarden rond San Damiano hen aangreep en boven zichzelf deed uitstijgen. Een van de meest onverdachte getuigenissen over de eerste indruk die Assisi nalaat, lees ik in het bekeringsverhaal van Pieter van der Meer de Walcheren. In Mijn dagboek schrijft hij op 18 oktober 1908 in Assisi: “Gisteren kwamen wij te Perugia aan. …Maar wij hadden Assisi zien liggen, en ik weet niet welke macht ons daarheen trok. Wij hadden haast hier te zijn, in dit gezegende oord. Dezelfde middag zijn wij nog de onderkerk binnengegaan. En het was opeens het verwachte. De lage mystische gewelven, de fresco’s aan de wanden, het psalmodiëren der monniken in het koor, de indruk van het ganse was diep en wij voelden de zoete schok der ontroering. Ik kan die gedachte niet uit mij zetten. Er bloeit over alles zo’n gelukkige vrede, de heuvels liggen in de verte zo harmonisch schoon en de stilte onder de zuivere hemel is zo kristalhelder, dat ik mij als herboren voel, een mens die, ontdaan van zijn donker verleden, met nieuwe ogen het leven aanziet en, tot zijn oorsprong weergekeerd, woordeloos alles begrijpt. Mijn geest is vrij van tegenstrijdigheden en vernietigende twijfel, en kent de zachte en zware blijmoedigheid. Ik zoek geen oplossing meer voor de oude vragen, het is mij voldoende te weten dat heiligen als Sint Franciscus die kenden, ik geef mij over en ik heb de vrede. 0, dat ik dit heerlijk gevoel voor immer in mij behouden kon!” Het zou nog duren tot in 1911 eer Van der Meer de Walcheren de definitieve stap zet, maar de indruk die Assisi maakte op de ongelovige Pieter illustreert de onweerstaanbare aantrekkingskracht die uitgaat van deze plaats. Vandaag wordt het ietwat cleane Assisi bijna dagelijks overrompeld door horden bezoekers en het is de vraag op hoevelen het zelf nog een overrompelende uitwerking heeft. Voor mij hebben de franciscaanse plaatsen in de loop der jaren in elk geval een niet onbelangrijke rol gespeeld in genese van De speelman van Assisi.

Daarnaast zijn er ook de reizen naar binnen die de bundel zullen gevoed hebben. Ik bedoel daarmee de lectuur van en over Franciscus, niet in functie van de bundel die er pas veel later is gekomen, maar om voeling te krijgen met de figuur die onlosmakelijk verbonden blijft met de plaatsen die me intrigeerden. Vooreerst de bekende teksten van Franciscus zelf, daarna de Vitae en de legenden door da Celano en Bonaventura en uiteraard de Fioretti. Uit de moderne Franciscus-Iiteratuur heb ik in de jaren zeventig veel genoten van de biografie door Morris Bishop en later van het nuchter-documentair en immens rijke werk van Hélène Nolthenius De man uit het dal van Spoleto. Op de receptie van Franciscus in de Ietteren heb ik eigenlijk vrij weinig zicht. Ik heb uiteraard wel De harp van Sint-Franciscus van Felix Timmermans gelezen dat zestig jaar geleden ook in Nederland veel bijval kende en waarvan Jeroen Brouwers vandaag beweert dat het Timmermans’ beste boek is. Franciscus is overigens in het hele oeuvre van Felix Timmermans nadrukkelijk aanwezig. Tijdens het voorbereidende contact in het Franciscaans Studiecentrum was de afdeling Ars et Litterae van de Bibliographia Franciscana voor mij een ware verrassing. Bescheidenheid en meer dan bescheidenheid alleen, dwingt me ertoe De speelman van Assisi te zien als een kleine voetnoot in de grote literaire partituur die aan Franciscus werd gewijd.

Naast de reizen naar buiten (de confrontatie met de franciscaanse plaatsen in Italië) en de reizen naar binnen (de literatuur van en over Franciscus), is er als derde en belangrijkste component in de genese van de dichtbundel uiteraard de uitdagende figuur van Francesco Bernardone zelf. Deze onvermoeibare Godszoeker, die de Blijde Boodschap op een radicale wijze heeft beleefd door in zijn Heer en zijn schepping de diepste vreugde te vinden en Hem heeft willen dienen door de beleving van de armoede, is voor mij tegelijk bron van bewondering en onmacht. Mijn bewondering geldt niet alleen zijn levenskeuze in de context van zijn tijd maar ook de manier waarop hij acht eeuwen later ons blijft wijzen op het wezenlijke. Een tijd waarin de Kerk steeds in beweging zou moeten blijven om een teken van hoop te zijn, een tijd waarin gelovigen op zoek gaan naar een spiritualiteit die niet meer met piëtisme te maken heeft maar met een persoonlijke verdieping die hun beroepsbezigheden en andere engagementen kan dragen en bevragen, voor zo’n tijd – onze tijd – heeft Franciscus veel te zeggen. En voor zo’n man wil de verzenbundel aandacht vragen. Maar schrijven over de man van Assisi gebeurt niet zonder schroom. Zijn radicale keuze voor de armoede is, zelfs vertaald naar normen van onze tijd, voor weinigen weggelegd. De dichter kan dan ook niet anders dan wijken voor de verpletterende werkelijkheid van zo’n keuze. Daarom is de bundel, ondanks maar precies ook doorheen de bewondering voor die levensstijl en voor alles wat Franciscus in ons oproept, ook een gedichtenbundel van onmacht. Want de kloof die ons scheidt van Franciscus en die men al schrijvende kan proberen te overbruggen, wordt door het woord ook groter, want bewuster.

De structuur van de bundel
Wie over Frans van Assisi in een verzenbundel wil spreken, heeft ontzettend veel materiaal voor zich. Mijn literaire voorkeur gaat naar gecomponeerde bundels. Dit betekent dat ik vanuit een min of meer vooropgezette structuur vertrek die in de loop van het schrijfproces eventueel nog bijgestuurd wordt. Voor De speelman van Assisi heb ik geopteerd voor een selectieve geestelijke biografie. Dit wil zeggen dat ik het spoor van Franciscus volg vanaf zijn jeugd tot aan zijn dood en dat ik die levensgeschiedenis benader vanuit zijn geestelijke evolutie. Zo’n verdichte geestelijke biografie kan niet anders dan selectief zijn. Uit de accenten die ik in zijn biografie leg, mag ook het belang blijken dat ik hecht aan welbepaalde gegevens, gebeurtenissen uit zijn leven, zelfs teksten van Franciscus. Die selectie bepaalt het beeld van Franciscus dat mij dierbaar is en gaf vorm aan mijn Franciscusverhaal. Niet weinigen zullen daarom bepaalde feiten of verhalen uit de grote biografie missen. Ik denk o.m. aan zijn contacten met de moslims, aan de zending van de broeders naar diversen Europese landen, aan de interne discussies over de Regel, enzovoort. Zelfs het sublieme gesprek over de volmaakte vreugde dat Franciscus voerde met broeder Leo op de terugweg van Perugia liet ik achterwege, zoals ik nog zovele andere bladzijden uit de Fioretti onvermeld moest laten.

De speelman van Assisi bestaat uit zes cycli van elk vier gedichten, het geheel is omkaderd door een proloog en een epiloog. De zes cycli refereren telkens aan een naar mijn aanvoelen belangrijk moment uit het leven van Franciscus of een aspect van zijn beleving van het Evangelie. In de eerste cyclus wordt de onstuimige jeugd met zijn ridderidealen geëvoceerd onder de titel Francesco. In de cyclus San Damiano staat zijn innerlijke ommekeer centraal, verbonden met de plaats en het verhaal van het vervallen kerkje op de zuiderhelling van de stad. De derde cyclus, Poverelio, staat in het teken van Franciscus’ keuze voor Vrouwe Armoede en onmiddellijk daarbij aansluitend illustreren de gedichten uit de cyclus loculator Domini de vreugde van de man die als dichter en speelman leeft en werkt voor zijn Heer. De vijfde cyclus is verbonden met de plaats waar Franciscus bevestigd werd in zijn totale navolging van Christus: La Verna gaf ook de titel aan deze reeks. De laatste verzengroep behandelt onder de titel Franciscus zijn testament en levenseinde.

Die zes cycli zijn bovendien concentrisch geordend. De eerste en de laatste cyclus, die de eerste en de laatste jaren van Franciscus’ optreden behandelen, openen en sluiten de kring van zijn leven. De licht gevarieerde titels Francesco en Franciscus verwijzen uiteraard respectievelijk naar de exuberante jongeman die opgaat in de wereld van zijn tijd en naar de volwassen man die zijn volheid heeft gevonden in God. San Damiano en La Verna, de tweede en de vijfde cyclus, hebben als gemeenschappelijk element een cruciaal moment en een cruciale plek die Franciscus leven hebben getekend. Eigenlijk tweemaal een ommekeer, eerst de eigenlijke bekering, veel later op de berg La Verna de bevestiging en als het ware de opname in een hogere orde. De twee middencycli, Poverelio en loculator Domini, geven die twee accenten weer die mij in Franciscus blijven treffen. Zo verrassend is dat niet, want paupertas cum Iaetitia, armoede in vreugde, behoort tot het wezen van zijn optreden en van allen die hem sindsdien gevolgd zijn. De derde en vierde cyclus inspireerden me bijna vanzelfsprekend ook voor de titel van de bundel. Over de titel heb ik weinig moeten nadenken. Ik weet dat zelfs wie weinig voorkennis heeft van Franciscus, zijn naam meestal associeert met de Poverello. De Divina Commedia van Dante legt in de tiende zang van het Paradiso ook reeds de klemtoon op Franciscus’ huwelijk met Vrouwe Armoede. Mijn keuze voor de ioculator, de speelman, werd bepaald door de eigenschap die Francesco Bernardone kenmerkte als jongeman toen hij onder de tripudiantes reeds het voortouw nam en die hem ook na zijn ommekeer bleef tekenen wanneer hij als speelman Gods door het leven trok. Achter die speelman steekt een dichter-zanger maar tegelijk een man vol blijdschap wiens leven in eenklank met de schepping één loflied werd op de oorsprong van alles. Het ideaal van die existentiële laetitia blijft wellicht even moeilijk te benaderen als het ideaal van de consequent beleefde paupertas. Maar ik meen dat Franciscus ons uiteindelijk het minst veraf blijft in de vreugde die het waarmerk is van elke mens die op de een of andere manier God heeft gevonden.

Ik rond deze toelichting bij de structuur van De speelman van Assisi af met een woord over de omkadering van de bundel, de proloog en de epiloog. Ik heb het leven van Franciscus willen situeren in tijd en ruimte. De drie gedichten onder de titel Assisi ca. 1200 proberen een beeld op te hangen van de spanningen die zijn tijd beheersten: de kruistochten, de strijd tussen Paus en Keizer, de vetes tussen de steden, de crisis van de Kerk, de religieuze bewegingen die nieuwe wegen gingen, een beeld ook tenslotte van het leven in Assisi vol tegenstellingen. Tegen de achtergrond van deze versplinterde wereld situeert zich het verdichte leven van Franciscus dat uitzicht geeft op een nieuwe wereld. De aanzet tot die nieuwe wereld heeft de dichter Franciscus uitgezongen in zijn Cantico delle Creature dat ik in een nieuwe vertaling samen met de brontekst als epiloog Iaat fungeren. Op die manier vormen proloog en epiloog de buitencirkel van een reeks concentrische cirkels en vormen zij uitgangspunt en eindpunt van Franciscus’ levensweg.

Een vaste vorm
De vorm van mijn gedichten – en dat is het laatste punt dat ik heel even wil aanraken vooraleer over te gaan tot het becommentariërend lezen van een aantal verzen -de versvorm dus, is klassiek. Met de Vijftigers is de poëzie een heel andere weg opgegaan. Het vrije vers, het ontbreken van leestekens, de typografische schikking op het wit van het blad behoorden al snel tot de verworvenheden van de experimentelen die willen breken met alles wat het verleden aan inhoud maar ook aan vorm had overgeleverd. Voor de uitdrukking van een aan scherven gevallen mens- en wereldbeeld was o.m. het vrije vers een bijzonder geschikt en wendbaar instrument. Door terug te grijpen naar de klassieke versvorm met strofische bouw, kwatrijnen, vast metrum en rijmschema, probeer ik de scherven weer te lijmen. De maat, de rust en harmonie, en vooral de vertrouwvolle zekerheid die inherent is aan het onderwerp van mijn bundel wil ik uitdrukken met een vormvastheid die het gestructureerde karakter van de bundel komt versterken. De bundel is gestructureerd, maar ook elk gedicht wil in de bedding van metrum en rijm zacht uitdeinen en de lezer doen ademen op het ritme van de klassiek verwoorde gedachten. Mijn vorming als classicus is daaraan wellicht niet vreemd maar anderzijds stel ik ook vast dat men vandaag niet meer vies is van een klassiek vers. Wat dat voor deze bundel betekent, illustreer ik aan de hand van het slotgedicht van de proloog dat een evocatie is van Assisi uit de tijd van Franciscus. In het gedicht Iaat ik twee lijnen lopen van hoog naar laag, geografisch en maatschappelijk. U kent de Rocca Maggiore, de San Rufino, de Minervatempel en het marktplein. Deze dalende lijn is ook de lijn van de oude adel in de burcht naar de handelaars op de markt. En hun feest- en marktlawaai contrasteert met de stille bedelaars, met wie Franciscus zich zal identificeren. De deuren van de dood waarlangs zij zich bewegen, zijn in werkelijkheid de bekende deuren op halve hoogte in de Umbrische stadhuizen maar in dit gedicht krijgen zij ook een symbolische betekenis voor mensen die elke dag balanceren op de rand van leven en dood.

Assisi ca. 1200 – III

In luchten vol azuur de burcht die heerst
en waakt. De klank van vedel, tamboerijn
en luit golft dalwaarts en vermengt zich eerst
halfweg met marktgeluiden op het plein

waarvan plaveien zengen in een zon
van lood. De toren van Rufino luidt
de noentijd van een dag die vroeg begon.
En in Minerva’s schaduw klinkt de buit

van kooplui, winsten van een duivels werk.
Maar zwijgzaam langs de deuren van de dood
zien Job en Lazarus dat ongemerkt,
hun handen smeken om het dagelijks brood

Met het voorafgaande heb ik de toon gezet voor dit tweede deel waarin ik de tot dusver uiteengezette gedachten wil illustreren met een reeks gedichten uit de bundel. In mijn commentaar wil ik de nadruk leggen op de motieven die mij ertoe brachten bepaalde accenten te leggen of bepaalde details te releveren in mijn Franciscusverhaal. Een dichtbundel, die zich als een brok literatuur aandient, creëert een nieuwe werkelijkheid die in dit geval bepaald wordt door de keuze van de dichter, net zoals – u zult me de obescheiden vergelijking vergeven – de frescocycli van Giotto in Assisi en van Gozzoli in Montefalco een keuze verraden en dus ook een bepaald Franciscusverhaal en dito beeld aanreiken. […]